Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:75

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
14/546
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5301, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, Regeling diergeneesmiddelen, boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/546

11351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2014, kenmerk ROT14/271, in het geding tussen appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 3 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5301).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 11 juni 2013 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een bezoek gebracht aan het bedrijf van de maatschap [naam 2] (de maatschap) naar aanleiding van een melding dat bij een bacteriologisch onderzoek van een inmiddels geslacht rund met identificatiecode [… 1] , afkomstig van dit bedrijf (het rund), bacteriegroeiremmende stoffen zijn aangetroffen. In het naar aanleiding hiervan op ambtseed opgestelde boeterapport van 27 juni 2013 met kenmerk 96110/73900 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Door [naam 1] werd op ons verzoek een logboek diergeneesmiddelen getoond. Wij zagen dat het rund met identificatiecode [… 1] in de periode 01-01-2013 tot en met 11-04-2013 niet in het logboek stond vermeld als zijnde behandeld met bacteriegroeiremmende stoffen.

(…)

Uit voornoemde bacteriologisch en antibiotica onderzoek is ons gebleken dat het rund met identificatiecode [… 1] is behandeld met een bacteriegroeiremmende stoffen maar dat niet was vermeld in het logboek.
(…)
Hieruit bleek mij dat gehandeld is in strijd (met, College) artikel 9a.8 lid 1 van de Regeling diergeneesmiddelen, juncto artikel 2.2 lid 10 aanhef en onder l van de Wet dieren, juncto artikel 8A.11 van het Besluit diergeneesmiddelen, juncto artikel 1 onder ten 2e van de Wet op de economische delicten.

Deze overtreding is de Maatschap [naam 2] in de persoon van [naam 1] aan te rekenen.

(…)”

Voorts is in het boeterapport een verklaring opgenomen van [naam 1] die luidt als volgt:

“Het door u bedoelde rund met werknummer [… 2] is afgevoerd op donderdag 11 april 2013. Ik toon u het logboek. Hij staat er niet in. Naast dit rund stond nog een andere koe in de stal dat was denk ik volgens het logboek nr. 24 dat is werknummer [… 3] . Die is behandeld op 1, 2, 3, 4 april 2013 met Neopen. Het zou kunnen dat mijn broer [naam 4] of ik per ongeluk het rund met werknummer [… 2] ook hebben gespoten met Neopen. We zetten eerst het spuiten met antibiotica op de kalender en dan in het Logboek. De kalender is weg. De wachttijd op Neopen is iets van 56 dagen. Ik toon u de lijst met wachttijden. De koeien die extra zorg nodig hebben die zetten we apart in de stal. [… 2] had een dikke knie. De [… 3] had een kleipoot die brak door. Ik heb de VKI melding gedaan op verzoek van [naam 3] de veehandelaar. Ik heb voor [naam 3] opgeschreven welke dieren zijn behandeld en met welk middel deze is behandeld. Mijn verantwoordelijkheid houdt op bij het feit dat ik de runderen heb verkocht en dat ik de gegevens heb verstrekt. Ik dacht dat we dit rund [… 2] niet hadden behandeld met antibiotica, maar de uitslag is wel positief. Dan ga ik aan mijzelf twijfelen. Het kan eigenlijk niet dat ik dit rund [… 2] heb gespoten. [naam 3] heeft mij nooit gebeld dat dit rund positief was op antibiotica.”

1.3

De staatssecretaris heeft de maatschap bij besluit van 26 juli 2013 (het primaire besluit) een boete opgelegd ter hoogte van € 1.500,- wegens overtreding van artikel 9a.8 van de Regeling diergeneesmiddelen.

1.4

Bij besluit van 29 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

“4.1. Verweerder betoogt terecht dat de houder van de dieren normadressaat is. In artikel 2.20, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder j, van de Wet dieren is immers bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot diergeneesmiddelen of diervoeders met medicinale werking regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer het voeren van een administratie met betrekking tot – voor zover thans van belang – de voorraad, de ontvangst, de herkomst, de vernietiging, de bestemming en het verbruik van diergeneesmiddelen, het bewaren en het overleggen van die administratie en de daarmee verband houdende bescheiden alsmede de wijze van controle door de houder van de administratie. De verplichting tot het voeren van een administratie als bedoeld in artikel 9A.8, eerste lid, van de Regeling diergeneesmiddelen – die is gericht tot de houder van de dieren – is zo een algemene maatregel van bestuur. Dat in dit artikel wordt verwezen naar de artikelen 2.13, 2.14 (beide aan de vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel te verbinden voorschriften) en 4.12 (het bereiden van een diergeneesmiddel) van de Regeling diergeneesmiddelen leidt niet tot een ander oordeel; het zijn immers de handelingen die daarmee samenhangen die door de houder dienen te worden geadministreerd. Anders gezegd: eiser dient onder meer te administreren welke diergeneesmiddelen hij heeft ontvangen, wat de herkomst daarvan is, hoe hij deze diergeneesmiddelen heeft gebruikt en hoe hij ze bewaart.

