Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:419

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
15/734
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sprake van beroepsmatig handelen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet RA. Appellant had bij zijn advisering en behulpzaam zijn van [naam 7] inzake de eigendomsoverdracht van de woning aan [adres 1] bedacht moeten zijn op een mogelijke bedreiging voor de naleving van de fundamentele beginsel van objectiviteit, als bedoeld in artikel A-100.4 onder b. van de VGC waartegen hij een passende waarborg diende te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0019
Jurisprudentie Erfrecht 2017/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/734

20150

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] RA, te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. L.P.M. Eenens),

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 augustus 2015, gegeven op een klacht, op 20 maart 2015 door [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en
[naam 5] (hierna: [naam 6] ) ingediend tegen appellant.

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
7 augustus 2015, met nummer 15/621 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:85).

[naam 6] hebben een schriftelijke reactie op het hoger beroepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens zijn ter zitting verschenen [naam 3] ,
[naam 4] en [naam 5] .

Grondslag van het geschil

1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer en welke weergave door appellant niet wordt bestreden, bevat de volgende verwijten, waarbij voor “betrokkene” appellant moet worden gelezen. [naam 6] verwijten appellant dat hij:

  1. de weduwe [naam 7] in 2004 ertoe heeft aangezet een testament op te maken waarin betrokkene, als informeel zaakwaarnemer, tot enig erfgenaam werd benoemd;

  2. de woning van de weduwe [naam 7] in 2005 onder de prijs van haar heeft gekocht;

  3. "als informeel financieel zaakwaarnemer en samen met zijn vrouw [naam 8] als mantelzorger", de weduwe [naam 7] in zowel technisch als financieel opzicht heeft verwaarloosd en uitgebuit;

  4. ten eigen voordele de weduwe [naam 7] heeft laten meewerken aan de opheffing van het legaat voor haar zuster [naam 9] ;

  5. heeft gelogen toen hem begin februari 2012 door [naam 2] als bewindvoerder werd gevraagd naar de aanwezigheid van een testament van de weduwe [naam 7] .

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen a, b en c
niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdelen d en e gegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan appellant de maatregel van berispingopgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. De grieven van appellant hebben betrekking op klachtonderdelen d en e en op de zwaarte van de opgelegde maatregel.

4.1

De eerste grief van appellant is gericht tegen hetgeen de accountantskamer heeft geoordeeld ten aanzien van het verweer van appellant dat de klachtonderdelen d en e zien op privégedragingen, zodat de klacht in die onderdelen niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De accountantskamer heeft dienaangaande in overweging 4.2.4 het volgende overwogen:

“Ten aanzien van deze klachtonderdelen heeft te gelden dat zij beide betrekking hebben op handelen van betrokkene in de sfeer van vermogensbeheer. Aannemelijk is dat betrokkene in 1997 wel degelijk in en/of om zijn hoedanigheid van accountant door de toen nog levende echtgenoot van de weduwe [naam 7] werd aangezocht om deze laatste op het gebied van vermogensbeheer bij te staan, zodat reeds daarom geen sprake is van privé-handelen, maar van beroepsmatig handelen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet RA. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de erfstelling van betrokkene plaats vond tijdens het door hem gevoerde vermogensbeheer, zodat niet gezegd kan worden dat na te melden verweten gedragingen, waarbij het als erfgenaam benoemd zijn wel van invloed is op de tuchtrechtelijke boordeling daarvan, niet zouden zijn aan te merken als gedragingen die krachtens artikel 33 Wet RA aan tuchtrechtspraak onderhevig zijn. Dit niet-ontvankelijkheidsverweer wordt daarom eveneens verworpen.”

