Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:385

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
15/800
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2014. Landbouwgrond. Berm

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/800

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2016 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. R. Ligtvoet),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Vries en drs. J.H. Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2014 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 2 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2014 vastgesteld op € 11.603,43 op basis van een goedgekeurde perceelsoppervlakte van 41.90 hectare.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door appellant tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de door appellant opgegeven percelen 3, 6 en 30 niet volledig subsidiabel zijn en de percelen 18 en 29 in het geheel niet subsidiabel zijn. Perceel 6 wordt sinds mei 2014 voor een deel gebruikt als parkeerplaats en kent daarmee voor een deel een recreatieve functie. Perceel 30 betreft voor een gedeelte een berm en heeft hoofdzakelijk een verkeerskundige functie. Appellant heeft de percelen 3, 18 en 29 opgegeven met de gewascode 265, blijvend grasland. Volgens verweerder kan perceel 3 niet in het geheel worden aangemerkt als blijvend grasland en kunnen de percelen 18 en 29 in het geheel niet worden aangemerkt als blijvend grasland, omdat er in overwegende mate geen gras op staat. Dit komt naar alle waarschijnlijkheid door de natuurlijke omstandigheden zoals getijde, neerslag of grondwaterstand. Hierdoor is het produceren van landbouwproducten tevens niet mogelijk en is voorts geen sprake van een voedergewas. Gelet hierop kan niet van een groter subsidiabel perceeloppervlakte worden uitgegaan dan waarvan verweerder in het primaire besluit is uitgegaan.

3. Appellant heeft, kort samengevat, aangevoerd dat verweerder de percelen 3, 6, 18, 29 en 30 ten onrechte niet of niet geheel heeft aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. Volgens appellant moet daarom van een groter subsidiabel perceeloppervlakte worden uitgegaan.

4. Het College komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van
19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009), zoals deze ten tijde en voor zover hier van belang gold, wordt de steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling aan landbouwers toegekend na activering van een toeslagrecht per subsidiabele hectare. Onder subsidiabele hectare wordt ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dat artikel verstaan: om het even welke landbouwgrond van het bedrijf (…), die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. De betrokken hectaren moeten op om het even welk moment in een kalenderjaar aan de subsidiabiliteitsvoorwaarde voldoen.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder h, van deze verordening is landbouwgrond grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of voor de teelt van blijvende gewassen.

4.2

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van
29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 1120/2009) worden de begrippen “bouwland”, “blijvende teelten”, “blijvend grasland” en “grasland” gedefinieerd.

4.3

In artikel 2, aanhef en onder 1, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (Verordening 1122/2009) is bepaald dat onder perceel landbouwgrond moet worden verstaan een aaneengesloten stuk grond dat door één landbouwer is aangegeven en dat niet meer dan één enkele gewasgroep omvat; in het geval echter dat in het kader van de onderhavige verordening een afzonderlijke aangifte van het gebruik van een oppervlakte binnen een gewasgroep nodig is, wordt het perceel landbouwgrond, indien noodzakelijk, verder begrensd door dat specifieke gebruik; de lidstaten mogen aanvullende criteria vaststellen voor een verdere afbakening van een perceel landbouwgrond.

4.4

Ingevolge artikel 21a, vierde lid, van de Regeling komt, indien naar het oordeel van de minister blijkt dat een perceel geheel of ten dele kennelijk niet voor de uitvoering van de landbouw wordt gebruikt of beschikbaar gehouden, de desbetreffende oppervlakte niet in aanmerking als subsidiabele landbouwgrond, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van Verordening 73/2009.

Met ingang van 1 april 2011 is aan de Beleidsregels inzake de toepassing van artikel 68 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Beleidsregels) een artikel 5a toegevoegd, waarin onder b1 wordt aangegeven dat niet als ‘voor de uitvoering van de landbouw gebruikt of beschikbaar gehouden’ wordt beschouwd een perceel dat hoofzakelijk een verkeerskundige of infrastructurele functie kent, zoals bermen langs geasfalteerde of verharde doorgaande wegen.

4.5.

Ter zitting van het College heeft appellant zijn beroepsgrond dat verweerder perceel 6 ten onrechte niet in het geheel als voor landbouwactiviteiten geschikte grond heeft aangemerkt ingetrokken, zodat het College deze beroepsgrond verder buiten beschouwing zal laten.

4.6.1.

Met betrekking tot perceel 30 heeft appellant aangevoerd dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het perceel gedeeltelijk als berm moet worden aangemerkt en de kenmerken van voor landbouwdoeleinden ongeschikte grond heeft. Appellant heeft er op gewezen dat het perceel uit grasland bestaat dat in 2014 nog is gemaaid en ook door hem is gebruikt, zodat op het perceel sprake is geweest van landbouwactiviteiten.

4.6.2.

Verweerder heeft zich ten aanzien van perceel 30 op het standpunt gesteld dat hij het door appellant opgegeven perceel niet volledig kan aanmerken als subsidiabele landbouwgrond, omdat het afgekeurde gedeelte van 0.05 hectare een berm betreft en om die reden hoofdzakelijk een verkeerskundige of infrastructurele functie kent. Verweerder heeft de luchtfoto’s van het betreffende perceel beoordeeld en heeft gezien dat de afgewezen grond niet overwegend voor de uitvoering van de landbouw wordt gebruikt. Dit blijkt uit: de ligging van het perceel naast de weg; de geringe omvang van het afgewezen deel; de zichtbare maaigrens; de aanwezigheid van verkeersborden; de aanwezigheid van verrommelde grond en de vergelijking met de intekening van het naastgelegen perceel 6.

