Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:64

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
10/1227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Regeling GLB-inkomenssteun 2006. Horen in bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 10/1227

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2016 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: [naam 3] ),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) de voorschotbetaling bedrijfstoeslag voor 2009 vastgesteld op € 9.977,76.

Bij besluit van 28 september 2010 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellanten gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen, de voorschotbetaling bedrijfstoeslag voor 2009 vastgesteld op € 10.002,18 en aan appellanten een vergoeding van de kosten voor het indienen van een bezwaarschrift toegekend van
€ 437,-.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. De gronden van het beroep dateren van 2 december 2010.

Bij besluit van 12 april 2011 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd, het primaire besluit herroepen en de voorschotbetaling bedrijfstoeslag voor 2009 vastgesteld op € 10.136,46.

Bij brief van 15 april 2011 hebben appellanten gereageerd op het bestreden besluit II.

Op 30 augustus 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 september 2011 hebben appellanten gereageerd op het verweerschrift.

Bij brief van 15 november 2011 heeft verweerder gereageerd op de brief van appellanten van 6 september 2011.

Bij brief van 5 maart 2012 hebben appellanten hun beroep nader toegelicht.

Bij griffiersbrief van 14 februari 2013 is partijen meegedeeld dat het onderzoek in hun zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van de door het College bij uitspraak van 24 oktober 2012 (LJN: BY2054) gestelde prejudiciële vraag.

Bij brief van 14 december 2015 zijn partijen bericht dat het College voornemens is het beroep ter zitting te behandelen op 26 februari 2016.

Bij brief van 29 januari 2016 zijn partijen uitgenodigd voor de zitting van 26 februari 2016.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2016, alwaar verweerder bij gemachtigde is verschenen. Appellanten, noch hun gemachtigde zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellanten hebben met de Gecombineerde Opgave 2009 uitbetaling van hun toeslagrechten aangevraagd en hiervoor 16 percelen met een totale oppervlakte van 24.16 ha opgegeven.

1.2

In het primaire besluit is vermeld dat appellanten over 24,05 toeslagrechten beschikken. De netto bedrijfstoeslag is op basis van een goedgekeurde oppervlakte van 23.66 ha vastgesteld op € 9.977,76. Verweerder heeft de opgegeven oppervlakte voor perceel 5 van 1.80 ha aangepast naar 1.43 ha en de opgegeven oppervlakte van perceel 16 van 1.89 ha naar 1.76 ha. Verweerder heeft aan appellanten een kortingsbedrag opgelegd van € 170,65.

1.3

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de netto bedrijfstoeslag van appellanten op basis van een goedgekeurde oppervlakte van 23.72 ha vastgesteld op € 10.002,18. Verweerder heeft de geconstateerde oppervlakte van perceel 5 aangepast naar 1.49 ha en de eerder door hem geconstateerde oppervlakte van 1.76 ha voor perceel 16 gehandhaafd. Verweerder heeft aan appellanten een kortingsbedrag opgelegd van € 144,39.

1.4

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder de bezwaren van appellanten gegrond verklaard en de netto bedrijfstoeslag van appellanten op basis van een goedgekeurde oppervlakte van 24.05 ha vastgesteld op € 10.136,46. Verweerder heeft de geconstateerde oppervlakte van perceel 5 aangepast naar 1.77 ha en de geconstateerde oppervlakte van perceel 16 aangepast naar 1.86 ha. Appellanten hebben voor het jaar 2009 alle toeslagrechten kunnen benutten.

2. Het College stelt vast dat het gedeelte van het bestreden besluit I dat betrekking heeft op de voorschotbetaling bedrijfstoeslag voor 2009, is gewijzigd bij het bestreden besluit II. In zoverre hebben appellanten geen belang meer bij een beoordeling van het beroep gericht tegen dat gedeelte van het bestreden besluit I, zodat hun beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het gedeelte van het bestreden besluit I dat betrekking heeft op de proceskosten in bezwaar, is niet gewijzigd bij het bestreden besluit II, zodat appellanten in zoverre nog een belang hebben bij een beoordeling van hun beroep tegen dat gedeelte van het bestreden besluit I. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van appellanten geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

3. Het College stelt op basis van hetgeen appellanten hebben aangevoerd thans nog in geschil is of het bestreden besluit II in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), of verweerder bij het bestreden besluit I terecht geen kostenvergoeding heeft toegekend ter zake van het horen in de bezwaarfase en of appellanten in aanmerking komen voor proceskosten die appellanten in verband met de behandeling van het beroep hebben gemaakt.