4.2

Appellant stelt zich op het standpunt dat de accountantskamer ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat hij door de echtgenoot van de weduwe [naam 7] voor diens overlijden op 29 december 1997 in en om zijn hoedanigheid van accountant is aangezocht om haar vermogen te beheren. Appellant stelt dat hij de weduwe [naam 7] en haar echtgenoot in de privésfeer heeft leren kennen en laatstgenoemde hem heeft verzocht een oogje in het zeil te houden en zijn echtgenote terzijde te staan nadat hij zou komen te overlijden. Dit verzoek was niet gericht op vermogensbeheer of het in opdracht verrichten van accountancywerkzaamheden voor de weduwe [naam 7] , maar op haar persoonlijk functioneren. Appellant stelt voorts dat hij sinds 1 januari 1998 niet meer actief werkzaam is als openbaar accountant en zich alleen nog bezig houdt met vrijwilligerswerk. De eerste jaren na het overlijden van de echtgenoot van de weduwe [naam 7] heeft appellant voor haar helemaal niets aan vermogensbeheer gedaan, met uitzondering van het verzorgen van belastingaangiftes. Pas in de laatste jaren van haar leven heeft appellant overleg gehad met haar beleggingsadviseur en via telebankieren haar betalingen verzorgd. Aan voornoemde hand- en spandiensten lag geen opdracht aan appellant ten grondslag. Alleen voor de belastingaangiftes kreeg appellant een vergoeding. Appellant voert voorts aan dat zijn reactie omtrent de aanwezigheid van een testament van de weduwe [naam 7] niet is gegeven in zijn hoedanigheid van haar registeraccountant, maar als privé-persoon die gepikeerd was over de wijze waarop de weduwe [naam 7] en hijzelf door [naam 2] werden bejegend. De gedragingen waarop klachtonderdelen d en e betrekking hebben kunnen volgens appellant dan ook niet worden gekwalificeerd als beroepsmatig handelen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet RA, maar als handelen in de privésfeer.

4.3

Het College stelt vast dat de verweten gedragingen waarop klachtonderdelen d en e zien, dateren van vóór 1 januari 2013, zodat de tekst van artikel 33, eerste lid, Wet RA zoals die luidde vanaf 1 mei 2009 tot 1 januari 2013 van toepassing is. Op grond van deze bepaling is de registeraccountant bij het beroepsmatig handelen onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet RA bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. In de uitspraak van 11 oktober 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY0646) heeft het College geoordeeld dat privé-handelingen, voor zover deze hebben plaatsgevonden na 1 mei 2009, niet meer tuchtrechtelijk kunnen worden getoetst, aangezien het bereik van de tuchtrechtspraak in de sedert 1 mei 2009 luidende tekst van artikel 33, eerste lid, Wet RA expliciet is beperkt tot “beroepsmatig handelen”, terwijl uit de memorie van toelichting niet blijkt van enige aanwijzing dat daaronder, onder omstandigheden, ook privé-handelingen zouden dienen te worden verstaan. Het College heeft in zijn uitspraak van 2 oktober 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:379) voorts geoordeeld dat de inwerkingtreding van de Wet op het accountantsberoep (Wab) op 1 januari 2013 geen aanleiding geeft tot heroverweging van het oordeel zoals vervat in voornoemde uitspraak van 11 oktober 2012, in die zin dat onder de sinds 1 mei 2009 geldende bepaling van artikel 33, eerste lid, Wet RA toch het privé handelen van een accountant tuchtrechtelijk toetsbaar is.

4.4

In het licht van dit toetsingskader volgt het College de accountantskamer in haar oordeel dat de verweten handelingen van appellant waarop klachtonderdelen d en e zien, zijn aan te merken als beroepsmatig handelen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet RA. Het College overweegt daartoe het volgende. Het door appellant opgestelde concept-testament van de weduwe [naam 7] van 11 augustus 2003 heeft appellant afgesloten met vermelding van zijn kantoor [naam 10] en van zijn titel als registeraccountant, afgekort tot RA, waardoor appellant zich nadrukkelijk als registeraccountant heeft gepresenteerd. Zulks blijkt ook uit de door appellant namens de weduwe [naam 7] opgestelde en aan notaris [naam 11] gerichte brief van 4 maart 2008. Deze brief heeft appellant opgesteld op het briefpapier van zijn kantoor [naam 10] en eveneens afgesloten met vermelding van zijn RA-titel. Appellant heeft bij voornoemd concept-testament voorts aangegeven dat de weduwe [naam 7] reeds vele jaren cliënt is van zijn kantoor met betrekking tot het verzorgen van de aangiften inkomsten- en vermogensbelasting. Voor deze fiscale werkzaamheden werd appellant betaald. De activiteiten van appellant in februari 2011 met betrekking tot de verkoop van de woning [adres 1] te [plaats 2] merkt het College aan als vermogensbeheerswerkzaamheden. Het College neemt voorts in aanmerking dat appellant zijn reactie begin februari 2012 op de vraag van [naam 2] of hij ermee bekend is dat de weduwe [naam 7] een testament heeft laten opstellen, heeft verzonden vanaf zijn zakelijke e-mailadres van kantoor [naam 10] .

