Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:42

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
14/37
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Schending fundamentele beginsel van objectiviteit. Het College is van oordeel dat appellanten nadat zij bekend zijn geworden met het voornemen van echtscheiding van de twee bestuurders/aandeelhouders van een vennootschap, onvoldoende maatregelen hebben getroffen om hun objectiviteit te waarborgen. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/677
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/37

20150

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2016 op het hoger beroep van:

1. [naam 1] AA,

2. [naam 2] RA,
beiden te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 16 december 2013, gegeven op een klacht, op 29 mei 2013 door [naam 3] ( [naam 3] ) ingediend tegen appellanten.

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 16 december 2013, met de nummers 13/1085 en 13/1146 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:72, de bestreden uitspraak).

[naam 3] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. [naam 3] is verschenen met aan haar zijde [naam 4] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellanten zijn beiden als openbaar accountant werkzaam bij het kantoor [naam 5] B.V. ( [naam 5] ).

1.3

Sinds medio 2009 is [naam 3] verwikkeld in een echtscheidingsprocedure met haar voormalig echtgenoot, [naam 6] ( [naam 6] ). De afwikkeling daarvan omvat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waartoe – onder meer – [naam 7] B.V. ( [naam 7] ) behoort. [naam 3] en [naam 6] vormen samen het bestuur van [naam 7] . [naam 7] is voor 50 % houdster van aandelen in [naam 8] B.V. ( [naam 8] ), welke vennootschap op haar beurt (telkens 100 %) van de aandelen van (het inmiddels gefailleerde) [naam 9] B.V. en [naam 10] B.V. houdt. De overige 50 % van de aandelen in [naam 8] wordt gehouden door [naam 11] B.V. De beide aandeelhouders van [naam 8] vormen tezamen het bestuur van [naam 8] . [naam 5] verricht voor [naam 7] en haar directeuren de samenstelling van de jaarrekening en zorgt voor de aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting en de salarisadministratie. Appellant sub 1 is de relatiebeheerder en appellant sub 2 de ondertekenaar van de samenstellingsverklaring.

1.4

Bij brief van 4 januari 2012 heeft [naam 3] via haar toenmalige advocaat [naam 5] verzocht zich terug te trekken als accountant/adviseur van [naam 7] en de daaraan gelieerde vennootschappen. [naam 5] heeft daarop bij brief van 12 januari 2012, behandeld door appellant sub 1 en ondertekend door appellant sub 2, geantwoord dat tijdens een bespreking op 28 juli 2009 is afgesproken dat zij als accountant van [naam 7] zou blijven functioneren en dat zij zich niet herkent in het beeld dat [naam 3] schetst.

1.5

Op 10 januari 2012 heeft een Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) van [naam 8] plaatsgevonden. Tijdens die AVA is besloten de huidige directie van [naam 8] te ontslaan en om [naam 6] en [naam 12] (een van de twee aandeelhouders van [naam 11] B.V.) aan te stellen als algemeen directeur, ieder afzonderlijk bevoegd. [naam 3] heeft zich tegen dit besluit verzet.

1.6

Op 16 november 2012 zijn de conceptjaarcijfers 2011 van [naam 7] door [naam 5] verzonden naar beide leden van de directie van [naam 7] . De jaarrekening 2011 is echter niet vastgesteld. [naam 3] stemde daar niet mee in mede omdat in die jaarrekening een lening was opgenomen van € 30.000,- van [naam 7] aan [naam 6] waarvoor [naam 3] geen toestemming zou hebben verleend.