4.2.

Het vorenstaande geldt ook voor de periode waarin eiser niet langer de eigenaar van het rund was, maar het dier nog wel op zijn bedrijf stond. Daargelaten dat eiser geen enkel schriftelijk bewijs heeft overlegd van de verkoop en de gestelde overgang van het risico van eiser op de nieuwe eigenaar, was eiser immers nog steeds houder van het rund, als bedoeld in artikel 9A.8, eerste lid, van de Regeling diergeneesmiddelen. Hetgeen getuige Bergsma heeft verklaard over de gang van zaken met betrekking tot de verkoop van de dieren, kan aan dat feit als zodanig niets afdoen.

4.3.

Voorts is van belang dat, hoewel de controleurs weliswaar eerst op 11 juni 2013 een bezoek hebben gebracht aan het bedrijf van eiser, dit bezoek is gepleegd naar aanleiding van de uitkomsten van een onderzoek op 15 april 2013 aan de hand van de monsters die op 11 april 2013 zijn genomen. In hetgeen eiser heeft gesteld ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van dat onderzoek. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser tijdens het gehoor op 11 juni 2013 heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij zelf of zijn broer het desbetreffende rund per ongeluk ook heeft gespoten met Neopen. Voor eisers stelling dat de toezichthouders hem dit in de mond hebben gelegd, ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat, zoals eiser stelt, een fout is gemaakt op het slachthuis of dat het middel tijdens het transport is toegediend. Het dier was immers bestemd voor de slacht, zodat niet valt in te zien welk belang op 11 april 2013 nog kon zijn gediend met het toedienen van het diergeneesmiddel. Het is alleszins aannemelijk dat het diergeneesmiddel is toegediend in de periode dat eiser houder was van het rund.

4.4.

Eisers stelling dat de veehandelaar ook een boete heeft gekregen - voor een ander dier - en dat eiser zich afvraagt wie er dan verantwoordelijk is voor de dieren, leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu niet vaststaat op welke grondslag die boete is gebaseerd.

4.5.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser het bepaalde in artikel 9A.8, eerste lid, van de Regeling diergeneesmiddelen heeft overtreden. Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren was verweerder derhalve bevoegd om eiser een bestuurlijke boete op te leggen.

4.6.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft verweerder geen reden hoeven zien om de boete te matigen.

4.7.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellant betwist dat hij zijn geneesmiddelenadministratie niet op orde had. Volgens appellant houdt het enkele feit dat een dier positief getest is niet in dat hij zijn administratie niet op orde had. Er had volgens appellant dan ook aangetoond moeten worden dat hij de mogelijkheid had het rund antibiotica toe te dienen, hetgeen niet is gebeurd. Voor zover hem aangerekend kan worden dat hij een dier niet vrij van antibiotica ter slacht heeft aangeboden, geldt volgens appellant dat niet hij, maar [naam 3] – aan wie hij het dier had verkocht – het dier ter slacht heeft aangeboden en de kosten van het afgekeurde dier heeft voldaan.

Appellant stelt dat de verklaring dat het misschien mogelijk geweest zou zijn dat hij of zijn broer een vergissing gemaakt hebben, hem door de toezichthouders in de mond is gelegd. Appellant heeft verklaard dat alles wel mogelijk is en dat het voor hem onmogelijk is om iets wat je niet hebt gedaan te bewijzen. Appellant betoogt dat hij beter zijn mond had kunnen houden als hij geweten zou hebben dat de staatssecretaris deze verklaring als bewijs ging gebruiken. Volgens appellant is het mogelijk dat [naam 3] de oormerken van de dieren heeft verwisseld.

Appellant mist voorts het verband tussen de geneesmiddelenadministratie en het feit dat het dier positief is getest op antibiotica. Volgens appellant is ten slotte sprake van rechtsongelijkheid.