4.5

Voorts overweegt het College dat bij de beoordeling of appellant als accountant heeft gehandeld tevens van belang is in welke hoedanigheid anderen appellant zagen. In de handgeschreven en aan notaris [naam 12] gerichte brief van de weduwe [naam 7] van 18 november 2003 wordt appellant met de titel RA genoemd. Uit een brief van 4 februari 2004 van notaris [naam 11] gericht aan de weduwe [naam 7] blijkt eveneens dat appellant in de waarneming van de notaris handelde in zijn hoedanigheid van accountant. Zo wordt appellant door de notaris in deze brief aangeduid als “accountant/adviseur”. Gelet op het voorgaande kan het College appellant niet volgen waar hij stelt dat de gedragingen waarop klachtonderdelen d en e betrekking hebben, louter kunnen worden aangemerkt als handelingen in de privésfeer. Integendeel brengt het voorgaande het College tot het oordeel dat deze gedragingen tot het beroepsmatig handelen behoren waarbij de registeraccountant op de voet van artikel 33 van de Wet RA aan tuchtrechtspraak is onderworpen. Dat appellant de weduwe [naam 7] in de privésfeer heeft leren kennen en niet werd betaald voor de werkzaamheden waarop de klachtonderdelen betrekking hebben doet daaraan niet af.

De eerste grief faalt.

5.1

De tweede grief van appellant is gericht tegen het gegrond verklaren van klachtonderdeel d. Ten aanzien van dit klachtonderdeel heeft de accountantskamer in overweging 4.4.3 het volgende overwogen:

“De Accountantskamer acht, anders dan betrokkene heeft gesteld, aannemelijk dat betrokkene op de hoogte was van de inhoud van de onderwerpelijke legaatstelling en de ongunstige gevolgen daarvan voor de erfrechtelijke positie van [naam 9] bij verkoop van de ouderlijke woning te [plaats 2] voordat de weduwe [naam 7] zou komen te overlijden. Hij was immers zelf in februari 2011 betrokken geweest bij de reservering van gelden voor de financiële legaten van de weduwe [naam 7] en daarbij heeft hij geen bedrag van circa € 166.000,= gereserveerd in verband met het legaat voor [naam 9] , kennelijk omdat hij wist dat dit legaat alleen “in stenen” gold. Ook is zeer aannemelijk dat betrokkene wist dat hij in 2004 door de weduwe [naam 7] bij testament tot enig erfgenaam was benoemd, reeds omdat hij blijkbaar in februari 2011 over exacte kennis van de omvang van de in dat testament vermelde legaten beschikte. (Dat betrokkene, zoals hij heeft gesteld, zich die precieze bedragen in 2011 nog herinnerde uit een door hem opgestelde brief aan de notaris voorafgaand aan het opmaken van het testament in 2004, acht de Accountantskamer volstrekt onaannemelijk.) Betrokkene wist dus dat zijn erfrechtelijke positie door de verkoop van die woning op dat tijdstip gunstig zou worden beïnvloed doordat het legaat voor [naam 9] “in stenen” kwam te vervallen en het deel van de opbrengst van de woning, dat daarvoor in de plaats kwam, deel ging uitmaken van de (toekomstige) nalatenschap die voor hem bestemd was. Onder deze omstandigheden en mede gelet op de geestelijke gesteldheid van de weduwe [naam 7] had betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer zich bij zijn advisering en behulpzaam zijn van de weduwe [naam 7] inzake deze transactie moeten realiseren dat zich een zodanige bedreiging in de vorm van belangenverstrengeling voordeed, dat hij waarborgen had moeten treffen, bijvoorbeeld door zich op het standpunt te stellen dat deze transactie geen doorgang mocht vinden voordat het vermogen van de weduwe [naam 7] onder bewind was gesteld. In ieder geval had hij ervan moeten afzien de weduwe [naam 7] op enige wijze actief te begeleiden bij het tot stand komen van deze transactie; zo had hij haar niet zelf naar de notaris ter legalisatie van haar handtekening dienen te begeleiden. Door dit na te laten - betrokkene heeft zelfs desgevraagd aangegeven geen bedreiging te hebben gezien en nog steeds niet te zien - heeft hij gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel ‘objectiviteit’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder b. van de VGC. Klachtonderdeel d) moet daarom in zoverre gegrond worden verklaard.”