1.7

Op 4 januari 2013 heeft [naam 5] een brief, behandeld door appellant sub 1 en ondertekend door appellant sub 2, gezonden aan [naam 7] ter attentie van [naam 6] , die deze brief als gedingstuk in een gerechtelijke procedure tegen [naam 3] heeft ingebracht. De brief betrof de voorlopige cijfers 2012 van [naam 7] en ging vergezeld van een voorlopige balans per 31 december 2012 en een voorlopige verlies- en winstrekening 2012.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer houdt de algemene klacht in dat appellanten bij hun werkzaamheden voor [naam 7] en de daaraan gelieerde vennootschappen, na de echtscheiding van [naam 3] en [naam 6] , de belangen van [naam 3] als bestuurder/aandeelhouder van [naam 7] hebben achtergesteld bij die van de andere bestuurder/aandeelhouder van [naam 7] ( [naam 6] ) en aldus hebben gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels, vastgelegd in de – voor AA’s en RA’s nagenoeg gelijkluidende – Verordening Gedragscode (AA’s respectievelijk RA’s) (VGC).

2.2

De accountantskamer heeft in het kader van voormelde algemene klacht vijf specifieke gedragingen van appellanten uit het klaagschrift onderscheiden, genummerd I tot en met V, die volgens [naam 3] in strijd zijn met het bepaalde in artikel A-100.5 van de VGC en/of de fundamentele beginselen van objectiviteit en deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4, onder b. en c., van de VGC. Die vijf specifieke klachtonderdelen zijn in de bestreden uitspraak weergegeven in rechtsoverweging 3.2.

2.3

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdeel I niet-ontvankelijk verklaard en de klachtonderdelen II tot en met V, alsmede de algemene klacht gegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan beide appellanten de maatregel van berisping opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Met grieven I en II richten appellanten zich tegen het feit dat de accountantskamer de klacht van [naam 3] inhoudelijk heeft behandeld. Volgens appellanten heeft [naam 3] geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellanten tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld. Appellanten hebben zich tegen deze niet nader omschreven of onderbouwde en volstrekt onduidelijke klacht(en) niet op behoorlijke wijze kunnen verweren. Dit geldt temeer daar [naam 3] op 8 oktober 2013 – ná het indienen van het verweerschrift door appellanten – nog (meer) aanvullende stukken in het geding heeft gebracht, en ter zitting van de accountantskamer nieuwe aantijgingen of klachten naar voren heeft gebracht, zoals bijvoorbeeld over de aard van de door appellanten verrichte werkzaamheden. Door zelf de klacht(onderdelen) te formuleren is de accountantskamer buiten de omvang van het geding getreden, aldus appellanten.

3.2

Het College stelt vast dat de algemene klacht zoals door de accountantskamer weergegeven in 3.1 van de bestreden uitspraak duidelijk volgt uit de door [naam 3] gekozen bewoordingen in het oorspronkelijke klaagschrift. De specifieke verwijten die de accountantskamer in 3.2 heeft weergegeven en die aan de algemene klacht ten grondslag liggen, vloeien naar het oordeel van het College voort uit zowel de door [naam 3] ingediende klacht als de (aanvullende) stukken. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de accountantskamer zijn de vier specifieke verwijten als zodanig ter zitting van de accountantskamer besproken. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij door die bespreking zijn overvallen of anderszins niet in staat zijn geweest zich tegen de specifieke verwijten deugdelijk te verweren. Het College ziet daarom geen aanleiding te oordelen dat appellanten op enige wijze in hun verdedigingsbelangen zijn geschaad. Grieven I en II slagen om die reden niet.

4.1

Het College zal vervolgens ingaan op de stelling van [naam 3] dat verschillende bij het hogerberoepschrift gevoegde producties, waaronder de aangiftes Inkomstenbelasting 2009 en 2010 van [naam 3] en kopieën van delen van de (antwoord)aktes die [naam 6] en [naam 3] hebben ingebracht in de boedelverdelingsprocedure bij de rechtbank Utrecht, buiten beschouwing moeten blijven. Volgens [naam 3] hebben appellanten met het inbrengen van die stukken inbreuk gemaakt op haar recht op privacy en aldus opnieuw de VGC geschonden.

4.2

[naam 3] heeft naar aanleiding van het handelen van appellanten een nieuwe klacht aanhangig gemaakt bij de accountantskamer. Bij uitspraak van 30 oktober 2014 met de nummers 14/669 en 14/670 (ECLI:NL:TACAKN:2014:102) heeft de accountantskamer die klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. Specifiek ten aanzien van het verwijt dat appellanten genoemde producties in onderhavig hoger beroep hebben overgelegd, overweegt de accountantskamer het volgende (waarbij voor ‘betrokkenen’ appellanten en voor ‘klaagster’ [naam 3] moet worden gelezen):

“4.6.7 Tegen de achtergrond van al het voorgaande is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkenen, door zich in hoger beroep bij het CBb, in het door klaagster in eerste aanleg aanhangig gemaakte tuchtgeding, te verweren door overlegging van stukken welke dienen ter weerlegging van hetgeen klaagster bij de Accountantskamer naar voren heeft gebracht en waarop de Accountantskamer de gegrondverklaring van de klacht (mede) heeft gebaseerd, de op hen rustende geheimhoudingsplicht, voortvloeiende uit het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid, niet hebben geschonden.”

[naam 3] heeft tegen deze uitspraak van de accountantskamer geen hoger beroep bij het College ingesteld, zodat het College in dit hoger beroep uit gaat van de juistheid van die beslissing. Het College ziet geen aanleiding om deze producties buiten beschouwing te laten.

5.1

Appellanten hebben vijf grieven, genummerd III tot en met VII gericht tegen de overwegingen van de accountantskamer die hebben geleid tot gegrondverklaring van de klachten. Het College ziet aanleiding om grief VII eerst te bespreken. Deze grief richt zich tegen de gegrondverklaring van de algemene klacht. Volgens appellanten hebben zij ervoor gewaakt – en daarvoor ook waarborgen getroffen – dat hun professioneel of zakelijk oordeel niet zou worden aangetast door een vooroordeel, belangentegenstelling of ongepaste beïnvloeding door een derde. Appellanten verwijzen naar het besprekingsverslag van 31 juli 2009 en de in de bespreking van 28 juli 2009 getroffen waarborgen, die eruit bestaan dat appellanten de te nemen financiële beslissingen vanuit de verschillende gezichtspunten met voor- en nadelen dienden aan te geven aan partijen ( [naam 6] en [naam 3] ) die daar dan samen een besluit in zouden nemen.

5.2

Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van de algemene klacht. Nadat appellanten bekend zijn geraakt met de voorgenomen echtscheiding van [naam 3] en [naam 6] (medio 2009) hebben zij onvoldoende maatregelen getroffen om hun objectiviteit te waarborgen en hebben zij onvoldoende aandacht gehad voor de belangen van [naam 3] . Typerend acht het College in dat verband de omstandigheid dat [naam 6] steeds het eerste aanspreekpunt is gebleven voor appellanten inzake aangelegenheden betreffende [naam 7] en de aan haar gelieerde vennootschappen. Het College is van oordeel dat appellanten in de echtscheidingsprocedure aanleiding hadden moeten zien om [naam 3] op een directe(re) wijze te betrekken bij de communicatie betreffende [naam 7] . Het was immers onvermijdelijk dat de belangen van [naam 3] en [naam 6] , ieder als bestuurder/aandeelhouder van [naam 7] , minst genomen niet parallel zouden blijven lopen, zoals bijvoorbeeld tijdens de AVA van [naam 8] van 10 januari 2012 duidelijk is geworden. Ook na aanhoudende signalen van [naam 3] waaruit blijkt dat zij het oneens was met de rol die appellanten vervulden, – het College wijst naast de hiervoor genoemde brief van de advocaat van [naam 3] van 4 januari 2012 op e-mails van [naam 3] van 20 december 2011, 25 januari 2012, 23 november 2012 en 20 december 2012 – hebben appellanten ten onrechte gemeend (nadere) maatregelen ter borging van hun objectiviteit niet te hoeven treffen. Grief VII faalt om die reden.

