Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:432

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
16/221
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerede twijfel over de juistheid opgave ontbinding van een vennootschap. Artikel 5, tweede lid, onder e, van het Hrb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/221

24100

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. E.J.C. Asselbergs),

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 2] , te [plaats 2]

(gemachtigde: mr. E.J. Coxon).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerster in het handelsregister ingeschreven de ontbinding van de vennootschap onder firma [naam 3] met ingang van 1 januari 2014 en de voortzetting van de door deze vennootschap gedreven onderneming als eenmanszaak door appellant.

Bij besluit van 4 november 2014 heeft verweerster het bezwaar van [naam 2] tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 12 januari 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:16) heeft het College het door [naam 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 november 2014 vernietigd en verweerster opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [naam 2] met inachtneming van deze uitspraak.

Ter uitvoering van voornoemde uitspraak heeft verweerster het bezwaar van [naam 2] bij besluit van 23 februari 2016 (het bestreden besluit) gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen en de oorspronkelijke inschrijving hersteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

1.1

Appellant exploiteert sinds 10 december 2012 samen met medevennoot [naam 2] onder de naam [naam 3] (vennootschap) een gelijknamige supermarkt (onderneming) aan de [adres] te [plaats 3]

1.2

Op 2 januari 2014 heeft verweerster een opgaveformulier ontvangen van de ontbinding van de vennootschap met ingang van 1 januari 2014. Dit opgaveformulier is ingediend en getekend op naam van [naam 2] . Op 15 januari 2014 heeft verweerster een nader opgaveformulier van appellant ontvangen van de voortzetting van de onderneming als eenmanszaak door appellant. Bij het primaire besluit heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van deze opgaven.

1.3

In bezwaar heeft [naam 2] - samengevat weergegeven - aangevoerd dat de vennootschap niet is beëindigd en dat de onderneming niet rechtsgeldig is voortgezet door appellant. [naam 2] betwist voorts dat hij een handtekening heeft gezet onder voornoemd opgaveformulier van 2 januari 2014.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat er alsnog gerede twijfel bestaat over de juistheid van de opgaven. Daartoe heeft verweerster overwogen dat er (civielrechtelijk) onvoldoende solide bewijs is voor de vaststelling dat de vennootschap op 1 januari 2014 is beëindigd en de onderneming rechtmatig is voortgezet door appellant. Er is geen schriftelijke vennootschapsovereenkomst en evenmin schriftelijk bewijs van een opzegging door [naam 2] overeenkomstig artikel 7A:1683, sub 3, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast heeft [naam 2] gesteld dat de handtekening op het opgaveformulier niet van hem is en hij in dat kader aangifte heeft gedaan van valsheid in geschrifte. Zonder een dadingsovereenkomst dan wel een rechtelijk vonnis, in kracht van gewijsde of uitvoerbaar bij voorraad is er volgens verweerster onvoldoende grond voor de huidige registratie.

2. Appellant bestrijdt het standpunt van verweerster dat hij onvoldoende bewijs zou hebben geleverd voor zijn stelling dat de vennootschap per 1 januari 2014 is ontbonden en dat hij de onderneming als eenmanszaak heeft voortgezet. Appellant wijst daartoe naar het opgaveformulier van 2 januari 2014 en de in bezwaar ingebrachte getuigenverklaringen. Verder stelt appellant dat [naam 2] vanaf 1 januari 2014 geen enkele bemoeienis heeft gehad met de vennootschap.

3. Verweerster heeft in beroep haar standpunten zoals verwoord in het bestreden besluit gehandhaafd.

4. Het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb) bepaalt, voor zover hier van belang:

“ Artikel 4

1. De Kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is, (...).

2. (…)

3. Indien de Kamer ervan overtuigd is dat de opgave is gedaan door iemand die tot het doen ervan bevoegd is en van oordeel is dat de opgave juist is, gaat zij onverwijld over tot inschrijving.

Artikel 5

2. De Kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien:

(…)

e. de Kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.

(...)”

5. Met betrekking tot de vraag of in onderhavige kwestie grond bestond voor gerede twijfel over de juistheid van de opgaven overweegt het College het volgende. Ingevolge artikel 7A:1683, aanhef en onder 3, van het BW kan een vennootschap (onder meer) worden beëindigd door opzegging door een van de vennoten aan alle andere vennoten. Het College is met verweerster van oordeel dat appellant niet heeft aangetoond dat [naam 2] (vrijwillig) is uitgetreden als vennoot en dit middels een (opzeggings)brief aan appellant (medevennoot) heeft meegedeeld, terwijl door [naam 2] uitdrukkelijk wordt betwist dat hij het opgaveformulier van 2 januari 2014 heeft ondertekend en in dat kader op 19 mei 2015 aangifte heeft gedaan van valsheid in geschrifte. De vraag of de getuigenverklaringen kunnen bijdragen aan de stelling van appellant, dat sprake is van een rechtsgeldige mondelinge opzegging door [naam 2] , stond niet ter beoordeling van verweerster en is voorbehouden aan de civiele rechter. Verweerster was dan ook niet gehouden zich hieromtrent een oordeel te vormen. Evenmin is gebleken dat de vennootschap ten tijde van belang op andere wijze is ontbonden. Naar het oordeel van het College is onder deze omstandigheden sprake van gerede twijfel over de juistheid van de opgaven, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder e, van het Hrb. De stelling van appellant dat [naam 2] vanaf 1 januari 2014 geen enkele bemoeienis meer zou hebben gehad met de vennootschap, wat daar ook van zij, doet daar niet aan af. Verweerster heeft gelet op het voorgaande op goede gronden alsnog geweigerd de opgaven in het handelsregister in te schrijven en de oorspronkelijke inschrijving hersteld.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

w.g. J.L. Verbeek w.g. A. El Markai