5.2

Appellant stelt zich op het standpunt dat de accountantskamer ten onrechte heeft overwogen dat hij zich bij zijn advisering en behulpzaam zijn van de weduwe [naam 7] had moeten realiseren dat zich een bedreiging in de vorm van een belangentegenstelling voordeed en dat hij in dit verband heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van “objectiviteit”. Het is volgens appellant onjuist dat hij wist dat zijn erfrechtelijke positie door de verkoop van de woning op dat tijdstip gunstig zou worden beïnvloed. Appellant wist weliswaar dat de omvang van de nalatenschap zou groeien met het aandeel van de weduwe [naam 7] in de verkoopopbrengst van de woning [adres 1] , ten tijde van de liquidatie van de woning [adres 1] wist hij echter niet dat hij enig erfgenaam was. De door de accountskamer veronderstelde omstandigheden ontbraken en er waren ook geen overige omstandigheden die appellant hadden moeten beletten de weduwe [naam 7] behulpzaam te zijn. Wat betreft de door de accountantskamer gememoreerde “geestelijke gesteldheid” van de weduwe [naam 7] wijst appellant erop dat toen hij haar op 16 februari 2011 naar het kantoor van notaris [naam 13] begeleidde ter legalisatie van haar handtekening op de volmacht ten behoeve van de eigendomsoverdracht, appellant de notaris heeft uitgelegd dat zij niet meer alles kon bevatten, maar haar huisarts niet wilde spreken van dementie en tot de diagnose afasie was gekomen. De notaris vond de geestelijke gesteldheid van de weduwe [naam 7] dusdanig dat daaruit werd geconcludeerd dat zij haar wil kon bepalen. Appellant wijst er voorts op dat hij bij brief van 16 september 2010 nog heeft getracht te bewerkstelligen dat de opbrengst van de woning aan de [adres 1] aan [naam 9] zou toekomen.

5.3

Het College overweegt dat aangezien het handelen dan wel nalaten van appellant waarop de hier in geding zijnde klachtonderdelen betrekking hebben, heeft plaatsgevonden ná 1 januari 2007, dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de met ingang van deze datum geldende Verordening gedragscode (hierna: VGC). Het handelen dan wel nalaten van appellant dat onderwerp is van de klachtonderdelen d en e, betreft het handelen van appellant als openbaar accountant, zodat hierop deel A van de VGC van toepassing is. Ter beoordeling staat derhalve of appellant in zijn hoedanigheid van accountant het fundamentele beginsel van objectiviteit als bedoeld in artikel A-100.4, onder b, van de VGC niet heeft nageleefd.

