Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:39

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
13/585
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Indalen vlas en zaaizaad in toeslagrechten. Geen aanvraag. Artikel 55, Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/585

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2016 in de zaak tussen

De rechtspersoon naar buitenlands recht [naam] BVBA, te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en ir. J.A.F. van de Wijnboom).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om vaststelling van toeslagrechten op basis van referentiegegevens met betrekking tot vezelvlas en zaaizaad afgewezen op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 19 mei 2015 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2015. Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen van andere appellanten tegen besluiten van verweerder, geregistreerd onder nummers 13/576 tot en met 13/584. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na de zitting heeft het College de behandeling van enerzijds de zaken 13/576, 13/578, 13/580, 13/581 en 13/583, en anderzijds de daarvan te onderscheiden zaken 13/577, 13/579, 13/582, 13/584 en 13/585 gesplitst en bepaald dat daarin afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1.1

Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (Verordening 1122/2009) luidde ten tijde en voor zover van belang als volgt:

“Artikel 10 - Algemene bepalingen inzake de verzamelaanvraag
1. De lidstaten kunnen besluiten dat alle steunaanvragen op grond van de titels III en IV van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden opgenomen in de verzamelaanvraag. In dat geval zijn de hoofdstukken II tot en met V van de onderhavige titel van overeenkomstige toepassing wat de bijzondere voorwaarden betreft die voor het aanvragen van steun op grond van de betrokken regelingen zijn vastgesteld. (…)

Artikel 15 - Toewijzing of verhoging van toeslagrechten
1. Aanvragen tot toewijzing of, in voorkomend geval, verhoging van toeslagrechten in het kader van de bedrijfstoeslagregeling worden ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum, doch niet later dan op 15 mei in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, van integratie van gekoppelde steun, van toepassing van de artikelen 46, 47 en 48 van Verordening (EG) nr. 73/2009 of in de jaren van toepassing van de artikelen 41, 57 of artikel 68, lid 1, onder c), van die verordening. (…)
2. De lidstaten mogen beslissen dat de aanvraag tot toewijzing van de toeslagrechten op hetzelfde moment mag worden ingediend als de aanvraag tot betaling in het kader van de bedrijfstoeslagregeling.”

1.2

De Regeling, zoals gewijzigd bij de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 4 februari 2011, nr. 181279 (Stcrt. 2011, nr. 2085,
8 februari 2011), luidde voor zover en ten tijde hier van belang, als volgt.

“Artikel 13
Ter zake van de integratie van de gekoppelde steun voor de productie van zaaizaad van vezelvlas, verhoogt de minister overeenkomstig artikel 65 van verordening 73/2009 de waarde van toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2012 in eigendom hebben, of wijst de minister nieuwe toeslagrechten aan landbouwers toe, volgens de berekening, opgenomen in bijlage 9, punt 2.

Artikel 14
Ter zake van de integratie van de gekoppelde steun voor de verwerking van vezelvlas of hennep, verhoogt de minister overeenkomstig artikel 64 van verordening 73/2009 de waarde van toeslagrechten die landbouwers op 15 mei 2012 in eigendom hebben, of wijst de minister nieuwe toeslagrechten aan landbouwers toe, volgens de berekening, opgenomen in bijlage 9, punt 3.

Artikel 55
1. (…)
2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.
3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.
(…)
11. Landbouwers vragen om toepassing van de artikelen 12 tot en met 15 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0019131/geldigheidsdatum_15-05-2012) en artikel 15b (http://wetten.overheid.nl/BWBR0019131/geldigheidsdatum_15-05-2012) door het indienen van de verzamelaanvraag.
12. (…)
13. Landbouwers die geen toeslagrechten in eigendom hebben op 15 mei 2012 vragen om toepassing van de artikelen 12 tot en met 15 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0019131/geldigheidsdatum_15-05-2012), door het indienen van de verzamelaanvraag waarin zij tevens verzoeken om de uitbetaling van bedrijfstoeslag.”

2.1

Bij brief van 17 december 2012 heeft appellante verweerder verzocht om met ingang van 2012 toeslagrechten vast te stellen voor door haar in 2008 geteeld vezelvlas en zaaizaad.

