Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:431

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
15/516
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenkorting, keuze van de derde, toezicht en instructies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/516

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2016 in de zaak tussen

de maatschap [naam 1] en [naam 2] , te Rossum, appellante

(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling) een randvoorwaardenkorting van 3% toegepast op de door appellante in het jaar 2014 aangevraagde GLB-subsidies.

Bij besluit van 18 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2016.

Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Voorts is namens verweerder ter zitting verschenen [naam 3] , werkzaam bij het Waterschap Vechtstromen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten voor het College komen vast te staan.

1.1.

Op 8 april 2014 hebben toezichthouders van het Waterschap Vechtstromen appellante gecontroleerd op de naleving van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De toezichthouders hebben geconstateerd dat de vegetatie van het talud van een aldaar gelegen perceelsloot, die in open verbinding staat met watergang 30-0-8-11, alsmede het talud van de perceelsloot in het midden van het perceel en het talud van de watergang 30-0-8-11, een geel/bruine kleur had en was doodgespoten. Van de situatie ter plaatse zijn foto’s gemaakt en de bevindingen zijn neergelegd in het boeterapport, gedagtekend en ondertekend op 7 juli 2014. Uit het boeterapport blijkt dat de toezichthouders hebben vastgesteld dat daarbij gebruik is gemaakt van het in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel Roundup Ultimate, toelatingsnummer 13865 N, met de werkzame stof glyfosaat. Het perceel waarop dit middel is gespoten, is eigendom van de heer [naam 1] ( [naam 1] ). [naam 1] heeft tegenover de toezichthouders verklaard dat het Loon- en Grondverzetbedrijf [naam 4] B.V. ( [naam 4] ) in opdracht van appellante het grasland heeft (dood)gespoten. Op 10 april 2014 heeft een medewerker van [naam 4] , de heer [naam 5] ( [naam 5] ), tegenover de toezichthouders een verklaring afgelegd, welke eveneens in het boeterapport is neergelegd. [naam 5] heeft het volgende verklaard: “Ik heb absoluut binnen de perceelgrenzen gespoten. Als ik het zie wegwaaien stop ik direct. Ik heb de kantdop gebruikt. De veldspuit is nieuw en is voorzien van 95% drift reducerende doppen. Op het moment van spuiten stond er wind, achteraf gezien te veel.”.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante op grond van de Regeling een randvoorwaardenkorting opgelegd van 3% op de in 2014 aangevraagde GLB-subsidies in verband met de niet-naleving van de hier als randvoorwaarde toepasselijke verplichting een gewasbeschermingsmiddel op de juiste manier en volgens de voorschriften te gebruiken als bedoeld in artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in samenhang met artikel 55 van Verordening (EG) 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van

21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Aan het primaire besluit is het boeterapport van 7 juli 2014 ten grondslag gelegd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de in het primaire besluit toegepaste randvoorwaardenkorting gehandhaafd.

3. Appellante voert aan dat het besluit tot het opleggen van de korting in strijd is met de uit de jurisprudentie voortvloeiende uitleg van de Regeling. Appellante betoogt dat een

niet-naleving van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden door in zijn opdracht werkzame derden alleen kan worden toegerekend wanneer sprake is van eigen schuld en dat in dit geval de eigen schuld ontbreekt. Appellante stelt daartoe dat zij een betrouwbare en ervaren loonwerker heeft ingeschakeld, dat de instructies naar de loonwerker duidelijk waren en voldeden aan de vereisten van een juist gebruik en dat zij erop heeft toegezien dat de loonwerker gebruik heeft gemaakt van deugdelijk materiaal. Appellante voert voorts aan dat de sloottaluds voor een deel zijn geraakt door een eigen inschattingsfout van de loonwerker met betrekking tot de wind die er ten tijde van het uitvoeren van de werkzaamheden, ter plaatse stond.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gezien de omvang van de geconstateerde dode vegetatie niet anders geconcludeerd kan worden dan dat sprake is geweest van heel veel drift van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel. Er was geen sprake van kale plekken maar van doorlopende stroken dode vegetatie. De toezichthouders hebben geconstateerd dat over de lengte van drie sloten (waarvan een sloot aan beide zijden) de vegetatie tot aan het water dood was wat het gevolg was van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel. Verweerder heeft daarbij gewezen op de, als bijlage bij het boeterapport gevoegde, ter plaatse gemaakte foto’s. Volgens verweerder had de loonwerker moeten opmerken dat op het moment van het spuiten van het gewasbeschermingsmiddel sprake was van heel veel drift. Door desondanks niet te stoppen met spuiten, is sprake van een overtreding van de randvoorwaarde om gewasbeschermingsmiddelen op de juiste wijze toe te passen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante nalatigheid kan worden verweten nu zij de loonwerker niet de instructie heeft gegeven te stoppen met spuiten indien zou blijken dat het gewasbeschermingsmiddel niet op de juiste wijze kon worden toegepast.