5.3

Aan dat oordeel legt het College verder ten grondslag dat de accountantskamer de vier specifieke verwijten terecht gegrond heeft geacht. De daartegen gerichte grieven (III tot en met VI) slagen derhalve evenmin. Het College zal dit hierna per specifiek verwijt toelichten.

6.1

Het eerste specifieke verwijt dat de accountantskamer gegrond heeft geacht (klachtonderdeel II in de bestreden uitspraak) betreft de brief van 12 januari 2012 van appellanten aan de toenmalige advocaat van [naam 3] , waarin appellanten blijk zouden hebben gegeven van hun partijdigheid ten faveure van [naam 6] .

6.2

Volgens appellanten heeft de accountantskamer haar oordeel ten onrechte gebaseerd op de in de brief van 12 januari 2012 opgenomen zinsnede: “Wij dienen het belang van de vennootschap alsmede dat van de heer [naam 6] binnen de hierboven geciteerde afspraken.” De accountantskamer is daarmee volledig voorbij gegaan aan de verdere inhoud van genoemde brief en de daaraan voorafgegane gang van zaken, zoals de afspraken die zijn gemaakt tijdens de bespreking van 28 juli 2009. Appellanten erkennen dat de formulering van de genoemde zinsnede wellicht wat ongelukkig is, maar benadrukken dat zij daarmee niets anders hebben bedoeld dan dat zij de belangen van [naam 7] en van [naam 6] zouden behartigen voor zover dat verenigbaar was met de eerder gemaakte afspraken.

6.3

Het College overweegt het volgende. Al aangenomen dat de bewuste zin moet worden uitgelegd op de manier die appellanten voorstaan, stelt het College vast dat appellanten zich in genoemde brief verder slechts hebben beroepen op de afspraken die zijn gemaakt op 28 juli 2009. Het College is van oordeel dat appellanten met de enkele verwijzing naar die afspraken eraan voorbij gaan dat de situatie in januari 2012 noopte tot een nieuwe beoordeling van hun positie. Aanwijzingen dat een herbeoordeling geboden was hadden appellanten moeten zien in de signalen die [naam 3] eerder heeft afgegeven en waaruit blijkt dat zij de wijze waarop appellanten haar belangen behartigden, kennelijk invulling gevend aan de afspraken uit 2009, onvoldoende achtte. Bij wijze van voorbeeld wijst het College op de volgende drie omstandigheden: (i) in juli 2009 was reeds bekend dat [naam 3] het lastig vond om in appellanten een onafhankelijke partner te zien; (ii) [naam 3] heeft in november 2010, nadat appellanten een – in de ogen van [naam 3] – onrealistisch voorstel hadden gedaan betreffende de waarde van de aandelen [naam 7] , aan [naam 13] opdracht gegeven een waarderingsrapport van de aandelen [naam 7] uit te brengen, welk rapport appellanten in opdracht van [naam 6] vervolgens begin januari 2012 van commentaar hebben voorzien; en (iii) [naam 3] heeft bij e-mail van 20 december 2011, voorafgaand aan de AVA van [naam 8] van 10 januari 2012, haar ongenoegen geuit over de gang van zaken en de rol van appellant sub 1 daarin. Het College stelt vast dat uit de brief van 12 januari 2012 niet blijkt van enig inzicht van appellanten in de gecompliceerde situatie waarin zij zich bevonden en de verschillende, op punten tegengestelde belangen waarmee zij rekening dienden te houden. Appellanten hebben zich aldus onvoldoende gerealiseerd dat door de (in ieder geval ten opzichte van elkaar) gewijzigde belangen van de aandeelhouders van [naam 7] en de ongewijzigde opstelling van appellanten, hun objectiviteit wel degelijk in ernstige mate werd bedreigd. De brief van 12 januari 2012 vermeldt dan ook ten onrechte geen nadere maatregelen. Aldus hebben appellanten het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden.