5.4

Er zijn naar het oordeel van het College, anders dan de accountantskamer heeft geoordeeld, onvoldoende feiten gesteld of gebleken waaruit kan worden geconcludeerd dat appellant in de periode in geding wist dat hij tot enig erfgenaam was benoemd. Dit blijkt niet uit de omstandigheid dat hij in februari 2011 over de exacte kennis van de omvang van de in dat testament vermelde legaten beschikte, nu appellant de precieze bedragen in 2011 had kunnen opmaken uit het door hem opgestelde concept-testament waarin de erfstelling nog was opengelaten. Dat neemt echter niet weg dat het College de accountantskamer volgt in haar (eind)oordeel dat appellant zich bij zijn advisering van de weduwe [naam 7] inzake de eigendomsoverdracht van de woning [adres 1] te [plaats 2] bewust had moeten zijn van een mogelijke bedreiging voor de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit, waartegen hij passende waarborgen diende te treffen. In het door appellant opgestelde concept-testament van 11 augustus 2003 was opengelaten wie de erfgena(a)m(en) zou(den) zijn. Wel was er een aan appellant bekende lijst van legatarissen, die alle bekende familieleden van de weduwe [naam 7] omvatte. Daaruit kon appellant afleiden dat zij niet als erfgenaam aangewezen zouden worden. Appellant wist dat de weduwe [naam 7] kinderloos was en in onmin leefde met haar destijds nog levende zuster, die zij als erfgename wilde uitsluiten. Verder had de weduwe [naam 7] hem geen opdracht gegeven te regelen dat haar nalatenschap op een andere wijze zou worden besteed. Daaraan verbindt het College de conclusie dat appellant erop bedacht had behoren te zijn dat hij mogelijk als erfgenaam werd aangewezen, mede nu er geen legaat ten behoeve van appellant was voorzien. Toen hem naderhand verzocht werd de verkoop van de woning [adres 1] te regelen, waarvan appellant wist dat de omvang van de nalatenschap daardoor zou groeien met het aandeel van de weduwe [naam 7] in de verkoopopbrengst van die woning, ten koste van het legaat voor haar zuster, had appellant zich in ieder geval ervan dienen te vergewissen dat hij niet op enigerlei wijze via een legaat of zelfs als (mede-)erfgenaam daarvan financieel voordeel zou behalen en daarmee zijn objectiviteit zou compromitteren. Ook uit de tot het geding behorende stukken had appellant in de periode voorafgaand aan de eigendomsoverdracht van die woning in februari 2011 op de hoogte kunnen zijn van het feit dat hij in 2004 bij testament tot enig erfgenaam van de weduwe [naam 7] was benoemd.

5.5

Het College stelt in dit verband vast dat het voor appellant op diverse tijdstippen mogelijk was duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vraag wie de weduwe [naam 7] als erfgenaam had benoemd in haar testament. In de brief van appellant van 4 maart 2008 gericht aan notaris [naam 11] (welke brief volgens appellant nooit is verstuurd, omdat de weduwe [naam 7] dat niet wilde) schrijft appellant:

“Bij het bespreken van de aangiften inkomstenbelasting 2007 van mevrouw [naam 14] (…) , kwam tevens de vermogensopstelling ter sprake en haar testament dat bij uw kantoor is gepasseerd. Deze bespreking gaf aanleiding tot wijzigingen in het testament.”

Voor zover appellant bij deze bespreking van het testament niet bij de weduwe [naam 7] heeft geïnformeerd naar haar erfgenamen, heeft appellant onduidelijkheid op dit punt laten bestaan, terwijl hij als executeur testamentair verantwoordelijk was voor de afwikkeling van de nalatenschap van de weduwe [naam 7] . Appellant heeft verder zelf verklaard dat hij omstreeks 2010 een testament in de envelop van de notaris bij de weduwe [naam 7] thuis heeft aangetroffen toen hij op haar verzoek de financiële bescheiden uitruimde om deze naar huis te nemen, omdat er volgens appellant in de visie van de weduwe [naam 7] teveel “vreemden” (wisselende thuiszorgers) in het huis rondliepen. Appellant stelt dat hij het testament niet heeft ingezien, noch heeft meegenomen, maar bij de weduwe [naam 7] heeft achtergelaten met het advies dat goed op te bergen. Appellant heeft voorts in hoger beroep een viertal stukken ingebracht waarin melding wordt gemaakt van diens benoeming tot enig erfgenaam. Het betreft een handgeschreven brief van 18 november 2003 van de weduwe [naam 7] aan notaris [naam 11] , een brief van 5 december 2003 van notaris
aan de weduwe [naam 7] met als bijlagen “concept-testament van
4 december 2003, alsmede de brief van 4 februari 2004 van notaris [naam 11] aan de weduwe [naam 7] . Naar het College begrijpt stelt appellant dat hij deze stukken pas na het overlijden van de weduwe [naam 7] in haar garage heeft aangetroffen. Appellant heeft in zijn e-mail van 6 januari 2012 gericht aan [naam 2] verwezen naar een als bijlage meegezonden adressenlijst van 16 januari 2012. Appellant schrijft in voornoemde e-mail over deze adressenlijst het volgende:

