Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:428

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
16/1015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invordering last onder dwangsom, geen bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1015

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2016 in de zaak tussen

de directie van [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. S. Essakkili),

en

de Minister van infrastructuur en milieu, verweerder

(gemachtigden: mr. J.J. Kerssemakers, mr. M.C.J. Klink-Magermans en mr. C.W. Poorta)

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder appellante meegedeeld dat hij overgaat tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 10.000,-.

Bij besluit van 16 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Voor appellante zijn verschenen haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 18 april 2012 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met artikel 43a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en het Besluit van 26 februari 2010 tot toelating van het middel ICA-systeem in bezit hebben en gebruiken van apparatuur voor koper-zilverionisatie in haar drinkwaterinstallatie, terwijl zij geen prioritaire instelling is. Appellante dient de installatie daarom binnen zes weken te verwijderen. Indien appellante hieraan niet voldoet verbeurt zij een dwangsom van € 1.000,- voor elke vier weken dat zij niet voldoet aan de last, met een maximum van

€ 10.000,-. Bij besluit van 11 februari 2013 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.2.

Het thans bestreden besluit strekt ertoe bij appellante tot invordering van de maximale dwangsom over te gaan. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat appellante de overtreding heeft laten voortduren terwijl de begunstigingstermijn van zes weken en de daaropvolgende termijnen zijn verstreken en het te verbeuren bedrag het maximum heeft bereikt. Daarbij merkt verweerder nog op dat appellante eerst na het opleggen van een tweede last onder dwangsom op 14 juni 2013 de installatie onmiddellijk heeft verwijderd. De omstandigheid dat appellante de overtreding inmiddels heeft beëindigd is geen aanleiding om geheel of gedeeltelijk van de invordering af te zien.

2. Appellante stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van de invordering van de dwangsom. Appellante heeft er in dit verband, samengevat weergegeven, op gewezen dat er feitelijk geen verhoogd risico en/of overschrijding van de wettelijke normen heeft plaatsgevonden omdat appellante goede preventie in acht heeft genomen, dat zij als goed zorgverlener tegenover haar patiënten en medewerkers verplicht was hen te beschermen tegen legionellabesmetting en dat zij daarom de installatie wilde behouden. Vanwege een eerder geval van besmetting van één van de oprichters is bij appellante sprake van een hoog bewustzijn. Het vinden van een alternatief voor de installatie heeft enige tijd gekost.

3. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat dit argumenten zijn die tegen de onderliggende last onder dwangsom hadden moeten worden ingebracht. Appellante heeft volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die zouden maken dat afgezien zou moeten worden van de invordering.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat door appellante geen beroep is ingesteld tegen het besluit van
11 februari 2013, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is en geacht wordt zowel naar inhoud als naar de wijze van totstandkoming rechtmatig te zijn. Dit betekent dat het College dient uit te gaan van de geldigheid van het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd.

4.2.

Evenmin is in geschil dat appellante niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft voldaan aan de last, zodat zij de maximale dwangsom heeft verbeurd.

4.3.

In het geval van een verbeurde dwangsom dient het bestuursorgaan in beginsel met toepassing van artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht tot invordering van het daarmee corresponderende bedrag over te gaan. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan de werking die van een dwangsom behoort uit te gaan. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

4.4

Het College is van oordeel dat de door appellante aangevoerde omstandigheden betrekking hebben op de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom en niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin. Bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld aan de orde in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:32), zijn hier gesteld noch gebleken.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.S.J. Albers en mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2016.

S.C. Stuldreher S.M. van Ditmarsch