7.1

Het tweede specifieke verwijt dat de accountantskamer gegrond heeft geoordeeld (klachtonderdeel III in de bestreden uitspraak) betreft de – voor inbreng in het rechtsgeding tussen [naam 3] en [naam 6] bestemde – brief van 4 januari 2013 die appellanten ten behoeve van [naam 6] hebben opgesteld en verzonden, waardoor de belangen van [naam 3] (als 50 % aandeelhouder van [naam 7] ) in dat rechtsgeding konden worden geschaad ten faveure van [naam 6] .

7.2

Appellanten benadrukken dat de brief als onderwerp heeft “Voorlopige cijfers 2012”, dat voorts in de brief uitdrukkelijk wordt gesteld “Bij het opstellen van deze voorlopige cijfers zijn wij uitgegaan van een aantal schattingen, voorbehouden en uitgangspunten die wij hiernader toelichten.” en waarbij onder die toelichting vervolgens nog eens uitdrukkelijk is opgenomen “De vergelijkende cijfers zijn gebaseerd op de nog vast te stellen conceptjaarrekening over 2011.” Anders dan de accountantskamer zijn appellanten van mening dat dit een volstrekt heldere, duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare mededeling is dat het hier gaat om voorlopige cijfers en schattingen op basis van een nog niet vastgestelde jaarrekening. Bovendien zijn de gepresenteerde cijfers (objectief) juist en door appellanten op geen enkele wijze ingericht of aangepast om ten voordele van [naam 6] te strekken. Daarbij dient bedacht te worden dat de opdracht aan appellanten een samenstellingsopdracht betrof en zij derhalve niet gehouden waren de financiële gegevens te controleren. Juist door de rechter in de gelegenheid te stellen op actuele, niet achterhaalde, financiële gegevens van de vennootschappen een oordeel te baseren menen appellanten de waarheidsvinding bevorderd te hebben.

7.3

Het College acht het handelen van appellanten dat met dit verwijt ter discussie staat evenzeer tuchtrechtelijk verwijtbaar en overweegt daartoe het volgende. Het College stelt vast dat het hier gaat om het opstellen van een brief met de voorlopige cijfers 2012 van [naam 7] in opdracht van [naam 6] , bestuurder/aandeelhouder van [naam 7] . Appellanten waren op de hoogte van het doel waarvoor [naam 6] die brief en voorlopige cijfers wilde gebruiken, namelijk in een gerechtelijke procedure tegen [naam 3] , de andere bestuurder/aandeelhouder van [naam 7] . Desondanks hebben appellanten de brief en de voorlopige cijfers opgesteld zonder [naam 3] daarbij te betrekken of zelfs maar op de hoogte te stellen van de inhoud van die brief en de bijgevoegde voorlopige cijfers. Het College ziet reeds in die gang van zaken een schending van het fundamentele beginsel van objectiviteit. Hetgeen de accountantskamer in het kader van dit specifieke verwijt overigens heeft overwogen en hetgeen door appellanten (daartegen) in dit hoger beroep verder is aangevoerd, doet aan voorgaand oordeel van het College niet af of toe en behoeft om die reden geen nadere bespreking.

8.1

Het derde specifieke verwijt waarvan de accountantskamer heeft geoordeeld dat het gegrond is (klachtonderdeel IV in de bestreden uitspraak), heeft betrekking op de verwerking van een in 2009 door [naam 6] aangegane lening van € 30.000,- in de (voorlopige, althans niet vastgestelde) jaarrekening 2011 van [naam 7] , terwijl het aangaan van die lening niet door beide bestuurders van [naam 7] was goedgekeurd.

8.2

In reactie op de gemotiveerde stellingen van [naam 3] dat zij niet eerder dan bij de boedelverdelingsprocedure op de hoogte was van de bewuste lening, hebben appellanten zich erop beroepen dat [naam 3] in ieder geval op de hoogte was van de bestemming waarvoor het geleende bedrag zou zijn aangewend, namelijk een verbouwing van de echtelijke woning in 2008. Voorts hebben appellanten gewezen op verschillende financiële stukken betreffende [naam 3] en [naam 7] waarin de lening is verwerkt en waarvan [naam 3] reeds voor genoemde boedelverdelingsprocedure – zonder protest – kennis zou hebben genomen.

