Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:92

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
15/223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 65, onder c, van Verordening (EG) nr. 1234/2007, producent, Regeling Superheffing 2008, quotumoverdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/223

10830

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2016 in de zaak tussen

Melkveebedrijf [naam 1] B.V. te [plaats 1] ( [naam 1] ),

Coöperatie [naam 2] U.A. i.o. te [plaats 1] ( [naam 2] ),

[naam 3] B.V. te [plaats 1] ( [naam 3] ),

[naam 4] C.V. te [plaats 2] ( [naam 4] ),

[naam 5] te [plaats 3] ( [naam 5] ),

Maatschap [naam 6] te [plaats 4] ( [naam 6] ),

hierna gezamenlijk: appellanten

(gemachtigde: mr. A. van Beelen),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. J.T. Bonhof en A.P. van Houten).

Procesverloop

Bij besluiten van 8 mei 2014, kenmerken 354383 en 354542 (de primaire besluiten 1 en 2) heeft verweerder de op naam van [naam 2] in maart 2013 en maart 2014 geleverde melk toegerekend aan [naam 1] . Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder voorts bepaald dat het melkquotum van [naam 2] met ingang van 1 april 2014 komt te vervallen.

Bij brief van 8 mei 2014, kenmerk 354547, heeft verweerder [naam 3] laten weten dat een correctie dient plaats te vinden in de registratie van de geleverde hoeveelheden melk van [naam 1] en [naam 2] in de heffingsperiodes 2012/2013 en 2013/2014.

Bij besluiten van 8 mei 2014, kenmerken 354560, 354561, 354563, 354565, 354566 en 354567 (de primaire besluiten 3 tot en met 8) heeft verweerder een aantal meldingen van quotumoverdracht zonder grond afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. Het beroep is gevoegd behandeld met het beroep met zaaknummer 15/339. Na de zitting heeft het College de behandeling van de zaken gesplitst en bepaald dat daarin afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts zijn verschenen namens [naam 2] [naam 7] en namens [naam 3]
[naam 8] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft bij [naam 2] op
21 maart 2014 een verificatieonderzoek naar onregelmatige leveringen gedaan en een fysieke controle superheffing uitgevoerd. De bevindingen van deze onderzoeken zijn neergelegd in twee rapporten gedateerd 24 maart 2014 met rapportnummers 1797/14/0025 en 1797/14/0026 In deze rapporten staat het volgende. De bevoegde functionaris van [naam 2] is [naam 7] . [naam 2] heeft geen productiemiddelen, zoals een veestal, veestapel, melkstal of een melktank in eigendom. Zij beschikt over een klein melkquotum. Voor de benutting hiervan huurt [naam 2] tijdelijk alle benodigde productiemiddelen van [naam 1] . Dit bedrijf heeft onder andere 250 melkkoeien. In het quotumjaar 2012/2013 zijn er melkleveringen op naam van [naam 2] geweest. De benutting van het melkquotum is voor de heffingsperiode 2012/2013 geheel in maart 2013 gerealiseerd. In de overige maanden is geen melk geleverd.

1.2

Verweerder heeft met betrekking tot het heffingsjaar 2013-2014 meldingsformulieren voor quotumoverdracht zonder grond ontvangen betreffende overdrachten van fabrieksquota door respectievelijk:
- [naam 2] aan [naam 4] ;
- [naam 2] aan [naam 1] ;
- [naam 5] aan [naam 2] en
- [naam 6] aan [naam 2] .

1.3

Bij de primaire besluiten 1 en 2 heeft verweerder de op naam van [naam 2] in maart 2013 en maart 2014 geleverde melk zijnde respectievelijk 16.662 kg en 9.268 kg toegerekend aan [naam 1] . Bij het primaire besluit 2 is voorts het melkquotum van [naam 2] met ingang van 1 april 2014 vervallen verklaard. Bij brief van 8 mei 2014 heeft verweerder [naam 3] laten weten dat in de administratie van [naam 3] een correctie dient plaats te vinden in de registratie van de geleverde hoeveelheden melk van [naam 1] en [naam 2] in de heffingsperiodes 2012/2013 en 2013/2014. Verder heeft verweerder bij de primaire besluiten 3 tot en met 8 de in 1.2 genoemde meldingen afgewezen. Verweerder heeft aan het vorenstaande ten grondslag gelegd dat, gelet op de rapporten van de NVWA, [naam 2] niet als producent in de zin van de Regeling Superheffing 2008 kan worden aangemerkt.

