Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:401

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
16/91 tm 16/101 en 16/103
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

verzet, HBAG-heffingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/91 tot en met 16/101 en 16/103

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2016 op het verzet van

[naam] B.V., te [plaats] en andere, appellanten in verzet

(gemachtigden: mr. A.J. Braakman en mr. drs. M. van der Laarse).

Procesverloop

Appellanten in verzet hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van

HBAG-heffingsbesluiten over het jaar 2009 door de Minister van Economische Zaken.

Bij uitspraak van 21 juni 2016 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

Appellanten in verzet hebben tegen deze uitspraak verzet gedaan en hebben verzocht te worden gehoord. Het horen ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. Appellanten in verzet zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. drs. van der Laarse.

Overwegingen

1. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, betreft uitsluitend de vraag, of het College ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens - in dit geval - kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep.

2. Het College heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat van een situatie in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb geen sprake is. Daartoe heeft het College overwogen dat van een ambtshalve verplichting om een heffingsbesluit te nemen (aanslag op te leggen) op grond van de - onder rechtsoverweging 5.1. van de uitspraak van 21 juni 2016 - aangehaalde bepalingen van de toepasselijke verordeningen, geen sprake is. Voorts heeft het College overwogen dat verweerder op het moment dat appellanten in verzet de ingebrekestelling hebben gedaan niet in gebreke was, zodat geen grondslag voor een geldige ingebrekestelling bestond en daarom ingevolge

artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb geen beroepschrift kon worden ingediend. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat de ingebrekestelling is gedaan tegelijkertijd met de aanvraag tot het nemen van heffingsbesluiten, derhalve op het moment dat de termijn voor het nemen van een besluit op deze aanvraag als bedoeld in

artikel 4:13, eerste lid, van de Awb aanving. Vorenstaande overwegingen komen er op neer dat het College heeft geoordeeld dat het beroep van appellanten tegen het niet tijdig nemen van HBAG-heffingsbesluiten prematuur is ingediend.

3. Appellanten in verzet hebben tegen de uitspraak van 21 juni 2016 onder meer aangevoerd dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van het oordeel dat voor de beoordeling of sprake is van een ambtshalve verplichting een heffingsbesluit te nemen, moet worden uitgegaan van de in de uitspraak aangehaalde bepalingen van de toepasselijke verordeningen.

4. Het College stelt vast dat het bestuur van het Productschap Tuinbouw bij besluit van 30 maart 2010 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2009 heeft gewijzigd (Wijziging I Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2009, hierna: Wijziging I). In de toelichting bij deze wijziging is hieromtrent voor zover van belang het volgende vermeld:

“Het productschap Tuinbouw legt aan zijn bedrijfsgenoten op grond van de Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten geen HBAG-heffing op. Uit de in de verordening genoemde percentages zijn daaromtrent de HBAG-componenten verwijderd.”


Uit de uitspraak van 21 juni 2016 blijkt niet dat het College zich daarin rekenschap heeft gegeven van Wijziging I. De in die uitspraak weergegeven bepalingen uit de Verordening bloemkwekerijproducten 2009 en de Verordening HBAG heffing bloemen en planten 2009 wekken naar het oordeel van het College juist de indruk dat tot uitgangspunt is genomen dat de HBAG-heffingen voor het jaar 2009 nog wel door het Productschap Tuinbouw konden worden geïnd. Nu Wijziging I in de weg staat aan dit uitgangspunt rechtvaardigen de in de uitspraak van 21 juni 2016 aangehaalde bepalingen van de betreffende verordeningen op zichzelf niet de conclusie dat geen sprake is van een ambtshalve verplichting om een

HBAG-heffingsbesluit te nemen. In deze zaak is zonder nader onderzoek bovendien onduidelijk gebleven wat de juridische grondslag voor het nemen van

HBAG-heffingsbesluiten over 2009 zou zijn.

5. Gelet op het hiervoor overwogene dient het verzet gegrond te worden verklaard.

6. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan. Het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich bevond. Bij dit onderzoek zal tevens worden betrokken het primaire besluit van 10 maart 2016 van de Minister van Economische Zaken in samenhang met artikel 6:20, derde lid, van de Awb.

Beslissing

Het College verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. R.W.L. Koopmans en

mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2016.

w.g. R.R. Winter w.g. L. van Gulick