Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:438

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
16/1035
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, Wet dieren, geen spoedeisend belang, honden vervreemd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1035

11350

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 december 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S.P.H. Brinkman),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder zijn beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 7 september 2016 wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd), alsnog op schrift gesteld.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft een aanvullende reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2016. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Verzoekster houdt meerdere honden in haar woning te [plaats] . Op 7 september 2016 hebben toezichthouders van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) een controle uitgevoerd op het perceel van verzoekster, welke controle is vastgelegd in het toezichtrapport met nummer 76533. De toezichthouders hebben onder andere geconstateerd dat in de woning 15 à 20 chihuahua’s alsmede een Rhodesian ridgeback en een Zwitserse herder aanwezig waren. De toezichthouders roken een sterke ammoniaklucht, constateerden dat ontlasting op de grond lag en de muren en het plafond beschimmeld waren. Het niet in een schone en zindelijke leefomgeving met voldoende frisse lucht laten verblijven van de honden valt volgens de toezichthouders onder het onthouden van de nodige zorg aan deze dieren, hetgeen de houder van de dieren is aan te rekenen. Volgens de toezichthouders is sprake van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder d, e en f, van het Bhd. Volgens de toezichthouders was het schoonmaken en ventileren in de woonkamer of het huis geen optie, omdat de woning dermate vervuild was dat dit dagen, zo niet weken zou duren.

De door de toezichthouders geraadpleegde dierenarts [naam 5] heeft onder meer het volgende verklaard:

“U toont mij de serre waar op dat moment een deel van de honden zich begeven. Ik kan u verklaren dat er sporen van ontlasting in de serre hal liggen. Ik kan u verklaren dat er een sterke ammoniak lucht aanwezig is in deze woning. Ik kan u verklaren dat een dergelijke sterke ammoniak lucht niet gezond is voor mens en dier en de luchtwegen kan aantasten.

(…)

U toont mij vervolgens de woonkamer waar kennelijk de honden worden gehuisvest. Enkele honden heb ik onderzocht en hebben een matige tot zeer matige voedingstoestand. Tevens is de vacht bij het merendeel van de honden besmeurd met urine en ontlasting.
ook zie ik dat deze ruimte geheel besmeurd is met een dikke laag ontlasting. Ik zie dat er in deze ruimte wel bakken staan en heir is wel water maar geen eten aanwezig. Tevens bevindt er zich een Chihuahua in een kattenreismand. Deze ruimte ruikt ook heel erg sterk naar ammoniak. Het plafond zit ook onder de schimmelsporen. Er komt nauwelijks daglicht binnen in de woonkamer.

Derhalve zijn deze dieren naar mijn idee niet vrij van honger, maar wel van dorst. Zij hebben tevens geen schone en gezonde leefomgeving.

De woning is heel onhygiënisch en de houder dan wel eigenaar is kennelijk niet in staat om op een juiste wijze voor deze honden te zorgen. Ik ben van mening dat deze dieren in ernstige mate de nodige zorg zijn onthouden door de eigenaar dan wel de houder en dat deze honden zo snel mogelijk uit deze woning gehaald dienen te worden in het kader van hun gezondheid en welzijn.”

2.2

Verweerder heeft op 7 september 2016 19 honden, waarvan één Rhodesian ridgeback en 18 chihuahua’s meegevoerd en opgeslagen, hetgeen is vastgelegd in een proces-verbaal van meevoeren en opslaan. Twee chihuahua’s en de Zwitserse herder zijn bij verzoekster gebleven.

2.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld. Volgens verweerder was het doel van de spoedbestuursdwang ervoor te zorgen dat verzoekster de gezondheid en het welzijn van de dieren niet langer benadeelde. Verweerder verwijst wat betreft de vastgestelde overtredingen naar het toezichtrapport.

3. Verzoekster stelt dat sprake is van een spoedeisend belang. In een telefoongesprek met verweerder op 9 november 2016 is aan verzoekster meegedeeld dat er op dat moment nog 3 van de 13 honden in de opvang aanwezig waren. Verzoekster heeft op 10 november 2016 het verzoekschrift bij het College ingediend waarin mede is verzocht om het besluit van verweerder en de gevolgen ervan te schorsen. Desondanks voert verweerder aan dat geen honden meer in de opvang aanwezig zijn. Verzoekster bekruipt het gevoel dat verweerder na indiening van het verzoekschrift maatregelen heeft genomen en ervoor heeft gezorgd dat thans geen enkele hond meer in de opvang aanwezig is en daarmee de ontvankelijkheid van het verzoek heeft willen wegnemen. Volgens verzoekster is zo’n handelswijze allereerst in strijd met een behoorlijke procesorde, maar doet vooral ook niet af aan het spoedeisende belang dat verzoekster had ten tijde van het indienen van het verzoekschrift.

Daarbij komt volgens verzoekster dat niet alleen om de schorsing van het bestreden besluit wordt verzocht, maar ook dat verweerder wordt opgedragen onverwijld te onderzoeken of degene aan wie verzoekster onbevoegdelijk de honden heeft overgedragen, bereid is om deze honden af te geven. Het spoedeisende belang bij deze procedure wordt uiteraard vergroot door de omstandigheid dat die personen hiertoe op dit moment eerder bereid zijn dan wanneer hen dit pas na afloop van de bodemprocedure wordt verzocht. Voorts benadrukt verzoekster dat het verzoek om een voorlopige voorziening om verscheidene redenen eerst op 11 november 2016 is ingediend.