4. Appellanten betogen dat verweerder bij het bestreden besluit I ten onrechte heeft besloten aan appellanten slechts één punt toe te kennen bij de berekening van de proceskosten die appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar hebben gemaakt. Appellanten hebben hiertoe aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit I ten onrechte heeft uiteengezet dat appellanten niet zijn gehoord in de zin van artikel 7:2 van de Awb. In de telefoongesprekken van 19 april 2010, 1 juni 2010 en 21 juni 2010 met verweerder heeft de gemachtigde van appellanten het bezwaarschrift toegelicht en is antwoord gegeven op door verweerder gestelde vragen. Appellanten zijn van mening dat zij dan ook zijn gehoord in evenbedoelde zin en betogen om die reden dat verweerder hen hiervoor ten onrechte geen proceskosten voor heeft toegekend. Appellanten hebben in dit verband gewezen op de uitspraak van rechtbank Groningen van 11 juli 2006 (ECLI:NL:RBGRO:2006:AY5186) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV3193).

5. Over deze beroepsgrond overweegt het College als volgt.

5.1

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7081) overweegt het College dat niet elk telefoongesprek tussen het bestuursorgaan en een rechtsbijstandverlener dat wordt gevoerd in het kader van een bezwaarprocedure kan worden aangemerkt als het verschijnen ter hoorzitting in de zin van onderdeel A4, onder 2, van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.2

Blijkens de telefoonnotitie van het telefoongesprek van 19 april 2010 is aan de gemachtigde van appellanten gevraagd of perceel 5 wordt begrensd door een sloot of greppel, door wat perceel 16 wordt omringd en wanneer dit perceel is opgemeten door een medewerker van verweerder, alsook of appellanten een hoorzitting willen. De gemachtigde van appellanten heeft – kort gezegd – verklaard dat hij een en ander niet weet, dat hij gaat overleggen met appellanten en dat hij de antwoorden zal mailen. Naar het oordeel van het College kan niet met vrucht worden gezegd dat dit telefoongesprek op zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat het zich, afgezien van de lijfelijke aanwezigheid, materieel niet onderscheidt van een hoorzitting in de zin van Afdeling 7.2 van de Awb. Het betreft vooral een informeel gesprek tussen een medewerker van verweerder en de gemachtigde van appellanten waarin eerstgenoemde een aantal vragen stelt die later per e-mail worden beantwoord door laatstgenoemde en waarin wordt gevraagd of appellanten een hoorzitting willen. Bij e-mailbericht van 7 juni 2010 heeft de gemachtigde van appellanten de vragen van verweerder over de percelen beantwoord en meegedeeld dat een hoorzitting niet noodzakelijk is (gezien het feit dat ook nog beroep openstaat).

5.3

Ten aanzien van de andere twee telefoongesprekken kan evenmin met vrucht worden gezegd dat die telefoongesprekken op zodanige wijze hebben plaatsgevonden dat die zich, afgezien van de lijfelijke aanwezigheid, materieel niet onderscheiden van een hoorzitting in de zin van Afdeling 7.2 van de Awb. Blijkens de telefoonnotitie van het telefoongesprek van 1 juni 2010 heeft de gemachtigde van appellante tijdens dat gesprek niet meer verklaard dan dat hij nog niet was toegekomen aan de beantwoording van de aan hem gestelde vragen. Blijkens de telefoonnotitie van het telefoongesprek van 21 juni 2010 is aan de gemachtigde van appellanten meegedeeld dat diens e-mailbericht van 7 juni 2010 is ontvangen, dat de geconstateerde oppervlakte zal worden aangepast en waarschijnlijk groter wordt. Dit gesprek behelst dus niet meer dan een paar mededelingen van verweerder over de inhoud van het te nemen besluit op bezwaar.

5.4

Verweerder heeft dus terecht geen kostenvergoeding toegekend ter zake van het horen in de bezwaarfase.