8.3

[naam 3] betwist dat het geleende bedrag is aangewend voor de verbouwing van de echtelijke woning. Voorts ontkent zij voor de boedelverdelingsprocedure inzage te hebben gehad in de door appellanten overgelegde stukken.

8.4

Het College stelt vast dat, anders dan appellanten betogen, uit de door appellanten overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat [naam 3] reeds voor de boedelverdelingsprocedure daadwerkelijk van die financiële stukken en dus van (de verwerking in de jaarrekening van [naam 7] van) de lening kennis heeft genomen (en daartegen bezwaar had kunnen maken). Daartoe overweegt het College het volgende.
De bij het hogerberoepschrift overgelegde producties 7 en 9 betreffen een pagina uit het fiscaal rapport Inkomstenbelasting 2009 van [naam 3] respectievelijk de relevante pagina’s uit het financieel verslag 2009 van [naam 7] . Uit niets blijkt dat [naam 3] deze stukken eerder (dan in deze tuchtprocedure) heeft ontvangen en/of goedgekeurd. Het College kan derhalve – gelet op de ontkenning van [naam 3] – niet vaststellen dat [naam 3] reeds voor de boedelverdelingsprocedure kennis had van de inhoud van die stukken.

Voor productie 8 en productie 10 bij het hogerberoepschrift geldt het volgende. Het betreffen pagina’s uit het fiscaal rapport IB 2010 van [naam 3] respectievelijk het financieel verslag 2010 van [naam 7] , waarbij in beide gevallen een door [naam 3] ondertekende ontvangstbevestiging en verklaring van goedkeuring is gevoegd. Daarbij valt op dat [naam 3] de betreffende stukken heeft ondertekend op 9 maart 2012 respectievelijk 8 maart 2012, derhalve nadat de rechtbank Utrecht in de boedelverdelingsprocedure haar (eind)beschikking had gegeven. Aan deze producties kunnen appellanten dus geen steun ontlenen voor hun stelling dat [naam 3] reeds voor de boedelverdelingsprocedure kennis had van (de verwerking in de jaarrekening van [naam 7] van) de lening.

Tot slot hebben appellanten zich beroepen op de als producties 11 en 12 bij het hogerberoepschrift gevoegde kopieën van delen van de akte na afsplitsing van 11 mei 2011 en de antwoordakte van augustus 2011 die [naam 6] respectievelijk [naam 3] hebben gewisseld in genoemde boedelverdelingsprocedure en waarin de lening (eveneens) is vermeld. Nu echter niet in geschil is dat [naam 3] tijdens die boedelverdelingsprocedure op de hoogte is geraakt van de lening, maar het verwijt juist inhoudt dat zij niet eerder over (de verwerking in de jaarrekening van [naam 7] van) die lening is geïnformeerd, ziet het College niet in wat appellanten met een beroep op deze producties beogen.

8.5

Voor zover appellanten ter zitting van het College – voor het eerst – hebben toegelicht dat de lening van € 30.000,- in feite een herformulering is van een aantal verschillende opnames die eerst in de bestaande (later gesplitste) rekening-courant tussen de beide bestuurders van [naam 7] en [naam 7] ten laste van [naam 6] waren geboekt – en in zoverre niet meer is dan een vanuit fiscaal perspectief gunstiger boekhoudkundige verwerking –, overweegt het College dat ook dan onverminderd geldt dat [naam 3] bij die (boekhoudkundige) verwerking niet is betrokken en daarvan niet tijdig op de hoogte is gesteld. Aangezien zowel [naam 6] als [naam 3] voor 50 % bestuurder/aandeelhouder van [naam 7] zijn en mede gelet op het feit dat zij na de echtscheiding ieder een eigen belang hebben bij de financiële positie van [naam 7] en de wijze waarop die positie in de financiële (jaar)stukken van [naam 7] wordt weergegeven, had het op de weg van appellanten gelegen om ook [naam 3] te informeren over het voornemen om verschillende bestaande posten uit de rekening-courant samen te voegen in een (separate) lening die als zodanig in de jaarrekening van [naam 7] zou kunnen worden opgenomen. Door dit na te laten hebben appellanten andermaal blijk gegeven de belangen van [naam 3] onvoldoende in aanmerking te hebben genomen, hetgeen een schending is van het fundamentele beginsel van objectiviteit.

