Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:73

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
14/451
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies

Awb

Nihilstelling, verplichtingen aangegaan vóór subsidieverlening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/451

27810

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2016 in de zaak tussen

Kwekerij [naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie van appellant in het kader van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Investeringen in energiebesparing 2012, (Regeling), op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 18 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2016, alwaar partijen bij hun gemachtigde zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Op 9 november 2012 heeft appellant door middel van een daartoe bestemd formulier een aanvraag voor subsidie ingediend voor een warmtenet op basis van de Regeling. Op het formulier staat dat appellant bekend is met alle voorwaarden van deze subsidieregeling.

1.2

Op 16 november 2012 zijn alle aanvragen tijdens een loting door een notaris gerangschikt. Aan de aanvragers, onder wie appellant, is de uitslag van de loting bekend gemaakt. Daarbij is de rangschikking van de aanvragen bekend gemaakt (de aanvraag van appellant is gerangschikt als nummer 63), alsook dat de aanvragers uiterlijk 8 februari 2013 een beslissing krijgen, dat de aanvragers pas mogen beginnen met het uitvoeren van de investeringen als zij de brief van de beslissing hebben ontvangen en dat tot die tijd moet worden gewacht met het aangaan van verplichtingen, zoals opdrachten verstrekken, bestellingen doen of het ondertekenen van offertes dat zo wordt voorkomen dat zij geen subsidie krijgen omdat zij niet aan de voorwaarden voldoen.

1.3

Bij besluit van 23 januari 2013 heeft verweerder subsidie aan appellant verleend.

1.4

Op 20 januari 2014 heeft appellant door middel van een daartoe bestemd formulier een aanvraag ingediend om de subsidie vast te stellen.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie op nihil vastgesteld, omdat appellant verplichtingen is aangegaan voordat de subsidie was verleend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe heeft verweerder uiteengezet dat appellant niet heeft voldaan aan artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling, nu appellant reeds was begonnen met de investering in het warmtenet.

3. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder de subsidie ten onrechte op nihil heeft vastgesteld. Appellant heeft zich niet gerealiseerd dat er na het indienen van de subsidieaanvraag geen activiteiten op eigen risico ontplooid mochten worden. In het besluit tot subsidieverlening staat de verplichting niet en het is onbegrijpelijk dat in de ene subsidieregeling alvast op eigen risico mag worden begonnen en in de andere niet. Bovendien werd gaandeweg de subsidieaanvraag duidelijk dat de subsidie verleend zou worden. Omdat de investering binnen een jaar na subsidieverlening moet zijn afgerond en de aanleg en installatie van het warmtenet nogal wat tijd vraagt, heeft appellant alvast opdracht gegeven om het grondwerk uit te voeren.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling bepaalde ten tijde van belang dat subsidie uitsluitend kan worden verstrekt voor activiteiten die zijn aangevangen op of na de subsidieverlening.

4.2

Appellant bestrijdt niet dat hij verplichtingen is aangegaan voordat de verlening van de subsidie hem op 23 januari 2013 schriftelijk is bevestigd. Daarmee heeft appellant zich niet gehouden aan de verplichting van artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling en had hij geen recht op subsidie. Verweerder was dus gelet op het bepaalde in artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb bevoegd om de subsidie lager vast te stellen (zie de uitspraken van het College van 23 juli 2014, ECLI:NL:CBB:2014:296 en 21 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:130). In hetgeen appellant heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de subsidie op nihil vast te stellen gebruik heeft kunnen maken. Dat appellant niet, althans onvoldoende op de hoogte was van de betreffende verplichting komt voor zijn eigen rekening en risico, reeds nu appellant bij de aanvraag om subsidieverlening heeft verklaard bekend te zijn met alle voorwaarden van de Regeling en verweerder hem bij de bekendmaking van de uitslag van de loting – kort gezegd – erop heeft gewezen te wachten met het aangaan van verplichtingen totdat is beslist op de aanvraag om subsidieverlening. Dat appellant vanwege tijdsdruk ervoor heeft gekozen om alvast bepaalde verplichtingen aan te gaan, komt evenzeer voor zijn eigen rekening en risico. In dit verband is van belang dat de subsidieregeling juist is bedoeld om aanvragers te stimuleren om investeringen te doen die zij zonder geldelijke steun van de overheid niet zouden kunnen financieren. Tot slot deelt het College niet de opvatting van appellant dat verweerder de subsidie niet op nihil had mogen vaststellen omdat hij niet voor alle werkzaamheden verplichtingen is aangegaan. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt is de subsidie verleend voor het warmtenet als geheel en niet per onderdeel.

4.3

De beroepsgrond slaagt dus niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret