Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:51

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
15/452
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidie Besluit stimulering duurzame energieproductie, volledige aanvraag, zorgvuldigheid aanvrager bij invullen en indienen subsidieaanvraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/189 met annotatie van mr. M.A.M. Dieperink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/452

27301

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 februari 2016 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante,

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Besluit SDE) afgewezen.

Bij besluit van 12 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2015. Appellante is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 2] . Voor appellante zijn tevens verschenen [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten. Appellante heeft op 2 oktober 2014 subsidie aangevraagd op grond van het Besluit SDE. Bij brief van 9 oktober 2014 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) appellante verzocht om aanvulling van de bij de aanvraag ontbrekende gegevens, namelijk een onderbouwing van het eigen vermogen en de financiering, welke gegevens appellante bij e-mail van 14 oktober 2014 heeft toegezonden. Bij brief van 24 november 2014 heeft RVO appellante verzocht om een schriftelijke toelichting te geven op de aanvraag. Bij e-mail van 25 november 2014 heeft appellante de aanvullende informatie verstrekt. Op 5 december 2014 is door RVO aan appellante telefonisch medegedeeld dat bij de aanvraag alleen de ontwerp-omgevingsvergunning is overgelegd en niet de vereiste verleende omgevingsvergunning. Appellante is verzocht om de op 26 november 2014 verleende omgevingsvergunning alsnog toe te zenden, aan welk verzoek appellante dezelfde dag heeft voldaan.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van appellante afgewezen. Volgens verweerder voldeed de aanvraag per 5 december 2014, met de toezending van de verleende omgevingsvergunning, aan de wettelijke vereisten. Door het toekennen van subsidie voor aanvragen die eerder aan de wettelijke eisen voldeden, is het subsidiebudget per 4 november 2014 uitgeput. Verweerder heeft de aanvraag dan ook afgewezen op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder merkt op dat op de dag waarop de desbetreffende omgevingsvergunning door het bevoegde gezag werd verleend, 14 november 2014, het subsidieplafond al was bereikt. Ook ingeval appellante onmiddellijk na vergunningverlening de omgevingsvergunning had toegezonden, stond

artikel 4:25, tweede lid, van de Awb al aan subsidieverlening in de weg.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3. Appellante voert aan dat verweerder de aanvraag ten onrechte op 5 december 2014 als volledig heeft aangemerkt. Volgens appellante was de aanvraag volledig op 14 oktober 2014, na het toezenden van de toelichting op het eigen vermogen en de financiering. Appellante betoogt dat de bij de aanvraag overgelegde ontwerp-omgevingsvergunning voldoende moet worden geacht. Een ontwerp van de omgevingsvergunning zonder ingediende zienswijze (zoals bij appellante aan de orde) wordt volgens haar namelijk altijd afgerond met een verlening van de omgevingsvergunning en het ontwerp wordt nooit meer inhoudelijk gewijzigd. Appellante stelt zich op het standpunt dat – om te borgen dat de investeringen van verweerder worden ingezet met het juiste doel – ofwel het ontwerp van een omgevingsvergunning bepalend is of pas de onherroepelijk geworden omgevingsvergunning. Een verleende omgevingsvergunning heeft volgens appellante geen enkele meerwaarde.

Verweerder heeft volgens appellante in eerste instantie op 9 oktober 2014 het verzoek aan haar gedaan om ontbrekende gegevens aan te leveren. Hierin is niets vermeld over het ontbreken van de juiste vergunning. Appellante mocht daarom ervan uitgaan dat haar aanvraag volledig was op 14 oktober 2014, ofwel de datum waarop appellante de aanvullende gegevens heeft aangeleverd. Ook in de brief van 24 november 2014 heeft verweerder hierom niet verzocht. Verweerder heeft tot tweemaal toe de mogelijkheid gehad om te laten weten dat appellante niet de juiste vergunning had ingediend, maar heeft dit niet gedaan. Appellante mag ervan uitgaan dat hetgeen verweerder vraagt ook correct is en dat verweerder niet naderhand tot de conclusie komt dat hij fouten heeft gemaakt in zijn beoordeling en dan alsnog op 5 december 2014 om de verleende omgevingsvergunning vraagt.

4. Het Besluit SDE luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Artikel 56

1. Een aanvraag om subsidieverlening wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig het model dat bij ministeriële regeling is vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling een of meer categorieën productie-installaties aanwijzen waarvoor een gebundelde aanvraag kan worden ingediend. Bij ministeriële regeling kan voor een categorie productie-installaties worden bepaald dat per openstellingsperiode of per kalenderjaar per adres waarop een productie-installatie is of wordt geplaatst maximaal één aanvraag kan worden ingediend.