9.1

Tot slot bespreekt het College het vierde specifieke verwijt dat de accountantskamer gegrond heeft geacht. Dit verwijt houdt in dat appellanten een (groot) aantal werkzaamheden ten behoeve van [naam 6] privé en/of diens nieuwe partner ten onrechte aan [naam 7] hebben gefactureerd.

9.2

Appellanten stellen dat [naam 3] eerst ter zitting van de accountantskamer de aan dit klachtonderdeel ten grondslag liggende verwijten aan het adres van appellanten heeft geuit, waardoor appellanten volledig overvallen waren en zonder raadpleging van onderliggende administratieve en financiële bescheiden, deze aantijgingen niet op juiste wijze hebben kunnen weerleggen. De accountantskamer had deze nieuwe verwijten dan ook buiten beschouwing dienen te laten, aldus appellanten. Bovendien is de klacht feitelijk onjuist. Niet alleen bestaat het merendeel van de werkzaamheden van appellanten waarvan [naam 3] stelt dat het privé zaken betreft, uit directeur-grootaandeelhouder-gerelateerde werkzaamheden die noodzakelijk waren in het kader van de echtscheidingsprocedure doch bovendien zijn de kosten van de werkzaamheden waarbij het belang van [naam 7] niet direct betrokken was, in de bestaande (later gesplitste) rekening-courant tussen de bestuurders van [naam 7] en [naam 7] ten laste van [naam 6] gebracht.

9.3

Het College volgt appellanten niet in hun betoog dat de accountantskamer dit verwijt buiten beschouwing had moeten laten, omdat [naam 3] eerst ter zitting van de accountantskamer de werkzaamheden heeft benoemd die appellanten voor [naam 6] privé zouden hebben verricht en aan [naam 7] hebben gefactureerd. Het College stelt vast dat [naam 3] bij aanvullend klaagschrift van 16 augustus 2013, voortbouwend op haar algemene klacht, expliciet heeft gesteld dat zij het vermoeden had dat appellanten werkzaamheden aan [naam 7] in rekening hadden gebracht die niet voor rekening van [naam 7] dienden te komen. In reactie op die stelling van [naam 3] hebben appellanten bij hun verweerschrift van 3 september 2013 onder meer overgelegd alle facturen vanaf 2009 van [naam 5] aan [naam 7] voorzien van een interne toelichting. De concrete werkzaamheden die [naam 3] ter zitting van de accountantskamer heeft genoemd, heeft zij afgeleid uit die overgelegde facturen. Met haar betoog ter zitting van de accountantskamer heeft [naam 3] aldus voortgebouwd op haar (aanvullend) klaagschrift en gereageerd op door appellanten zelf overgelegde stukken. In zoverre kan niet worden staande gehouden dat appellanten door dat betoog van [naam 3] verrast kunnen zijn.