4.6.3.

Het College overweegt als volgt. Niet in geschil is dat het hier gaat om een perceel blijvend grasland dat wordt gebruikt voor landbouwactiviteiten, nu het perceel door appellant wordt gemaaid. Het gaat daarom om landbouwgrond. Het College heeft eerder overwogen dat het verweerder in beginsel vrij staat om ten behoeve van zijn beschikkingenpraktijk categorieën van percelen te benoemen die naar zijn mening geen subsidiabele hectares opleveren omdat zij (in de regel) ongeschikt zijn voor de uitoefening van enige landbouwactiviteit (uitspraken van 25 mei 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW6992 en
13 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ6298). Dat neemt niet weg dat verweerder in voorkomend geval aannemelijk zal moeten maken dat het door appellant opgegeven perceel en meer in het bijzonder het door verweerder afgekeurde gedeelte ervan inderdaad de kenmerken van een berm of voor landbouwdoeleinden ongeschikte grond heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2014, ECLI:NL:CBB:2014:230). Naar het oordeel van het College is verweerder hierin niet geslaagd. Een (gedeelte van een) perceel grond dat direct naast een weg gelegen is kan niet reeds daarom geacht worden ten dienste daarvan te staan en dus kennelijk niet voor de uitvoering van de landbouw gebruikt of beschikbaar gehouden te worden (zie de uitspraak van 25 mei 2012, hiervoor aangehaald). Wat betreft de maaigrens heeft appellante ter zitting van het College verklaard dat de op de luchtfoto’s zichtbare maaigrens een gevolg is van het op verschillende tijden in het jaar maaien van gedeeltes van het perceel. Verweerder heeft ter zitting van het College verklaard dit niet onaannemelijk te vinden. Op zich zelf genomen biedt de maaigrens reeds hierom dus geen antwoord op de vraag tot waar het perceel als berm dient te gelden. Verweerder heeft verder niet gemotiveerd waarom en in hoeverre de aanwezigheid van de verkeersborden aan de rand van het afgekeurde gedeelte van het perceel en de al dan niet verrommelde grond appellant hinderen bij zijn landbouwactiviteiten op het afgekeurde gedeelte van het perceel. De verwijzing van verweerder naar het naastgelegen perceel 6 kan verweerder voorts niet baten. Dit perceel heeft, zoals appellant ter zitting van het College heeft toegelicht en zoals ook uit de luchtfoto’s van het perceel blijkt, aan de rand een steile helling waardoor dat perceel voor een gedeelte niet voor landbouwdoeleinden kan worden gebruikt en om die reden ook niet door appellant is ingetekend. Perceel 30 heeft een dergelijk steile helling niet, zodat van een vergelijkbare situatie geen sprake is.

4.6.4

Dit betekent dat het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond treft dus doel.

4.7.1.

Wat betreft de percelen 3, 18 en 29 heeft appellant aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze percelen (gedeeltelijk) niet als landbouwgrond zijn aan te merken, omdat de percelen zijn gelegen in een natuurgebied dat in de zomer voor 60% en in de winter voor 80% uit water bestaat en er op de luchtfoto’s van de percelen zo goed als geen begroeiing valt te zien. Volgens appellant valt op de door hem overgelegde foto’s van de percelen goed te zien dat op de percelen in overwegende mate gras staat. Ook heeft appellant in de zomermaanden van 2014 jongvee op de percelen laten grazen. De percelen bestaan, anders dan waar verweerder van uitgaat, in de zomer voor ongeveer 70% uit grasland en in de winter voor ongeveer 30% uit grasland.

4.7.2.

Deze beroepsgrond faalt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de percelen 3, 18 en 29 niet (geheel) als landbouwgrond zijn aan te merken. Op de door verweerder van deze percelen overgelegde foto’s valt duidelijk te zien dat het afgekeurde gedeelte van perceel 3 en de percelen 18 en 29 hoofdzakelijk onder water staan en dat de aanwezige begroeiing zeer gering is. De percelen zijn gelegen in een natuurgebied dat gedurende het jaar verschillende waterstanden kent en bij stijging van het waterpeil komen gedeeltes van de percelen snel en geregeld onder water te staan. Anders dan de door verweerder overgelegde foto’s, bevatten de door appellant overgelegde foto’s geen overzicht van de percelen, maar slechts gedeeltes land waarop begroeiing is te zien, terwijl niet duidelijk is waar die foto’s precies zijn gemaakt. Ook anderszins heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder afgekeurde delen van de percelen niet onder water komen te staan en/of dat daarop sprake is van blijvend grasland. De omstandigheid dat appellant in de zomermaanden van 2014 jongvee heeft laten grazen op de percelen maakt het voorgaande niet anders.

5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Zonder aanvullend onderzoek naar de feiten, kan het College niet vaststellen hoe de nieuwe beslissing op bezwaar zal luiden. Gelet op de aard en de duur van het benodigde onderzoek, zal het College thans volstaan met een opdracht aan verweerder om binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor in beroep verleende rechtsbijstand.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen 12 weken opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 992,-;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. S.M. van Ditmarsch als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 november 2016.

w.g. A. Venekamp w.g. S.M. van Ditmarsch