2.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder beslist dat voor appellante geen referentiegegevens kunnen worden vastgesteld voor verwerkingssteun van vezelvlas en hennep, nu hiervoor dient te worden uitgegaan van de voor dit gewas opgegeven oppervlakte in de Gecombineerde Opgave van 2008 en hij van appellante geen Gecombineerde Opgave 2008 heeft ontvangen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich hierbij primair op het standpunt dat op grond van artikel 55, twaalfde lid, van de Regeling de landbouwer die op 15 mei 2012 geen toeslagrechten in eigendom heeft en het referentiebedrag vezelvlas en zaaizaad wenst te ontvangen, dit moet aanvragen door middel van de indiening van een verzamelaanvraag waarin om de uitbetaling van bedrijfstoeslag wordt verzocht. Op grond van artikel 55, tweede en derde lid, van de Regeling moet de verzamelaanvraag uiterlijk 15 mei 2012 worden ingediend met gebruikmaking van het hiertoe vastgestelde formulier. Aangezien appellante in 2012 geen Gecombineerde Opgave heeft ingediend, voldoet zij niet aan het vereiste om in aanmerking te komen voor de vaststelling van toeslagrechten voor de in 2008 ontvangen gekoppelde steun voor vezelvlas en zaaizaad overeenkomstig de artikelen 64 en 65 van Verordening (EG) nr. 73/2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009). Zij komt daarom volgens verweerder niet in aanmerking voor het vaststellen van een referentiebedrag en daarmee voor toeslagrechten voor vezelvlas en zaaizaad. Verweerder heeft subsidiair betoogd dat de artikelen 13 en 14 van de Regeling niet in strijd zijn met artikel 64 en 65 van Verordening 73/2009.

4. Appellante heeft – kort samengevat – de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. De artikelen 13 en 14 van de Regeling zijn in strijd met de artikelen 64 en 65 van Verordening 73/2009. In verband hiermee heeft zij het College verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Appellante stelt verder dat de Regeling ook in strijd is met het Europees recht, omdat de Regeling concurrentievervalsend is en verstoring van de interne markt in de hand werkt. Verweerder heeft het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door niet goed uit te zoeken wat de gevolgen van de Regeling zijn voor vlasverwerkers. Appellante dient, voor zover nodig, in de gelegenheid te worden gesteld om alsnog een Gecombineerde Opgave 2012 in te dienen.

5.1

Het College stelt vast dat verweerder zijn hiervoor in 3 weergegeven primaire standpunt heeft gebaseerd op artikel 55, twaalfde lid, van de Regeling, zoals deze bepaling gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Die bepaling is identiek aan die welke was neergelegd in artikel 55, dertiende lid van de Regeling (zie 1.2), zoals deze gold in de periode van 1 april 2012 tot en met 15 mei 2012 waarin op grond van dat artikel met ingang van 2012 een aanvraag voor de vaststelling van toeslagrechten voor de in 2008 ontvangen gekoppelde steun voor zaaizaad en vezelvlas kon worden ingediend. Naar het oordeel van het College ligt het in de rede om voor de beoordeling van de wijze waarop appellante haar aanvraag voor deze toeslagrechten moest indienen, aan te sluiten bij de wettelijke regels, zoals die golden in de periode waarin een dergelijke aanvraag moest worden ingediend. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit niet mocht uitgaan van artikel 55, twaalfde lid, van de Regeling, zoals deze bepaling gold ten tijde van het nemen van dat besluit, maar had moeten uitgaan van artikel 55, dertiende lid, voormeld. Het College ziet hierin, gelet op artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit, omdat sprake is van gelijkluidende wettelijke bepalingen en dus niet aannemelijk is dat appellante door de vermelding van artikel 55, twaalfde lid, van de Regeling in plaats van bedoeld dertiende lid, is benadeeld.

5.2

Verweerder heeft de aanvraag om toeslagrechten voor vezelvlas en zaaizaad geïntegreerd in de Gecombineerde Opgave 2012, hetgeen naar het oordeel van het College grondslag vindt in de artikelen 10, eerste lid in verbinding met artikel 15, eerste en tweede lid van Verordening 1122/2009 en de artikelen 13, 14 en 55, dertiende lid, van de Regeling voornoemd. Vast staat dat appellante geen Gecombineerde Opgave 2012 heeft ingediend bij verweerder. Niet in geschil is voorts dat appellantes brief van 17 december 2012 niet als zodanig kan gelden. Voor zover appellante verzoekt om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om een Gecombineerde Opgave 2012 in te dienen, moet worden geoordeeld dat appellante hierin niet kan worden gevolgd Het College dient het bestreden besluit te beoordelen naar de feiten zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Bepalend is daarom dat op dat tijdstip een dergelijk verzoek niet was gedaan. Overigens diende ingevolge artikel 15 van Verordening 1122/2009 de aanvraag uiterlijk
15 mei 2012 te worden ingediend.

5.3

Nu appellante geen Gecombineerde Opgave 2012 heeft ingediend, is geen sprake van een aanvraag om vaststelling van toeslagrechten voor vezelvlas en zaaizaad. Dit betekent dat verweerder reeds hierom terecht heeft beslist dat appellante niet in aanmerking komt voor het vaststellen van een referentiebedrag en daarmee voor toeslagrechten voor vezelvlas en zaaizaad. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Aan de bespreking van die gronden komt het College dan ook niet toe. Het College ziet reeds daarom geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in verband met artikel 64 en 65 van Verordening 73/2009.

6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. A. Venekamp en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2016.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.M. Leliveld