9.4

Het College stelt vervolgens op basis van een door appellanten zelf opgesteld en aan het College overgelegd overzicht van (een deel van) hun werkzaamheden (productie 18 bij de brief van appellanten van 25 november 2015) vast dat appellanten voor [naam 6] privé verrichte werkzaamheden in rekening hebben gebracht aan [naam 7] . Het College overweegt dat die wijze van factureren weliswaar, zoals door appellanten gesteld, de gebruikelijke praktijk kan zijn geweest, maar dat mede gelet op hetgeen appellanten en [naam 7] hebben besproken in juli 2009 (na het bekend worden van het voornemen tot echtscheiding van [naam 6] en [naam 3] ), appellanten die praktijk niet hebben kunnen handhaven zonder zich de belangen van [naam 3] aan te trekken. Naar het oordeel van het College moet het voor appellanten duidelijk zijn geweest dat [naam 3] er in ieder geval belang bij had dat zo min mogelijk geld aan [naam 7] zou worden onttrokken. Mede om die reden was het in haar belang inzage te hebben in de door appellanten uitgevoerde werkzaamheden die aan [naam 7] werden gefactureerd, alsmede in de wijze waarop die facturen bij [naam 7] werden verwerkt. [naam 3] heeft gemotiveerd gesteld dat zij die inzage niet of onvoldoende heeft gehad en ook anderszins niet is geïnformeerd over de werkzaamheden die appellanten voor [naam 6] privé hebben verricht en aan [naam 7] hebben gefactureerd. Het College komt daarom tot de conclusie dat appellanten de belangen van [naam 3] ook in dat opzicht hebben achtergesteld bij de belangen van [naam 6] . De conclusie luidt dat appellanten ook in dit opzicht het fundamentele beginsel van objectiviteit hebben geschonden.

10. Uit het voorgaande volgt dat de grieven I tot en met VII niet slagen en dat het oordeel van de accountantskamer inzake de gegrondverklaring van de klachtonderdelen in stand blijft.

11.1

Grieven VIII en IX stellen de oplegging van de maatregel van berisping aan de orde, alsmede het feit dat die maatregel aan beide appellanten is opgelegd. Zo er al sprake zou zijn van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van appellanten waarvoor een maatregel dient te worden opgelegd, menen appellanten dat het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan enkel appellant sub 1 passend en geboden is. Appellanten merken op dat [naam 3] geen enkele (inhoudelijke) klacht tegen appellant sub 2 heeft aangevoerd. Ook de accountantskamer maakt in de bestreden uitspraak geen melding van enige handelwijze van appellant sub 2 die tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn, aldus appellanten.

11.2

Het College overweegt dat appellanten beiden inhoudelijk betrokken waren bij de dienstverlening van [naam 5] aan [naam 7] en dat zij beiden betrokken waren bij het handelen dat het onderwerp vormt van de klacht. Zulks blijkt onder meer uit het feit dat de brieven van 12 januari 2012 en 4 januari 2013 door appellant sub 1 zijn behandeld en door appellant sub 2 zijn ondertekend. In die omstandigheden kunnen beide accountants verantwoordelijk worden gehouden voor de geconstateerde schendingen van het fundamentele beginsel van objectiviteit. Grief IX slaagt om die reden niet.

11.3

Ten aanzien van de opgelegde maatregel van berisping overweegt het College het volgende. Appellanten hebben een niet te verwaarlozen bedreiging van hun objectiviteit, ook na herhaalde signalen van [naam 3] , niet waargenomen, althans hebben zij de belangen van [naam 3] , bestuurder en aandeelhouder van de opdrachtgever van appellanten, onvoldoende voor ogen gehouden. Gezien de aard en ernst van die overtreding en de omstandigheden van het geval acht ook het College het opleggen van de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. Ook grief VIII faalt.

12. Met grief X verzetten appellanten zich in algemene bewoordingen tegen de gegrondverklaring van de algemene klacht en de specifieke verwijten die daaraan ten grondslag liggen. Appellanten wensen de door [naam 3] ingediende klacht in volle omvang aan het College voor te leggen. Aan deze grief komt, naast de voorgaande negen grieven geen zelfstandige betekenis toe, zodat deze geen behandeling behoeft.

13. De slotsom luidt dat het hoger beroep ongegrond is.

14. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. R.W.L. Koopmans en mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2016.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. J.J. de Jong