1.4

In bezwaar hebben appellanten schriftelijke huurovereenkomsten overgelegd die zijn gesloten tussen [naam 9] en [naam 7] . Twee overeenkomsten zijn gedateerd 24 maart 2013 en betreffen de huur van de productiemiddelen en de melkveestapel op 25 en 26 maart 2013 en twee overeenkomsten zijn gedateerd 27 maart 2014 en betreffen de huur van de productiemiddelen en de melkveestapel op 28 en 29 maart 2014. Blijkens de overeenkomsten dient de huurprijs contant aan de verhuurder te worden betaald, tenzij de verhuurder tijdig een andere betaalwijze te kennen geeft.

1.5

Naar aanleiding van de door appellanten overgelegde overeenkomsten heeft verweerder de NVWA verzocht nader onderzoek te doen. De NVWA heeft hiervan een rapport opgemaakt, gedateerd 18 december 2014, rapportnummer 1797/14/0084. Uit dit rapport blijkt dat [naam 9] de bevoegde functionaris is van [naam 1] . Het bedrag voor de huur van de productiemiddelen is nog niet betaald, omdat het zal worden verrekend met de koopsom voor het melkquotum dat [naam 1] van [naam 2] wil kopen.

Het beroep ten aanzien van de beslissing op bezwaar aangaande de brief van 8 mei 2014, kenmerk 354547

2. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de brief van verweerder van 8 mei 2014, kenmerk 354547, waarbij verweerder [naam 3] heeft laten weten dat in de administratie van [naam 3] een correctie dient plaats te vinden in de registratie van de geleverde hoeveelheden melk van [naam 1] en [naam 2] in de heffingsperiodes 2012/2013 en 2013/2014.

3.1

Naar het oordeel van het College is deze brief niet op rechtsgevolg gericht. Het betreft slechts een aanwijzing voor de administratieve verwerking van geleverde hoeveelheden melk door [naam 3] . Daarom is deze brief niet een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, bezwaar kon worden gemaakt. Verweerder had het bezwaar daarom in zoverre niet‑ontvankelijk moeten verklaren. In zoverre is het beroep gegrond. Het College zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.

3.2

Omdat rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, zal het College het bezwaar van appellanten in zoverre niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Het beroep voor het overige

4.1

Verweerder heeft aan de handhaving van zijn besluit om de meldingen van quotumoverdracht genoemd in 1.2 af te wijzen ten grondslag gelegd dat [naam 2] geen producent is in de zin van artikel 65, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening). Om dezelfde reden heeft verweerder ook zijn besluiten om de in maart 2013 en maart 2014 op naam van [naam 2] geleverde melk toe te rekenen aan [naam 1] en het quotum van [naam 2] vervallen te verklaren gehandhaafd.

4.2.

Verweerder meent dat [naam 2] geen producent is in de zin van de Integrale-GMO-verordening, omdat het bedrijf niet als landbouwer kan worden aangemerkt. Verweerder heeft daartoe gewezen op drie gronden. Allereerst heeft [naam 2] geen formulier als bedoeld in artikel 1 van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave ingevuld, terwijl dit voor een landbouwbedrijf verplicht is. Ook omdat verweerder geen melding heeft ontvangen van [naam 2] als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, is het bedrijf niet als landbouwer te beschouwen, aldus verweerder. Ten slotte kan [naam 2] niet worden aangemerkt als een landbouwexploitant die met het oog op melkproductie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van productie-eenheden heeft geëxploiteerd en die ook zelfstandig heeft beheerd. Weliswaar stelt [naam 2] dat er ter uitvoering van haar melkveehouderijbedrijf gebruik wordt gemaakt van op het adres [adres] te [plaats 1] aanwezige productiemiddelen en –eenheden, maar op dit adres staat al een bedrijf ingeschreven, namelijk [naam 1] . Dit betekent dat [naam 2] alleen als producent kan worden aangemerkt indien vaststaat dat zij een afzonderlijk, zelfstandig en van de op de productielocatie al aanwezige producent te onderscheiden bedrijf uitoefent. Daarvan is geen sprake omdat – kort gezegd – wisselend is verklaard over de huurovereenkomst voor het gebruik van de productiemiddelen van [naam 1] en over de betaling van de huur en deze ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ook niet was betaald. Op basis hiervan kan [naam 2] niet worden aangemerkt als een landbouwexploitant die met het oog op de melkproductie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van productie-eenheden heeft geëxploiteerd en die ook zelfstandig heeft beheerd. Er is dus geen sprake van meer producenten op één adres als bedoeld in artikel 65, aanhef en onder c, van de Integrale-GMO-verordening.