“Deze lijst heb ik in de afgelopen 17 jaar zo goed mogelijk samengesteld o.b.v. brieven welke uw tante [lees: de weduwe [naam 7] ] ontving en waarvan ik de adressering dan afscheurde om mij adressenlijst bij te werken.”

5.6

Gelet hierop had appellant behoren te onderzoeken of de weduwe [naam 7] hem met een legaat had bedacht dan wel mogelijk als (mede-)erfgenaam had benoemd in haar testament, teneinde te kunnen vaststellen of hij zelf een financieel belang had bij het bijstaan van de weduwe [naam 7] in het beheren van haar financiën. Door dat na te laten, terwijl hij daartoe voldoende gelegenheid heeft gehad, is een (schijn van) belangenverstrengeling ontstaan, waartegen appellant waarborgen had behoren te treffen. Niet gebleken is dat appellant zodanige waarborgen heeft getroffen. Dat appellant dit heeft nagelaten moet hem naar het oordeel van het College ernstig worden aangerekend.

5.7

Aangezien het oordeel van het College ten aanzien van dit klachtonderdeel tot hetzelfde eindoordeel ten aanzien van dit klachtonderdeel komt als de accountantskamer is het hoger beroep van appellant op dit onderdeel ongegrond en ziet het College in hetgeen appellant in zijn tweede grief heeft aangevoerd, ook al is dat gedeeltelijk terecht aangevoerd, geen aanleiding tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

De tweede grief treft geen doel.

6.1

De derde grief van appellant is gericht tegen het gegrond verklaren van klachtonderdeel e. Ten aanzien van dit klachtonderdeel heeft de accountantskamer in overweging 4.5.3 het volgende overwogen:

“De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene op de hem door de bewindvoerder gestelde vraag twee mogelijkheden tot antwoorden had, te weten: hetzij zeggen dat het hem uit overwegingen van discretie en vanwege het beginsel van geheimhouding ter zake het hem door de weduwe [naam 7] toevertrouwde niet vrij stond daarover mededelingen te doen,

hetzij, indien hij meende dat het hem vrij stond informatie te geven, mede te delen dat de weduwe [naam 7] in het verleden een testament had gemaakt en - eventueel - dat hij niet wist of dat testament nog bestond en of het dan de laatste versie ervan was. Door echter, in strijd met de waarheid, te verklaren dat hij er niet van op de hoogte was, heeft betrokkene geen juiste verklaring afgelegd en daardoor zich niet eerlijk en oprecht opgesteld en aldus gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel ‘integriteit’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder a. van de VGC. Dit klemt temeer nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zeer aannemelijk is dat betrokkene wist dat het testament nog vigeerde toen hem de vraag naar het bestaan van een testament werd gesteld. Dat betrokkene, zoals hij heeft aangevoerd, zich in zijn integriteit voelde aangetast door de handelwijze van de bewindvoerder, vormt geen rechtvaardiging voor het verstrekken van onjuiste informatie aan de bewindvoerder. Klachtonderdeel e) moet daarom in zoverre gegrond worden verklaard.”

