Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:402

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
15/312
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun 2006. Bedrijfstoeslag 2011. Gedeeltelijke afkeuring van opgegeven oppervlakte. Expliciet beroep op artikel 80, derde lid, Verordening 1122/2009. Geen fout van verweerder die appellant redelijkerwijs niet zelf had kunnen ontdekken, omdat hij er niet zondermeer vanuit mag gaan dat de oppervlakte van het perceel elk jaar hetzelfde is en hij zich had moeten realiseren dat in 2011 de oppervlakte van het perceel anders kon zijn dan de in 2009 door verweerder vastgestelde oppervlakte. De verantwoordelijkheid voor het doen van een juiste opgave ligt bij de aanvrager, die zelf immers weet hoe en welk deel van het perceel wordt gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/312

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2016 in de zaak tussen

[naam 1] en Agrarisch Bedrijf [naam 2] B.V., te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: [naam 3] ),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2014 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellanten voor het jaar 2011 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) herberekend en lager vastgesteld.

Bij besluit van 13 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016.Voor appellanten zijn verschenen [naam 1] en hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 4] .

Overwegingen

1. Verweerder heeft de aan appellanten toegekende bedrijfstoeslag 2011 verlaagd, vanwege een gedeeltelijke afkeuring van het door appellanten opgegeven oppervlakte van perceel 14. In plaats van de door appellanten opgegeven 2,61 hectare heeft verweerder de in aanmerking te nemen oppervlakte vastgesteld op 1,44 hectare.

2. Appellanten bestrijden niet dat de in aanmerking te nemen oppervlakte van perceel 14 1,44 hectare is. Appellanten voeren evenwel aan dat zij in 2009 2,0 hectare hebben opgegeven als oppervlakte van perceel 14, maar dat verweerder dit toen heeft gewijzigd in 2,61 hectare. Omdat er feitelijk niets veranderd was hebben appellanten ook voor de volgende jaren een oppervlakte van 2,61 hectare opgegeven voor perceel 14. Appellanten stellen dat, ook al heeft verweerder in 2009 een fout gemaakt, zij erop mochten vertrouwen het juiste oppervlakte te hebben opgegeven en dat zij er geen weet van konden hebben dat het door hen opgegeven oppervlakte niet klopte. Appellanten beroepen zich expliciet op artikel 80, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (Verordening 1122/2009). In dit artikellid is bepaald dat de terugbetalingsverplichting niet geldt indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde autoriteit of van een andere autoriteit en indien de landbouwer de fout redelijkerwijs niet zelf had kunnen ontdekken.

3. Het standpunt van appellanten dat er sprake is van een fout van verweerder die zij redelijkerwijs niet zelf hadden kunnen ontdekken treft geen doel. Voorop staat dat appellanten bij het invullen van de aanvraag voor bedrijfstoeslag elk jaar de oppervlakte van bij hen in gebruik zijnde percelen dienen aan te geven, waarbij zij er niet zondermeer vanuit mogen gaan dat de oppervlakte van een perceel elk jaar hetzelfde is. Zij hadden zich moeten realiseren dat in 2011 de oppervlakte van perceel 14 anders kon zijn dan de in 2009 door verweerder vastgestelde oppervlakte. Zeker nu appellanten in 2009 voor perceel 14 een oppervlakte hadden opgegeven van 2.0 hectare, en er geen uitgebreide discussie voorafgegaan is aan het gewijzigd vaststellen van de oppervlakte van perceel 14 door verweerder. Daarnaast hebben appellanten op de zitting aangegeven dat perceel 14 eigenschappen had die het moeilijk maakten om vast te stellen welk deel van het perceel gebruikt kon worden en als subsidiabele oppervlakte opgegeven konden worden. De verantwoordelijkheid voor het doen van een juiste opgave ligt bij de aanvrager, die zelf immers weet hoe en welk deel van het perceel wordt gebruikt. Het beroep slaagt niet.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2016.

w.g. H. Bolt w.g. M.B. van Zantvoort