5. Appellanten hebben de door verweerder aangevoerde gronden betwist. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat elk van de drie onder 4.2 genoemde gronden zelfstandig het standpunt kan dragen dat [naam 2] geen producent is. Het College ziet aanleiding eerst te bespreken of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam 2] niet op eigen verantwoordelijkheid een geheel van productie-eenheden heeft geëxploiteerd en die ook zelfstandig heeft beheerd.

6. Appellanten hebben dienaangaande aangevoerd dat er wel een strikte scheiding is van het gebruik van de productiemiddelen door [naam 1] en [naam 2] . Afgesproken was dat de huurprijs verrekend zou worden met het bedrag dat [naam 1] aan [naam 2] moest betalen voor het melkquotum, waarvan verweerder de registratie heeft geweigerd. Inmiddels heeft betaling plaatsgevonden. Verweerder heeft met betrekking tot de betaling van de huur voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.

7.1

Het College overweegt als volgt.

7.2

De Integrale-GMO-verordening luidde voor zover van belang als volgt:

“Artikel 65 - Definities
Voor de toepassing van deze sectie wordt verstaan onder:

(…)
c) „producent”: landbouwer wiens bedrijf zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt en die melk produceert en vermarkt of voorbereidingen treft om dit in een zeer nabije toekomst te doen;
d) „bedrijf”: bedrijf in de zin van artikel 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003;
(…)

Artikel 67 - Individuele quota

(…)

2. Producenten kunnen beschikken over één of over twee individuele quota, waarvan één voor leveringen en één voor rechtstreekse verkoop.

(…)

Artikel 72 - Inactiviteit

1. Wanneer een natuurlijke of rechtspersoon die over individuele quota beschikt, gedurende een tijdvak van twaalf maanden niet langer aan de voorwaarden van artikel 65, onder c), voldoet, worden de overeenkomstige hoeveelheden uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar aan de nationale reserve toegevoegd, tenzij die persoon voor die datum opnieuw een producent in de zin van artikel 65, punt c), wordt.

(…)”

De Integrale-GMO-verordening is ingetrokken bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (Verordening 1308/2013). Artikel 230, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 1308/2013 bepaalt dat de bepalingen van de Integrale-GMO-verordening wat de regeling ter beperking van de melkproductie betreft (de in deel II, titel I, hoofdstuk III, afdeling III, artikel 55, artikel 85 en in de bijlagen IX en X vastgestelde bepalingen) evenwel tot en met 31 maart 2015 van toepassing blijven.

Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 1782/2003) is ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009). Ingevolge artikel 146, tweede lid, van Verordening 73/2009 worden verwijzingen in andere besluiten naar Verordening 1782/2003 gelezen als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XVIII.

Voor zover hier van belang luidde Verordening 73/2009 als volgt:

“Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van de onderhavige verordening gelden de volgende definities:

a) „landbouwer”: een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 299 van het Verdrag en die een landbouwactiviteit uitoefent;

b) „bedrijf”: het geheel van de productie-eenheden dat door de landbouwer wordt beheerd en zich bevindt op het grondgebied van eenzelfde lidstaat;

(…)”

7.3

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft in het arrest van
15 januari 1991, Ballmann, C-341/89 (ECLI:EU:C:1991:11) het volgende overwogen.