3.2

Verweerder stelt dat het rund op 11 april 2013 ter slacht is aangeboden en dat in dit rund antibiotica zijn aangetroffen. Na de verkoop van het rund is dit dier tot het moment waarop het ter slacht werd aangeboden op het bedrijf van appellant gebleven en door appellant verzorgd. In het logboek van appellant stond volgens verweerder niet vermeld dat het rund met antibiotica is behandeld. Verweerder wijst erop dat de wettelijke verplichting om een administratie te voeren ten aanzien van het toepassen van diergeneesmiddelen rust bij de houder van de dieren en niet bij de eigenaar van de dieren. Dat betekent dat appellant ook na verkoop van de dieren verantwoordelijk is gebleven voor het voeren van deze deugdelijke administratie ten aanzien van het toepassen van diergeneesmiddelen. De door appellant gestelde verkoop heeft daaraan geen einde gemaakt. Ook niet wanneer appellant volledig in opdracht van de koper zou hebben gehandeld en tussen de partijen de afspraak zou zijn gemaakt dat deze verantwoordelijkheid bij de koper zou rusten. Nu volgens verweerder is vastgesteld dat aan het rund antibiotica zijn toegediend en daarvan niets in het logboek van appellant is terug te vinden, heeft appellant in strijd gehandeld met artikel 9a.8 van de Regeling diergeneesmiddelen, hetgeen bestraft wordt met een boete van de tweede categorie, zijnde een boete van € 1.500,-.

4. De Regeling diergeneesmiddelen (de Regeling) luidde, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 9a.8. Administratie houder van dieren

1. Een houder van dieren die dieren houdt die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd, voert een administratie inzake iedere transactie met diergeneesmiddelen als bedoeld in de artikelen 2.13, 2.14 en 4.12, in welke administratie de volgende documenten en gegevens zijn opgenomen:

a. voor zover een recept als bedoeld in artikel 5.13 is opgesteld, een gewaarmerkt afschrift van dat recept;

b. de facturen bij aankoop van diergeneesmiddelen;

c. een lijst met de data van de uitgevoerde behandelingen met diergeneesmiddelen en de nummers van deze diergeneesmiddelen, voor zover de behandelingen door de houder zijn uitgevoerd;

d. de identificatie van de behandelde dieren;

e. de vastgestelde wachttermijn, voor zover deze niet reeds op een recept als bedoeld in onderdeel a, is vermeld;

f. de aantekeningen, bedoeld in artikel 9A.3.

(…)”

5.1

Uit het hogerberoepschrift begrijpt het College dat appellant het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij het bepaalde in artikel 9a.8, eerste lid, van de Regeling heeft overtreden. Hiertoe voert appellant – kort gezegd – aan dat verweerder niet het benodigde bewijs heeft geleverd dat hij het betreffende diergeneesmiddel heeft toegediend en dat hij hiertoe de mogelijkheid had. Appellant betwist niet dat het rund is behandeld met antibioticum (het middel) en dat deze behandeling niet is geregistreerd in het logboek van zijn bedrijf, waarin transacties met diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 9a.8, eerste lid, van de Regeling worden geadministreerd.

5.2

Het College ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of de rechtbank op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat appellant artikel 9a.8, eerste lid, van de Regeling heeft overtreden. De bewijslast van de overtreding rust, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op de staatssecretaris als het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Het College beantwoordt vermelde vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.

5.3

Voor het bewijs dat appellant artikel 9a.8, eerste lid, van de Regeling heeft overtreden steunt de staatssecretaris, naar hij ter zitting van het College heeft bevestigd, uitsluitend op de verklaring van appellant, zoals vastgelegd in het boeterapport van 27 juni 2013

(de verklaring). Naar het oordeel van het College is de verklaring onvoldoende voor de vaststelling dat appellant genoemde wettelijke bepaling heeft overtreden. Daartoe acht het College van belang dat de verklaring niet kan worden opgevat als een bekentenis van appellant dat hij het middel heeft toegediend. Appellant bespreekt slechts de mogelijkheid dat hij het middel per ongeluk toegediend zou kunnen hebben, maar sluit die mogelijkheid vervolgens weer uit door te verklaren dat het eigenlijk niet mogelijk is dat hij het rund met het middel heeft behandeld. Dit betekent dat hij niet uitsluit dat een ander persoon dit heeft gedaan. Enkel de verklaring bewijst daarom niet dat appellant het middel heeft toegediend. Hierbij neemt het College in aanmerking dat appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep steeds heeft ontkend dat hij het middel heeft toegediend en dat hij in dit verband – ook reeds in bezwaar – in wisselende bewoordingen heeft gewezen op de mogelijkheid dat de veehandelaar [naam 3] (de veehandelaar), aan wie appellant het rund had verkocht, het middel heeft toegediend. Ter zitting heeft appellant verklaard dat de veehandelaar in de periode voorafgaand aan het transport van het rund naar het slachthuis toegang had tot de stal waarin het rund verbleef en tot het rund. Vast staat dat verweerder bedoelde mogelijkheid niet heeft onderzocht, zodat zij niet als niet reëel ter zijde kan worden geschoven. In het licht hiervan kan aan genoemde verklaring evenmin de door de staatssecretaris daaraan ontleende bewijskracht worden toegekend.

5.4

Uit hetgeen in 5.3 is overwogen volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant het bepaalde in artikel 9a.8, eerste lid, van de Regeling heeft overtreden en verweerder bevoegd was om appellant een bestuurlijke boete op te leggen.

6. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het College het beroep bij de rechtbank gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Niet valt in te zien waarom verweerder niet in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit de in 5.3 genoemde mogelijkheid dat een ander persoon het middel heeft toegediend had kunnen onderzoeken. Het College ziet dan ook geen aanleiding verweerder hiertoe alsnog in de gelegenheid te stellen met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (bestuurlijke lus).

7. Ten overvloede overweegt het College nog dat aan hem niet is ontgaan dat appellant in de verklaring ook de mogelijkheid noemt dat zijn broer, die blijkens het boeterapport in loondienst werkzaam is bij de maatschap, het middel per ongeluk toegediend zou kunnen hebben en dat appellant vervolgens, anders dan wat hemzelf betreft, niet met zoveel woorden verklaart dat dit eigenlijk (ook) niet mogelijk is. Voor zover de staatssecretaris met het oog op het geval dat niet bewezen kan worden geacht dat appellant zelf het middel heeft toegediend, op grond van dit aspect van de verklaring bij het bestreden besluit zou hebben aangenomen dat appellants broer het rund met dit middel heeft behandeld en de staatssecretaris zich om die reden op het standpunt zou hebben gesteld dat de overtreding is begaan door de maatschap, is het College van oordeel dat het enkel benoemen van deze mogelijkheid door appellant reeds op zich zelf bezien, maar zeker mede gelet op hetgeen in 5.3 is overwogen ten aanzien van de veehandelaar, niet kan gelden als toereikend bewijs voor deze aanname. Hierbij is nog van belang dat niet is gebleken dat de staatssecretaris nader heeft onderzocht of de broer van appellant het middel heeft toegediend, bijvoorbeeld door hem te doen horen en hem te confronteren met de door appellant genoemde mogelijkheid dat hij het middel heeft toegediend. Genoemd standpunt van verweerder is reeds daarom niet houdbaar.

8. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten. Appellant heeft verzocht om vergoeding van reis- en verletkosten in verband met het bijwonen van de zitting van het College op

13 januari 2016. Op grond van artikel 1, aanhef en onder d, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten worden verletkosten van een partij of een belanghebbende vergoed overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 7,- en € 81,- per uur bedraagt. Appellant heeft verzocht om vergoeding van verletkosten van € 240,-, wegens het gedurende zes uur niet kunnen verrichten van zijn werkzaamheden. Naar het oordeel van het College is het door appellant geclaimde aantal uren aan verletkosten reëel, maar omdat appellant geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van de gemaakte kosten, wordt volstaan met de minimale forfaitaire uurvergoeding. Voor vergoeding van verletkosten komt daarom in aanmerking € 42,- (6 x € 7,-). Het College stelt de reiskosten van appellant voor het bijwonen van de zitting vast op een bedrag van € 56,46 (op basis van openbaar vervoer, tweede klas).
De rechtbank heeft ten onrechte geen aanleiding gezien voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten in verband met de behandeling van het bij de rechtbank ingediende beroep. Appellant heeft in verband met het bijwonen van de zitting van de rechtbank op
29 april 2014 verzocht om vergoeding van reis- en verletkosten van hem zelf en de door hem meegebrachte en daarbij gehoorde getuige. Appellant heeft verzocht om vergoeding van verletkosten van € 200,- wegens het gedurende vijf uur niet kunnen verrichten van zijn werkzaamheden. Naar het oordeel van het College geldt ook hier dat het door appellant geclaimde aantal uren aan verletkosten reëel is, maar wordt volstaan met vorengenoemde minimale forfaitaire uurvergoeding omdat appellant ter zake van deze kosten evenmin stukken ter onderbouwing heeft overgelegd. Het College stelt de verletkosten van appellant daarom vast op € 35,- (5x € 7,-). Voor vergoeding van reiskosten komt in aanmerking een bedrag van € 71,62 (op basis van openbaar vervoer, tweede klas). Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Besluit tarieven strafzaken 2003 (Bts) bedraagt het tarief wegens tijdverzuim voor getuigen € 6,81 per uur. Naar het oordeel van het College is het door appellant voor de getuige geclaimde aantal uren aan verletkosten eveneens reëel, zodat voor vergoeding van deze kosten in aanmerking komt een bedrag van € 34,05 (5x € 6,81). Voorts worden de reiskosten van de getuige op de voet van artikel 11, eerste lid, onder d, van het Bts vastgesteld op een bedrag van € 64,24 (op basis van openbaar vervoer, tweede klas).

De totale voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 303,37.

8. Tevens dient het griffierecht in beroep (€ 160,-) en in hoger beroep (€ 246,-) aan appellant te worden vergoed.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 406,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 303,37.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2016.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.S. van den Berg