2. Indien dit op het formulier is vermeld, gaat een aanvraag vergezeld van:

(…)

c. de voor de productie-installatie verleende vergunningen krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, hoofdstuk 6, paragraaf 6, van het Waterbesluit of de Mijnbouwwet;

(…)

3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gegevens die op grond van lid 2, onderdelen a tot en met g, overgelegd moeten worden.

(…)

Artikel 58

1. Ingeval van verdeling op volgorde van binnenkomst, verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum van ontvangst geldt.

(…)”.

De Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014 luidt voor zover relevant als volgt:

“Artikel 37

1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:

a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is, of

c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting van meer dan 95% dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

2. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 6.

(…)”.

Bijlage 6

(…)

Vraag 7.1 is niet van toepassing op een subsidieaanvraag voor een verlengde levensduur van de productie-installatie

In plaats van een vergunning of vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Omgevingsvergunning) kan ook worden volstaan met (een) vergunning(en) op grond van de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening (alle fasen van de Bouwvergunning én de Wet milieubeheer (Milieuvergunning). Indien voor de milieuvergunning met een meldding kan worden volstaan dient ook de (meest recente) milieuvergunning te worden meegestuurd.

7.1 Is/zijn voor de productie-installatie een (of meer) vergunning(en) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Omgevingsvergunning vereist?)

[] Ja . stuur alle fasen en delen van deze vergunning(en) mee met deze aanvraag

[] Nee

5. Het College ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder terecht de afwijzing van de aanvraag van appellante op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb heeft gehandhaafd bij de bestreden besluiten. Het College dient in de eerste plaats te beoordelen of verweerder terecht de aanvraag van appellante op 5 december 2014 als volledig heeft aangemerkt en deze datum heeft aangemerkt als ontvangstdatum. Het College overweegt als volgt.

5.1

Het College is van oordeel dat uit artikel 56, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit SDE gelezen in samenhang met vraag 7 van het aanvraagformulier ondubbelzinnig volgt, dat bij de aanvraag de verleende omgevingsvergunning dient te worden overgelegd. Anders dan appellante betoogt, is het overleggen van een ontwerp-omgevingsvergunning niet toereikend. Eerst door de verlening en bekendmaking van de omgevingsvergunning treedt dat besluit in werking en ontstaan de door dat besluit van het bevoegde gezag beoogde rechtsgevolgen.

Uit artikel 58, eerste lid, van het Besluit SDE volgt dat de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke vereisten geldt als de dag van ontvangst van de aanvraag. Aangezien eerst met het overleggen van de verleende omgevingsvergunning op 5 december 2014 alle op grond van artikel 56, tweede lid, van het Besluit SDE vereiste bescheiden aan verweerder zijn overgelegd, heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht de aanvraag van appellante op deze datum als volledig aangemerkt. Het betoog van appellante faalt.

5.2

De stelling van appellante dat zij, gelet op de brieven van verweerder van 9 oktober en 24 november 2014, ervan mocht uitgaan dat zij de juiste omgevingsvergunning in de vorm van een ontwerp-omgevingsvergunning reeds bij de aanvraag had overgelegd, slaagt evenmin. De handelwijze van verweerder – te weten het op meerdere momenten opvragen van aanvullende gegevens – neemt niet weg dat voor appellante, gezien het regelgevend kader, artikel 56, tweede lid, van het Besluit SDE, alsmede de informatie op het aanvraagformulier, voldoende duidelijk diende te zijn dat de verleende omgevingsvergunning bij de aanvraag diende te worden overgelegd. Daar komt bij dat, zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 4 november 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BK5107), van een aanvrager zorgvuldigheid mag worden verwacht bij het invullen en indienen van een subsidieaanvraag waarmee aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid, zoals in het onderhavige geval. Voor zover appellante zich ter zitting nog op het standpunt heeft gesteld dat zij onder de woorden op het aanvraagformulier “alle fasen en delen van de vergunningen” ook een ontwerp-omgevingsvergunning heeft kunnen verstaan is het College van oordeel dat, afgezien van het feit dat dit standpunt op een verkeerde lezing van deze aanduidingen van een omgevingsvergunning berust, het de verantwoordelijkheid van appellante was en dat het ook op haar weg lag om zich in geval van een eventuele onduidelijkheid omtrent de gestelde voorwaarden in het kader van haar aanvraag voldoende te laten informeren.

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat het subsidieplafond op 4 november 2014, dus vóór het verlenen en (op 5 december 2014) toezenden van de omgevingsvergunning, reeds was bereikt. Dit brengt met zich dat verweerder naar het oordeel van het College ingevolge artikel 4:25, tweede lid, van de Awb gehouden was de aanvraag om subsidie af te wijzen. Het beroep van appellante faalt dan ook.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. H.L. van der Beek en

mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2016.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. M.S. van den Berg