“(…)

9 Allereerst moet eraan worden herinnerd, dat uit de algemene opzet van de regeling inzake de extra heffing op melk voortvloeit, dat een landbouwer slechts een referentiehoeveelheid kan krijgen wanneer hij de hoedanigheid van producent heeft. Om een ter zake dienend antwoord op de gestelde vragen te kunnen geven, moet derhalve van het begrip producent in de zin van die regeling worden uitgegaan.

10 Dit begrip is omschreven in artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84. Volgens deze bepaling is producent

"de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd,

- die melk of andere zuivelprodukten rechtstreeks aan de consument verkoopt,

- en/of levert aan de koper ".

11 De definitie van "producent" moet worden gelezen in samenhang met die van het begrip "bedrijf", dat volgens artikel 12, sub d, van verordening nr. 857/84 doelt op

"het geheel van produktie-eenheden die door de producent worden beheerd en die op het geografische grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd ".

12 Uit deze definities vloeit voort, dat ieder die een bedrijf, dat wil zeggen een op het geografische grondgebied van de Gemeenschap gevestigd geheel van produktie-eenheden, beheert en melk of zuivelprodukten verkoopt of levert, de hoedanigheid van producent heeft, en dat daartoe niet is vereist dat de betrokkene eigenaar van de voor zijn produktie gebruikte installaties is. Het begrip producent kan derhalve niet aldus worden uitgelegd, dat degenen die een bedrijf pachten, daar niet onder vallen.

(…)”

Het Hof heeft in het arrest van 9 juli 1992, Maier, C-236/90 (ECLI:EU:C:1992:311) het volgende overwogen.

“(…)

9 Luidens artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88 wordt de aanvraag om toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, "door de betrokken producent bij de door de Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie ingediend overeenkomstig de door deze Lid-Staat vastgestelde voorschriften. Ook moet de producent kunnen aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de (...) goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie."

10 Artikel 12, sub d, van verordening nr. 857/84 definieert het begrip "bedrijf" in de zin van de betrokken regeling als "het geheel van produktie-eenheden die door de producent worden beheerd en die op het geografische grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd". Artikel 12, sub c, van die verordening definieert het begrip "producent" als "de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gelegen".

11 Uit deze gezamenlijke definities blijkt, dat het begrip producent in artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 slechts betrekking heeft op een landbouwexploitant die met het oog op de melkproduktie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van produktie-eenheden exploiteert. Bij verpachting van het bedrijf wordt aan deze voorwaarden echter alleen voldaan door de pachter die het recht van gebruik van het bedrijf heeft, doch niet door de verpachter/eigenaar van het bedrijf die dat recht door de verpachting aan de pachter heeft overgedragen.

(…)”

8.1

Uit deze arresten, waarin het Hof ten aanzien van soortgelijke bepalingen als artikel 65, aanhef en onderdeel c, van de Integrale-GMO-verordening, in verbinding met de definitie van het begrip “bedrijf” in artikel 2, aanhef en onder b, van Verordening 1782/2003 het begrip “producent” heeft uitgelegd, leidt het College af dat het begrip “producent” slechts betrekking heeft op een landbouwer die met het oog op de melkproductie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van productie-eenheden exploiteert. Hoewel uit het arrest Ballmann volgt dat voor de hoedanigheid van producent niet is vereist dat de landbouwer eigenaar van de voor zijn melkproductie gebruikte installaties is, moet, zo volgt ook uit beide arresten, in een geval als hier aan de orde, waar de landbouwer geen eigenaar is van de voor zijn melkproductie gebruikte installaties, in ieder geval vaststaan dat hij die installaties huurt of pacht teneinde als producent te kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat [naam 2] melk vanaf het adres van de bestaande producent [naam 1] wilde leveren, was het aan [naam 2] en daarmee aan appellanten om aannemelijk te maken dat [naam 2] de voor haar melkproductie gebruikte productiemiddelen en de melkveestapel daadwerkelijk van [naam 1] heeft gehuurd.