6.2

Appellant betwist onder verwijzing naar een e-mailwisseling op 20 en 21 februari 2012 dat hij heeft gelogen toen hem op 20 februari 2012 door [naam 2] werd gevraagd naar de aanwezigheid van een testament van de weduwe [naam 7] . Uit de e-mailwisseling blijkt volgens appellant niet dat hij heeft verklaard dat hij niet van het bestaan van het testament op de hoogte was, maar dat hij heeft verklaard dat het hem niet bekend was dat de weduwe [naam 7] recentelijk nog de notaris had bezocht en dat hij niet in het bezit was van haar testament. Appellant had wellicht uitgebreider en gedetailleerder kunnen zijn. Gelet op de negatieve, vooringenomen en beschuldigende houding van [naam 2] en gelet op zijn eigen loyaliteit aan de weduwe [naam 7] , voelde appellant zich daartoe niet geroepen.

6.3

[naam 6] hebben in reactie op het hoger beroepschrift volstaan met de opmerking dat als appellant integer was geweest, hij een compleet antwoord had moeten geven.

6.4

Met betrekking tot het verwijt dat appellant zich niet eerlijk en oprecht jegens

de bewindvoerder [naam 16] heeft opgesteld, overweegt het College als volgt.

[naam 2] heeft aan appellant op 20 februari 2012 een e-mailbericht gezonden dat onder meer inhield:

“Bij deze verzoek ik u mij te laten weten of u er wellicht mee bekend bent dat mevrouw [naam 14] korter of langer geleden een testament heeft laten opstellen. Zo ja, beschikt u dan over een kopie? Om in verband met de uitoefening van mijn taak als bewindvoerder over alle van belang zijnde informatie te beschikken zou ik dan graag die (een) kopie van u ontvangen.”

Appellant heeft daarop per e-mailbericht van 21 februari 2012 als volgt geantwoord:

“Mij is niet bekend dat uw tante korter geleden een bezoek heeft afgelegd bij een notaris. Ik ben met uw tante voor het laatst naar de notaris geweest i.v.m. verkoop [adres 2] te [plaats 1] . Het bezoek was bij kantoor [naam 15] te [plaats 3] . Dit was in 2005. Ik ben niet in het bezit van een testament van uw tante.”

6.5

Anders dan de accountantskamer heeft overwogen heeft appellant niet geantwoord dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van een testament, zodat appellant op dit punt niet kan worden verweten dat hij geen juiste verklaring heeft afgelegd. Het College is niettemin van oordeel dat appellant zich niet geheel eerlijk en oprecht heeft opgesteld jegens
[naam 2] door hem niet een volledig juist antwoord te geven. Gelet op zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van het testament van de weduwe [naam 7] en het feit dat hij het testament - naar eigen zeggen - in 2010 bij haar thuis heeft aangetroffen, heeft appellant geen volledige openheid gegeven omtrent het bestaan van het testament, althans heeft hij daarover onduidelijkheid laten bestaan, terwijl het verstrekken van duidelijkheid wel van hem kon worden gevergd.

6.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellant in strijd heeft gehandeld met het in artikel A-100.4 onder a. van de VGC neergelegde fundamentele beginsel van integriteit. Derhalve heeft de accountantskamer klachtonderdeel e terecht gegrond verklaard, zij het op enigszins andere gronden.

De derde grief treft geen doel.

7. Ten aanzien van de opgelegde maatregel van berisping overweegt het College het volgende. Appellant heeft een bedreiging van zijn objectiviteit gedurende een lange periode niet onderkend. Daarnaast dient ook de geconstateerde schending van het fundamentele beginsel van integriteit appellant te worden aangerekend. Gezien de aard en ernst van die overtreding en de omstandigheden van het geval acht ook het College het opleggen van de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. De door appellant aangevoerde verzachtende omstandigheden - dat hij naar zijn beste weten en kunnen en naar eer en geweten zich zou hebben bekommerd om de weduwe [naam 7] en niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld - zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen omstandigheden die voor het College aanleiding vormen een minder zware maatregel op te leggen.

8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. J.L. Verbeek en mr. C.C.W. Lange, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. A. El Markai