Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:85

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
15/540
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deelnemers in een samenwerkingsverband maken te laat bezwaar tegen subsidievaststelling en terugvorering. Penvoerder heeft de deenemers niet van de beslissing van verweerder op de hoogte gesteld. Penvoerder was door deelnemers gemachtigd alle handelingen te verrichten. Beslissing Staatssecretaris op de juiste wijze bekend gemaakt. Appellanten terecht n-o verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Subsidieregeling innoveren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/318 met annotatie van J.E. van den Brink
JB 2016/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/540

27304

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2016 in de zaak tussen

1. E&B Engineering en Bouwbegeleiding B.V., te Sliedrecht,

2. [naam 1] , te [plaats] ,

3. W.E. Trade B.V.,te Kinderdijk, appellanten

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan de deelnemers aan het project “DESS - Dutch Energy Saving Systems” ingevolge de Subsidieregeling Innoveren toe te kennen subsidie definitief vastgesteld en daarbij een bedrag aan onverschuldigd betaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 5 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de op 8 mei 2015 door appellanten ingezonden en door hem als bezwaarschrift aangemerkte brief van dezelfde datum wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven dat zonder zitting uitspraak wordt gedaan.

Het College heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat heden uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken en vangt deze aan met ingang van de dag na die waarop een besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaarschrift van appellanten van 8 mei 2015, gericht tegen het primaire besluit van 25 februari 2015, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken is ingediend, zonder dat is gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de indieners niet in verzuim zijn geweest.

3. Appellanten hebben aangevoerd dat het primaire besluit, dat bij de penvoerder van hun samenwerkingsverband – Uneto VNI – is binnengekomen, op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd. Omdat in dit besluit expliciet het bedrag wordt genoemd dat de penvoerder diende terug te storten, leek het om een kennisgeving te gaan die alleen voor hem was bestemd. Hun penvoerder heeft de beslissing niet doorgezonden aan hen als deelnemers in het samenwerkingsverband, omdat hij uit zijn ervaring met eerdere projecten de conclusie heeft getrokken dat appellanten als individuele deelnemers ook een kennisgeving zouden ontvangen. In eerdere gevallen is, aldus appellanten, direct met de deelnemers gecommuniceerd, zodat de handelwijze van verweerder niet past in het kader van behoorlijk bestuur.

4. Het College overweegt als volgt. Uit de door verweerder overgelegde op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat appellanten, als deelnemers in een samenwerkingsverband, bij hun subsidieaanvraag hebben verklaard hun penvoerder te machtigen namens hen deze aanvraag in te dienen en namens hen op te treden in alle aangelegenheden die betrekking hebben op de aanvraag, het projectbeheer en de subsidievaststelling. Alle aangelegenheden die betrekking hebben op de subsidievaststelling omvatten vanwege hun onderlinge verwevenheid tevens een in voorkomend geval uit die vaststelling voortvloeiende terugvordering. Gelet hierop heeft verweerder het primaire besluit, door het (uitsluitend) toe te zenden aan de penvoerder, op de juiste wijze bekendgemaakt. Nu het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, kan het, gelet op het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb slechts ontvankelijk worden geacht als zou komen vast te staan dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat appellanten in verzuim zijn geweest. Dienaangaande overweegt het College als volgt. In het primaire besluit heeft verweerder melding gemaakt van, en verwezen naar, een bijlage die het opschrift draagt “Overzicht vaststelling deelnemers”. In dat overzicht is per deelnemer het verleende subsidiebedrag, het vastgestelde subsidiebedrag, en het terug te betalen bedrag, vermeld. In het primaire besluit heeft verweerder voorts nog het volgende vermeld:

“De door de deelnemers terug te betalen bedragen, ontvangt Rijksdienst voor Ondernemend Nederland uiterlijk binnen vier weken op bankrekening NL49RBOS0569994136 ten name Ministerie van EZ/RVO.nl te Den Haag, onder vermelding van het referentienummer waaronder de deelnemer bekend staat bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. […]. Ik verzoek u de in de bijlagen vermelde vaststellingsbedragen naar de desbetreffende deelnemers te communiceren. Tevens verzoek ik u een kopie van deze beschikkingsbrief, met daarin vermeld het bankrekeningnummer van Rijkdienst voor Ondernemend Nederland, aan alle deelnemers te sturen.”

Het voorgaande voert het College tot de conclusie dat de inhoud van het primaire besluit, in samenhang bezien met de aan de penvoerder gegeven machtiging, er geen twijfel over laat bestaan dat met dit besluit de subsidie van alle deelnemers in het samenwerkingsverband wordt vastgesteld en dat het aan de penvoerder was om tijdig ter zake contact op te nemen met de andere deelnemers in het samenwerkingsverband, teneinde te bezien of, en zo ja op welke gronden, een of meer van die deelnemers bezwaren tegen die vaststelling had en vervolgens tijdig bezwaar te (doen) maken. Kennelijk heeft de penvoerder één en ander niet gedaan. Die omstandigheid dient voor rekening van appellanten te komen en kan dus niet gelden als een omstandigheid die redelijkerwijs zou moeten leiden tot het oordeel dat appellanten niet in verzuim zijn geweest. Dat de penvoerder erop zou hebben vertrouwd dat appellanten een aparte kennisgeving ter zake van verweerder zouden ontvangen, maakt het voorgaande niet anders.

Ook in dat geval had het, gelet op de hier aan hem toevertrouwde belangen, op de weg van de penvoerder gelegen om, ter vermijding van het ontstaan van formele rechtskracht, zekerheidshalve, op nader aan te voeren gronden, bezwaar te maken als gemachtigde van ieder van de deelnemers in het samenwerkingsverband.

5. Nu ook overigens niet van feiten of omstandigheden is gebleken die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het bezwaarschrift van appellanten ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. J. Schukking en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van R. van Cuilenborg. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2016.

w.g. R.R. Winter w.g. R. van Cuilenborg