8.2

Naar het oordeel van het College hebben appellanten dit niet aannemelijk gemaakt. Daartoe is allereerst redengevend dat er verschillend is verklaard over de huurovereenkomst voor de productiemiddelen. Blijkens het rapport van de NVWA van 24 maart 2014 met rapportnummer 1797/14/0025 heeft de partner van [naam 7] ten aanzien van het quotumjaar 2012/2013 bij het controlebezoek verklaard dat er geen schriftelijke huurovereenkomst was. Vervolgens hebben appellanten in beroep de in 1.4 genoemde schriftelijke huurovereenkomsten overgelegd. Appellanten hebben hieromtrent verklaard dat de partner van [naam 7] niet wist dat er schriftelijke huurovereenkomsten waren. Verder is over de betaling wisselend verklaard. In de huurovereenkomsten staat vermeld dat de betaling contant zal plaatsvinden, tenzij de verhuurder tijdig een andere betaalwijze te kennen geeft. Uit het rapport van de NVWA van 18 december 2014 met rapportnummer 1797/14/0084 blijkt dat de huur zal worden verrekend met het bedrag dat [naam 1] voor de koop van het melkquotum verschuldigd is. In de beroepsfase hebben appellanten stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de huur inmiddels (namelijk op 31 maart 2015, derhalve kort na indiening van het beroepschrift) is betaald. Volgens appellanten is de huur inmiddels betaald omdat het systeem van melkquota is vervallen, zodat verrekening niet meer mogelijk is. Het College stelt vast dat de aanvulling van verklaringen en het overleggen van stukken steeds hebben plaatsgevonden nadat verweerder een voor appellanten negatief standpunt had ingenomen. Gelet op het vorenstaande bestaat er voldoende aanleiding voor twijfel over het antwoord op de vraag of [naam 2] de voor haar melkproductie gebruikte productiemiddelen en de melkveestapel daadwerkelijk van [naam 1] heeft gehuurd, zodat niet vaststaat dat [naam 2] ten tijde hier van belang met het oog op de melkproductie op eigen verantwoordelijkheid een geheel van productie-eenheden heeft geëxploiteerd en aldus als producent in de zin van artikel 65, aanhef en onder c, van de Integrale-GMO-verordening kan worden aangemerkt. Het feit dat [naam 2] op haar naam melk heeft kunnen leveren aan [naam 3] neemt deze twijfel niet weg, nu het melkquotum destijds nog op naam van [naam 2] stond. Gelet op de hiervoor weergegeven bewijslastverdeling weegt de twijfel in het nadeel van appellanten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Uit de door appellanten overgelegde stukken ten aanzien [naam 4] blijkt niet dat sprake is van een gelijk feitencomplex, reeds nu niet is gebleken dat in die zaak ook sprake was van twijfel over de vraag of [naam 4] de voor haar melkproductie gebruikte productiemiddelen en de melkveestapel daadwerkelijk heeft gehuurd.

8.3

Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat [naam 2] in de heffingsperiodes 2012/2013 en 2013/2014 geen producent was. Daarom behoeven de beroepsgronden van appellanten met betrekking tot de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave en de Regeling identificatie en registratie van dieren geen bespreking.

9. Aan de orde is vervolgens of verweerder het melkquotum met ingang van 1 april 2014 vervallen heeft mogen verklaren. Appellanten menen dat het vervallen verklaren met terugwerkende kracht niet kan, omdat op dat moment het quotum al was verkocht. Het College stelt vast dat de meldingen van quotumoverdracht van [naam 2] aan [naam 4] en [naam 1] dateren van 28 maart 2014. Uit de overwegingen 8.1 tot en met 8.3 volgt dat [naam 2] op dat moment geen producent was. Om die reden kon zij toen het melkquotum niet overdragen. De vervallenverklaring is daarvoor niet van belang. Verder volgt uit artikel 72, eerste lid, van de Integrale-GMO-verordening dat verweerder het melkquotum van [naam 2] terecht met ingang van 1 april 2014 vervallen heeft verklaard.

10. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voor het overige ongegrond is.

11. Het College ziet in hetgeen in 3 is overwogen aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen het gedeelte van het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen de brief van 8 mei 2014, kenmerk 354547, ongegrond is verklaard, en vernietigt dit besluit in zoverre;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de brief van 8 mei 2014, kenmerk 354547, niet‑ontvankelijk en bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan appellanten te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. H.L. van der Beek en mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2016.

w.g. A. Venekamp w.g. C.M. Leliveld