Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:406

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
09-01-2017
Zaaknummer
16/717
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/717

[11350]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats 1] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.L.M.F. Roosendaal),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A. Luschen).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om de officieel in bewaring genomen partijen vlees, afkomstig van [naam 2] B.V. ( [naam 2] ), te bestemmen voor vervoedering aan pelsdieren binnen Nederland afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2016.

Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 5] .

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nader overleg te voeren en de voorzieningenrechter te berichten over de uitkomst daarvan.

Bij brief van 21 november 2016 heeft verweerder schriftelijk gereageerd. Bij brief van
5 december 2016 heeft verzoekster schriftelijk gereageerd. Appellante heeft op 16 december 2016 toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting. Verweerder heeft die toestemming op 19 december 2016 verleend. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport partijen vlees van verzoekster, afkomstig van [naam 2] , in officiële bewaarneming genomen, omdat de herkomst, traceerbaarheid en identificatie daarvan niet kan worden aangetoond. Bij besluit van 2 maart 2015 is een deel van de partij vlees vrijgegeven en is een andere partij in officiële bewaarneming geplaatst.

1.2

Bij brief van 21 januari 2016 heeft verzoekster verweerder verzocht om vrijgave van de in bewaring genomen partijen vlees (hierna: het vlees), opdat deze als categorie 2-materiaal kunnen worden verkocht aan een onderneming die deze voorraad verwerkt teneinde te leveren aan een nertsenfokkerij te Duitsland. Het betreft de onderneming [naam 6] GmbH, te [plaats 2] .

1.3

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat aan (de curator van) [naam 2] in april 2015 toestemming is verleend om de officieel in bewaring genomen partijen vlees van [naam 2] voor bijzondere vervoedering van het categorie 2-materiaal aan pelsdieren en dierentuinen te bestemmen. Daaraan is onder meer de voorwaarde verbonden dat de afvoer van deze partijen vlees alleen aan een pelsdierhouder of dierentuin binnen Nederland is toegestaan. Afzet buiten Nederland is niet toegestaan om voldoende garanties te bieden voor de bescherming van de volksgezondheid, voedselveiligheid en diergezondheid. Gelet hierop en om rechtsongelijkheid te voorkomen heeft verweerder het verzoek van verzoekster afgewezen. Verzoekster kan, aldus verweerder, een nieuw verzoek om toestemming indienen onder de voorwaarden van de aan [naam 2] verleende toestemming.

1.4

Bij e-mailbericht van 25 april 2016 heeft verzoekster een nieuw verzoek om toestemming voor bijzondere vervoedering van het vlees als categorie 2-materiaal aan pelsdieren en dierentuinen bij verweerder ingediend. Daarbij heeft verzoekster aangegeven dat zij met de [naam 7] B.V., bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bekend onder erkenningsnummer [… 1] , overeenstemming heeft bereikt over de afzet van het vlees bij dit bedrijf.

1.5

Bij e-mailbericht van 25 mei 2016 heeft verzoekster verweerder laten weten dat de firma [naam 8] te [plaats 3] met erkenningsnummer [… 2] deel uitmaakt van de [naam 7] .

2. Aan het primaire besluit heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Bij e‑mailberichten van 25 april 2016 en 25 mei 2016 heeft verzoekster een verzoek ingediend om het vlees te bestemmen voor vervoedering aan pelsdieren binnen Nederland. Het bedrijf dat verzoekster op het oog had ( [naam 7] B.V., [… 1] ) beschikt niet over toestemming om categorie 2-materiaal te mogen ontvangen. Bij e‑mailbericht van 25 mei 2016 heeft verzoekster een andere locatie opgegeven van voornoemd bedrijf. Dit bedrijf, [naam 8] , is gelegen in België. Nu dit bedrijf niet in Nederland is gelegen en om rechtsongelijkheid in verband met de aan [naam 2] verleende toestemming te voorkomen, heeft verweerder het nieuwe verzoek van verzoekster afgewezen.

3. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

4. Verzoekster stelt zich in het verzoekschrift op het standpunt dat zij een spoedeisend belang heeft als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb en voert daartoe het volgende aan. Iedere dag dat de 157.000 kilo in bewaring genomen partijen vlees in de koelhuizen moeten blijven, kost verzoekster onnodig veel geld. Voorts beschikt verzoekster thans over twee bedrijven die nu nog bereid zijn om tot vervoedering en verwerking van het vlees over te gaan. Die bereidheid zal niet eeuwigdurend zijn. Daarnaast zal verweerder binnen afzienbare tijd een besluit nemen ten aanzien van het vlees, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid zal betekenen dat dit vlees ter vernietiging zal dienen te worden aangeboden, zodat voor verzoekster een enorme schadepost dreigt.

In aanvulling hierop heeft verzoekster zich ter zitting op het volgende standpunt gesteld. De opslagkosten bedragen € 409,62 per week en waren op 20 september 2016 inmiddels opgelopen tot € 74.550,00. Vernietiging gaat op kosten van verzoekster en ook dat gaat weer veel geld kosten. Verzoekster wenst duidelijkheid en wenst haar vlees af te zetten zodat het nog iets oplevert, verliezen worden beperkt en verdere kosten worden voorkomen. De afzetmogelijkheid die thans bestaat in België en Nederland is niet eeuwigdurend, zoals ook reeds is gebleken ten aanzien van een eerdere afzetmogelijkheid in Duitsland.

5. Verweerder betwist dat sprake is van een spoedeisend belang. De door verzoekster aangevoerde spoedeisendheid is louter van financiële aard. Met dit verzoek hoopt verzoekster, om begrijpelijke bedrijfseconomische redenen, de kosten van de opslag van de partijen vlees te beperken. Echter, verzoekster heeft niet gesteld noch aangetoond, dat dit financiële belang zo groot is dat een faillissement van verzoekster dreigt. Kortom, er is geen sprake van een onomkeerbaar belang dat het treffen van de gevraagde voorziening zou rechtvaardigen.

6. Ten aanzien van het spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 van de Awb oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

6.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het risico van de afwijzing van het verzoek voor verzoekster een financieel belang vertegenwoordigt. Een zodanig belang vormt op zichzelf geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het staat verzoekster immers vrij financiële compensatie van het bestuursorgaan te vorderen indien het primaire besluit onrechtmatig zou blijken te zijn. Het treffen van een voorlopige voorziening zal in het kader van de belangenafweging echter niettemin in beeld kunnen komen als het financiële belang van dien aard is dat de vermogenspositie van verzoekster zodanig wordt aangetast dat de bedrijfsvoering hierdoor in ernstige problemen zou kunnen komen.

Verzoekster heeft geen gegevens overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat deze dreiging zich in dit stadium van de procedure zal verwezenlijken. Zij heeft desgevraagd ter zitting bovendien gesteld dat geen sprake is of zal zijn van een situatie waarin de bedrijfsvoering van de onderneming in financieel opzicht in ernstige problemen zal komen.

6.2

Verzoekster heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de afzetmogelijkheid van het vlees bij de [naam 7] B.V. of [naam 8] teloor gaat voordat verweerder heeft beslist op het bezwaar tegen het primaire besluit. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze beslissing spoedig kan worden genomen. De hoorzitting heeft reeds plaatsgevonden.

6.3

De volgens verzoekster te verwachten beslissing van verweerder om de partijen vlees te vernietigen, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Indien verweerder op enig moment een dergelijk besluit neemt met betrekking tot het vlees, zal verzoekster te zijner tijd bovendien rechtsmiddelen tegen dat besluit kunnen instellen.

6.4

De eerder door verzoekster verzochte toestemming voor beoogde levering van het vlees aan een Duits bedrijf is geweigerd, omdat volgens verweerder niet aan de voorwaarden werd voldaan. Verzoekster heeft geen verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van dit besluit ingediend. De eventuele levering aan dat bedrijf speelt in de onderhavige procedure geen rol, zoals verzoekster ter zitting ook heeft aangegeven. Op het tegen dit besluit gemaakte bezwaar moet overigens nog worden beslist. Ook tegen deze beslissing zullen voor verzoekster rechtsmiddelen open staan.

6.5

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in onderhavig geval geen sprake van onverwijlde spoed, die gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek reeds daarom af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. S.M.J. Bos