Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:89

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-04-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
14/424 en 14/425
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6:19 Awb 8:75 Awb

De gevraagde ontheffingen zijn aanvankelijk geweigerd, maar naar aanleiding van tijdens de beroepsfase verstrekte nieuwe informatie alsnog verleend. De beroepen zijn niet ingetrokken.

Geen procesbelang meer.

Ook zonder dat de bestreden besluiten expliciet zijn ingetrokken blijkt uit de nieuwe besluiten ondubbelzinnig dat de gevraagde ontheffingen zijn verleend. Geen rechtsonzekerheid. Het door appellanten met het handhaven van hun beroepen nagestreefde resultaat is al gerealiseerd.

Geen proceskostenvergoeding.

Tegemoetgekomen, maar naar aanleiding van pas in de beroepsfase verstrekte informatie, terwijl niet kan worden aangenomen dat betreffende informatie niet al in de aanvraagfase vertrekt had kunnen worden. Dat appellanten genoodzaakt waren om beroepen in te stellen tegen de aanvankelijke afwijzing van hun ontheffingsaanvragen is dus uitsluitend aan henzelf te wijten. Dit is een bijzondere omstandigheid om niet over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTE 2016/38, UDH:NTE/13256 met annotatie van mr. I. Brinkman en mr. L. Baljon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 14/424 en 14/425

18400

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 april 2016 in de zaak tussen

Vopak Terminal Botlek B.V., te Rotterdam, en

Vopak Terminal Europoort B.V., te Rotterdam, appellanten

(gemachtigde: mr. M.R. het Lam),

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster

(gemachtigden: mr. B.R.J. de Haan en mr. V.C.A. Lindijer).

Procesverloop

Bij besluiten van 26 mei 2014 (de bestreden besluiten) heeft ACM de aanvragen van appellanten voor ontheffingen op grond van artikel 2a, eerste lid, van de Gaswet afgewezen.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2015. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [naam] . ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Bij besluiten van 21 september 2015 heeft ACM alsnog de gevraagde ontheffingen verleend.

Met toestemming van partijen is nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Bij brief van 13 oktober 2015 hebben appellanten meegedeeld dat zij zich kunnen verenigen met de inhoud van de besluiten van 21 september 2015. Appellanten stellen dat ACM echter heeft verzuimd om de bestreden besluiten in te trekken en dat zij er uit oogpunt van rechtszekerheid aan hechten dat ondubbelzinnig komt vast te staan dat de bestreden besluiten niet langer van kracht zijn. Appellanten handhaven daarom hun beroepen en verzoeken de bestreden besluiten te vernietigen of vast te stellen dat deze besluiten hun juridische gelding hebben verloren. Appellanten handhaven daarnaast hun verzoeken om vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2. In reactie hierop stelt ACM dat de besluiten van 21 september 2015 de bestreden besluiten vervangen en dat het afzonderlijk intrekken van de bestreden besluiten niet nodig is. Daarnaast stelt ACM dat ook uit de inhoud van de besluiten van 21 september 2015 ondubbelzinnig blijkt dat de gevraagde ontheffingen zijn verleend. Daarover kan volgens ACM geen misverstand bestaan. ACM stelt naar aanleiding van de door appellanten tijdens de beroepsprocedure naar voren gebrachte nieuwe informatie de aanvragen opnieuw te hebben beoordeeld en uit proceseconomisch oogpunt tot herziening van de bestreden besluiten te zijn overgegaan in plaats van nieuwe aanvraagprocedures te doorlopen. ACM blijft bij haar standpunt dat de aanvragen aanvankelijk terecht zijn afgewezen en stelt dat haar niet te verwijten valt dat appellanten de voor het verlenen van ontheffingen doorslaggevende informatie pas in de beroepsfase hebben ingediend.

3. Ambtshalve overweegt het College dat de beroepen niet van rechtswege mede betrekking hebben op de besluiten van 21 september 2015, omdat appellanten daarbij onvoldoende belang hebben nu zij hebben aangegeven daartegen geen bezwaren te hebben. Ter beoordeling staan slechts de beroepen tegen de bestreden besluiten.

4.1

Het College ziet zich voorts geplaatst voor de vraag of appellanten procesbelang hebben behouden bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:194) is eerst sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat met de beroepen wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor appellanten feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.2.

Naar het oordeel van het College is het zonder meer duidelijk dat de besluiten van 21 september 2015 in de plaats zijn gekomen van de bestreden besluiten. Zo staat op de voorbladen ‘herzien besluit’ en in de randnummers 12 en 13 is aangegeven dat de bestreden besluiten worden herzien naar aanleiding van de door appellanten in de beroepsfase overgelegde informatie. Ook zonder dat de bestreden besluiten expliciet zijn ingetrokken blijkt uit de besluiten van 21 september 2015 ondubbelzinnig dat de gevraagde ontheffingen zijn verleend aan appellanten. Van een rechts onzekere situatie zoals appellanten stellen is geen sprake. Het door appellanten met het handhaven van hun beroepen nagestreefde resultaat is al gerealiseerd. Dit betekent dat appellanten hun procesbelang hebben verloren en de beroepen niet-ontvankelijk zijn.

5.1

Over het verzoek van appellanten om ACM te veroordelen in de proceskosten overweegt het College dat in geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance is tegemoetgekomen levert in beginsel niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. Van een bijzondere omstandigheid kan wel sprake zijn als de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend is te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:397 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:397)).

5.2

Op basis van de gedingstukken en de behandeling ter zitting stelt het College vast dat ACM de ontheffingsverzoeken aanvankelijk heeft afgewezen, onder meer omdat op basis van de door appellanten verstrekte informatie niet kon worden vastgesteld of de bedrijfsprocessen wegens specifieke (afwijkende) technische eisen of specifieke veiligheidsredenen zijn geïntegreerd. Appellanten hebben pas in de beroepsfase hierover zodanige informatie verstrekt dat op grond daarvan ACM alsnog tot het verlenen van de gevraagde ontheffingen is overgegaan. Niet kan worden aangenomen dat betreffende informatie niet al in de aanvraagfase verstrekt had kunnen worden. Dat appellanten genoodzaakt waren om beroepen in te stellen tegen de aanvankelijke afwijzing van hun ontheffingsaanvragen is dus uitsluitend aan henzelf te wijten. Dit is een bijzondere omstandigheid om niet over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

6. Om dezelfde reden ziet het College geen aanleiding om ACM te veroordelen tot het vergoeden van het door appellanten betaalde griffierecht.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, mr. R.C. Stam en mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2016.

w.g. H.S.J. Albers w.g. M.B. van Zantvoort