5.1

Het College dient de vraag te beantwoorden of verweerder terecht zijn besluit om een randvoorwaardenkorting van 3% op te leggen in bezwaar heeft gehandhaafd. Daartoe overweegt het College als volgt.

5.2.

In het door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) gewezen arrest van 27 februari 2014, nr. C-396/12 heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat ingeval inbreuk op de vereiste randvoorwaarden is gemaakt door een derde die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, deze begunstigde aansprakelijk kan worden gesteld voor die inbreuk indien hij opzettelijk of nalatig heeft gehandeld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van de gedraging van deze derde. In dat verband mag van een landbouwer in het algemeen worden verwacht dat hij de instructie geeft dat de van toepassing zijnde randvoorwaarden niet worden overtreden en dat hij daarop ook toezicht houdt.

5.3.

Het College is van oordeel dat, gelet op hetgeen uit de stukken blijkt, met name de bevindingen van de toezichthouders tijdens de controle zoals neergelegd in het boeterapport van 7 juli 2014, de getoonde foto’s van de situatie op de controledatum 8 april 2014 en de gegeven toelichting, dat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat op het perceel van appellante sprake is geweest van het niet-naleven van de, hier als randvoorwaarde geldende, verplichting een gewasbeschermingsmiddel op de juiste manier en volgens de voorschriften te gebruiken. Gezien de aanmerkelijke omvang en positionering van de dode vegetatie acht het College het betoog van appellante niet aannemelijk dat eerst achteraf kon worden vastgesteld dat er voor het op juiste wijze uitvoeren van de werkzaamheden te veel wind stond en dat, zo begrijpt het College dit betoog, de beweerdelijk opgetreden drift niet kon worden voorkomen. Dat het door appellante ingeschakelde loonbedrijf ervaring had met het verrichten van dit soort werkzaamheden en dat appellante de nodige instructie aan de loonwerker gegeven heeft, kan bij gebrek aan bijzondere, tot een ander oordeel dwingende, omstandigheden, niet tot gevolg hebben dat de gedraging van de loonwerker, in de hier toepasselijke normatieve omgeving, niet aan appellante kan worden toegerekend.

5.4.

Dat de aan de loonwerker opgelegde strafrechtelijke boete in verband met de door de loonwerker gepleegde overtreding is verlaagd vanwege de omstandigheden van het geval, maakt het voorgaande niet anders, nu in voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie van

27 februari 2014 ook voor recht is verklaard dat de aansprakelijkheid van de steunontvanger kan worden vastgesteld, los van het opzettelijke of nalatige gedrag van de derde dat tot de niet-naleving van de voorschriften inzake randvoorwaarden heeft geleid. De verlaging van de aan de loonwerker opgelegde strafrechtelijke standaardboete regardeert appellante niet en laat de bevoegdheid van verweerder onverlet om een randvoorwaardenkorting op de aangevraagde GLB-subsidies aan appellante op te leggen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat een boete is opgelegd aan de loonwerker, niet eraan in de weg staat dat appellante wordt gekort op haar aanvraag voor GLB-subsidies.

6. De hiervoor onder 5.1. geformuleerde vraag moet dan ook bevestigend worden

beantwoord. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en

mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016.

w.g. R.R. Winter w.g. C.M. Leliveld