Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:420

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
15/720
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenkorting, art. 23 Vo. 73/2009

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/720

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen

Gebroeders [naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 3% op alle door appellante in het jaar 2014 aangevraagde GLB-subsidies.


Bij besluit van 4 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2016. Appellante is vertegenwoordigd door [naam 3] – algemeen directeur van [naam 3] Beheer B.V. – één van de bestuurders van appellante. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens verweerder was tevens aanwezig [naam 4] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten voor het College komen vast te staan.

1.1

Appellante heeft voor het jaar 2014 GLB-subsidies aangevraagd.

1.2

Op 17 juni 2014 heeft een controle plaatsgevonden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op het bedrijf van appellante, waarbij een grondmonster is genomen in kweekbedden op een perceel van appellante. Appellante huurt dit perceel sinds 1998 en heeft het in de Gecombineerde Opgave 2014 bij de aanvraag van GLB-steun opgegeven als perceel 3 met als gewas Allium. In het controlerapport met kenmerk 109445/83248/19724 (rapport) is vastgesteld dat uit de analyse van het grondmonster volgt dat 0,033 mg/kg van de werkzame stof simazine is aangetroffen. Simazine is een in Nederland niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder gelet op deze bevindingen op grond van de Regeling een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 3% op de in 2014 aangevraagde GLB-steun in verband met de niet-naleving van de verplichting een gewasbeschermingsmiddel alleen te gebruiken wanneer het in de betrokken lidstaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1122/2009 is toegelaten als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in samenhang met artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de vastgestelde randvoorwaardenkorting gehandhaafd.

3. Appellante heeft aangevoerd dat het besluit tot het vaststellen van de randvoorwaardenkorting niet in stand kan blijven, omdat zij het middel simazine niet heeft gespoten. Dat het middel is aangetroffen in het grondmonster van haar perceel kan daarom volgens appellante niet waar zijn. Zij stelt dat het middel hooguit via eerder gestorte bagger op haar perceel terecht kan zijn gekomen. Die bagger was afkomstig uit de nabijgelegen poldersloot.

4. Het College overweegt als volgt. Ingevolge artikel 23 van Verordening (EG)
nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers wordt, indien de landbouwer de beheerseisen niet naleeft ten gevolge van een handelen of nalaten dat rechtstreeks aan de landbouwer kan worden toegeschreven, het totaalbedrag van de betalingen die in het kalenderjaar waarin de niet-naleving plaatsvindt verlaagd of ingetrokken.

5. In Nederland zijn gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof simazine bevatten sedert 2000 niet meer toegelaten. De Europese Commissie heeft bij Beschikking 2004/247/EG van 10 maart 2004 simazine niet langer als werkzame stof opgenomen in bijlage I van de toen vigerende Richtlijn 91/414/EEG.

6.1

Het College overweegt dat in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van bevindingen die zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Dit is alleen dan anders indien er concrete aanwijzingen zijn om te twijfelen aan de juistheid van die bevindingen. Appellante heeft zich beperkt tot ontkenning van de in het proces-verbaal concreet onderbouwde bevindingen over de aanwezigheid van simazine in het op haar perceel genomen grondmonster. Een dergelijke algemene ontkenning tegenover het concrete proces-verbaal en de daarbij gevoegde laboratorium uitslag van het Rikilt is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de in dat proces-verbaal neergelegde bevindingen en die laboratoriumuitslag. Het College is daarom van oordeel dat verweerder kon uitgaan van de bevindingen van de NVWA en het Rikilt.

6.2

Dat het middel – zoals appellante stelt – mogelijk via bagger uit de poldersloot op haar perceel is terechtgekomen acht het College – wat daarvan ook zij – niet aannemelijk. De bagger is volgens appellante het jaar voor de controle op het perceel aangebracht en was ten tijde van de controle nog niet ondergewerkt. Ter zitting heeft verweerder echter onweersproken uiteengezet dat niet de oppervlakte van de bodem van het perceel is bemonsterd, maar de daaronder gelegen bodemlaag. Dat de aangetroffen stof het resultaat zou zijn van gebruik op het laatst mogelijke moment dat zulks nog legaal kon worden gedaan, is volgens verweerder uitgesloten, gelet op de halfwaardetijd van die stof van 60 dagen. In dat geval zou de stof beneden de detectiegrens zijn gebleven. Appellante heeft dit onweersproken gelaten. Het College volgt verweerder daarom in zijn stelling dat het feit dat het middel is aangetroffen in het grondmonster van appellantes perceel aannemelijk maakt dat simazine ten tijde hier van belang recent was gebruikt op dit perceel. Appellante is hiervoor, bij gebrek aan, tot een andere conclusie dwingende, bijzondere, omstandigheden, als gebruiker van het perceel verantwoordelijk.

Het College is dan ook van oordeel dat verweerder terecht de niet-naleving heeft geconstateerd van artikel 20, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in samenhang met artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voornoemd en bevoegd was een randvoorwaardenkorting op grond van de Regeling vast te stellen.

7. Appellante stelt tot slot dat zij pas op 9 januari 2015, dus zesenhalve maand na de controle, in kennis is gesteld van de bevindingen. Zij heeft daarbij direct verzocht om een nieuw monster te nemen, om haar onschuld te kunnen bewijzen. Dit heeft verweerder ten onrechte geweigerd. Zij stelt hierdoor te zijn belemmerd in het leveren van tegenbewijs.

8. Het College overweegt dat het aan appellante is om tegenbewijs te leveren dat het middel simazine niet in het grondmonster aanwezig was. Voor zover appellante betoogt dat verweerder een tweede onderzoek diende te verrichten om dit tegenbewijs te leveren, vindt dit geen grondslag in het recht. Appellantes stelling dat zij in het leveren van tegenbewijs is tegengewerkt kan het College evenmin volgen. Verweerder stelt onbetwist dat er een tweede monster is genomen ten tijde van de controle en dat appellante meermalen is aangeboden om hierop zelf een contra-expertise te laten verrichten. Van deze mogelijkheid heeft appellante geen gebruikt gemaakt, hetgeen voor haar risico komt.

Ook het feit dat er geruime tijd is gelegen tussen de uitgevoerde controle en het bekendmaken van de bevindingen hiervan aan appellante maakt niet dat verweerder hier had moeten afzien van de vaststelling van een randvoorwaardenkorting.

9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit terecht de vastgestelde randvoorwaardenkorting van 3% heeft gehandhaafd.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en
mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

w.g. R.R. Winter w.g. C.M. Leliveld