Ten aanzien van het primaire besluit voert verzoekster aan dat de honden in goede gezondheid waren. Voorts betwist zij dat haar op 7 september 2016 concreet de mogelijkheid is gelaten om vervangende huisvesting voor de honden te zoeken. Verzoekster stelt dat het bestreden besluit is onderbouwd met onwaarheden zoals opgenomen in het toezichtrapport. Tot slot zijn volgens verzoekster eerst bij brief van 21 september 2016 voorwaarden gesteld waaronder zij haar honden terug zou kunnen krijgen.

4.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de inbewaringneming van de honden reeds op 7 september 2016 heeft plaatsgevonden. In het primaire besluit van 14 september 2016 heeft verweerder vermeld dat hij – om de kosten niet onnodig te laten oplopen – voornemens is de honden aan derden over te dragen, zodra de gezondheidstoestand van de dieren voldoende is en dat de geplande datum daarvoor 21 september 2016 is. Daarbij is te kennen gegeven dat verzoekster, indien zij de honden terug wil, dat vóór die datum dient aan te geven. Nadat verzoekster op 21 september 2016 te kennen had gegeven de honden terug te willen, heeft verweerder bij brief van diezelfde datum bericht onder welke voorwaarden dit kan geschieden. Daarbij heeft hij de door verzoekster eerst te betalen kosten (tot 27 september 2016) vermeld. Bij brief van 6 oktober 2016 heeft verweerder aan de opvang waar de honden in bewaring waren bericht dat de procedure voor het vinden van een nieuwe houder of eigenaar kan worden gestart. Op 14 oktober 2016 zijn 6 chihuahua’s door tussenkomst van de gemeente Waalwijk, die de kosten daarvoor voor haar rekening heeft genomen, teruggegeven aan de dochter van verzoekster.

4.2

Uit het vorenstaande blijkt dat verzoekster al vanaf in elk geval 14 september 2016 rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat de in bewaring genomen honden – op z’n vroegst per 21 september 2016 – vanuit de opvang waar ze verbleven, zouden kunnen worden vervreemd. Hoewel uit e-mailcorrespondentie tot 14 oktober 2016 duidelijk is dat de toenmalige gemachtigde van verzoekster heeft overwogen een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, is dat niettemin geruime tijd achterwege gebleven. Eerst op 10 november 2016 is zodanig verzoek ingediend. Binnen het kader van de voorlopige voorzieningsprocedure valt dan ook niet in te zien dat verweerder kan worden verweten dat voordien honden vanuit de opvang zijn vervreemd. Naar verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven, zijn evenwel ook nadat hij op de hoogte was gesteld van het ingediende verzoek om voorlopige voorziening honden vanuit de opvang vervreemd. Het zou gaan om 8 à 9 chihuahua’s. Hoewel het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening geen schorsende werking heeft, heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat hij naar aanleiding van het bericht van het College dat een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, de vervreemding van de dieren vanuit de opvang pleegt te staken in afwachting van de beslissing op dat verzoek, ook indien vanuit het College niet uitdrukkelijk wordt verzocht of verweerder hiertoe genegen is. Om onduidelijke redenen is de opvang evenwel niet bericht dat de vervreemding moest worden gestaakt en is die ook na het indienen van het verzoek doorgegaan.

4.3

Wat er van de hiervoor geschetste gang van zaken ook zij (waarbij de voorzieningenrechter overigens geen aanwijzing heeft dat deze berust op kwade trouw van de kant van verweerder), het gevolg daarvan is dat sedert 18 november 2016 geen van de betrokken honden meer in de opvang aanwezig is. Alle in bewaring genomen honden zijn hetzij teruggegeven, hetzij vervreemd. Toewijzing van het verzoek in die zin dat verweerder wordt gelast de honden terug te geven, behoort dan ook niet meer tot de mogelijkheden. Om die reden ontbreekt het spoedeisend belang bij inwilliging van het verzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beslissing van verweerder tot toepassing van spoedbestuursdwang wordt dan ook niet toegekomen.

4.4

Voor zover verzoekster heeft verzocht verweerder te gelasten degenen aan wie de honden zijn vervreemd te verzoeken de honden terug te geven, wijst de voorzieningenrechter dat verzoek af. Het voert naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver om verweerder zulks in het kader van de beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening op te dragen, waarbij in aanmerking is genomen dat er geen aanknopingspunten zijn de besluitvorming door verweerder voor klaarblijkelijk onjuist te houden.

4.5

Het vorenstaande laat onverlet dat verweerder de omstandigheid dat hij – in afwijking van zijn eigen praktijk – heeft besloten tot vervreemding van een aantal honden nadat hem bekend was dat een verzoek om voorlopige voorziening was ingediend, kan betrekken bij zijn beslissing op het bezwaar, dan wel omtrent het kostenverhaal.

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. M.S. van den Berg