5.5

De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep voor zover gericht tegen het gedeelte van het bestreden besluit I dat betrekking heeft op de proceskosten in bezwaar is ongegrond.

7. Appellanten betogen dat het bestreden besluit II in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Hiertoe hebben zij het volgende aangevoerd. Bij de vaststelling van de toeslagrechten zijn de in het verleden uitbetaalde inkomenstoeslagen vastgelegd en verdeeld over de op het bedrijf aanwezige landbouwgronden, op basis van de destijds (door verweerder) gehanteerde en gecontroleerde oppervlaktegegevens. Thans wordt (door verweerder) op basis van nieuwe meettechnieken een nieuwe oppervlaktestelling gehanteerd met als gevolg dat er een korting op de toeslagrechten (door verweerder) wordt gehanteerd, aangezien appellanten door de lagere oppervlaktestelling minder mogelijkheden hebben om de toeslagrechten uit te laten betalen. Dat de korting niet door handelen van verweerder wordt bepaald is onjuist. Immers verweerder is betrokken geweest bij zowel de vaststelling van de oppervlakte bij toekenning van de toeslagrechten als thans bij de actualisering van de oppervlakte van de referentiepercelen. Indien in de percelen van destijds geen fysieke veranderingen zijn aangebracht/opgetreden is het in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol om door middel van nieuwe meettechnieken een nieuwe oppervlakte vast te stellen en op basis daarvan op de inkomenstoeslagen (bedrijfstoeslag) een korting toe te passen. Met de korting van de bedrijfstoeslag bij exact gelijkblijvende landbouwgronden is sprake van aantasting van het recht op eigendom, te meer daar regels van de Europese Unie het indikken van toeslagrechten als oplossing voor de problemen met de perceelsregistratie toestaan. Landbouwers als appellanten zouden hierdoor hun Europese steun kunnen behouden. Uit de Europese verordening over de toeslagrechten blijkt bovendien dat bij landverlies als gevolg van overheidsinterventie ondernemers de totale waarde van hun subsidies mogen uitsmeren over minder toeslagrechten. Op die manier hoeven zij geen grond bij te kopen, huren of pachten om verlies van steun te voorkomen. Hoewel onder overheidsinterventie in eerste instantie de aanleg van wegen, rails of natuur moet worden verstaan, kan ook een herziening

van het perceelsregister als zodanig worden beschouwd. Een woordvoerder van de Europese

Commissie heeft gesteld dat lidstaten zelf invulling aan dit begrip overheidsinterventie kunnen geven. Voorwaarde is wel dat er geen oneerlijke concurrentie ontstaat. Daarvan zal geen sprake zijn. In situaties zoals de onderhavige staat niets een oplossing in de weg

waarbij door het indikken van de toeslagrechten het recht op eigendom niet wordt aangetast.

8. Deze beroepsgrond faalt evenzeer. Het opnieuw berekenen en vaststellen van de subsidiabele oppervlakte van de percelen van appellanten is op zich zelf genomen geen aantasting van het eigendom van appellanten, omdat daarmee – kort gezegd – geen grond wordt afgenomen. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak het Hof van
5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1126), hebben appellanten al hun toeslagrechten kunnen verzilveren en worden zij aldus niet aangetast in hun recht op bedrijfstoeslag. Voor het ‘indikken van toeslagrechten’ bestaat in zoverre geen grond. Voorts heeft verweerder buiten de hier verder niet ter discussie staande modulatiekorting bij het bestreden besluit geen korting toegepast. Het betoog van appellanten berust in zoverre op een onjuiste lezing van het bestreden besluit II.

9. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II is ongegrond.

10. Het College veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte proceskosten, omdat verweerder bij het bestreden besluit II het bestreden besluit I heeft gewijzigd. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart niet-ontvankelijk het beroep voor zover gericht tegen het gedeelte van het bestreden besluit I dat betrekking heeft op de voorschotbetaling bedrijfstoeslag voor 2009;

  • -

    verklaart ongegrond het beroep voor zover gericht tegen het gedeelte van het bestreden besluit I dat betrekking heeft op de proceskosten in bezwaar;

  • -

    verklaart ongegrond het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 298,- aan appellanten te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van
€ 496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret