Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:377

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
14/219
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht: controle van jaarrekening, onvoldoende grondslag voor een goedkeurende verklaring omdat het onjuiste uitgangspunt in het taxatierapport inzake de grondpositie onopgemerkt is gebleven; artikel 2:389 BW biedt geen aanknopingspunt voor het opnemen van een wettelijke reserve na verhanging deelneming binnen de groep; de accountant had actief en kritisch inlichtingen moeten vragen over de aandeelhouders(verhoudingen) binnen de groep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/2337
AR 2016/3710
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/219

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] RA, te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. F.C.M. van de Velden),

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 maart 2014, gegeven op een klacht, op 22 november 2012 door

Accountantskantoor [naam 2] B.V. ( [naam 2] ) ingediend tegen appellant.

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 maart 2014, met nummer 12/2451 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2014:22.

[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. G. Kattenberg. [naam 2] werd vertegenwoordigd door [naam 3] RA. Aan de zijde van [naam 2] is eveneens verschenen [naam 4] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 2] treedt op als vertegenwoordiger van diverse concurrente crediteuren van de failliete vennootschap Vannel Bouwbedrijf B.V. ( Vannel ). Vannel maakte onderdeel uit van een groep. Aan het hoofd van deze groep stond tot medio 2010 LHO Beheer B.V. ( LHO ), daarna Lips Participations B.V. ( Lips Participations ). Lips Participations hield eind 2010 70% van de aandelen in Lavaredo Holding B.V. ( Lavaredo Holding ). De overige 30% waren in bezit van Beleggings en Beheersmaatschappij De Kamillelaar B.V. Lavaredo Holding heeft diverse dochterondernemingen, waaronder Vannel en Lavaredo Bouw & Vastgoed B.V. ( Lavaredo Bouw & Vastgoed ). Lavaredo Bouw & Vastgoed was tot 11 maart 2009 enig aandeelhouder van Veldhoven Habraken B.V. ( Veldhoven Habraken ).

1.3

Nagenoeg het enige actief van Veldhoven Habraken was een stuk grond van 61.555 m2 op het terrein Habraken in Veldhoven . Veldhoven Habraken heeft dit stuk grond in 2002 gekocht voor € 1.004.072,-. Op 14 februari 2006 heeft de gemeente Veldhoven (de gemeente) de bestemming gewijzigd van akkerbouw in bedrijfsdoeleinden. Deze bestemmingswijziging is na een procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onherroepelijk geworden.

1.4

De bestemmingswijziging was voor het bestuur van Veldhoven Habraken aanleiding de grond niet langer te waarderen tegen kostprijs, maar op basis van de actuele waarde. De actuele waarde werd door het bestuur vastgesteld op € 3.077.500,-. Naar aanleiding van deze herwaardering van de grond heeft het bestuur in de jaarrekening 2006 een herwaarderingsreserve opgenomen van € 1.544.704,-

1.5

In de jaarrekening 2007 heeft het bestuur de waarde van de grond bijgesteld naar € 3.400.000,- onder gelijktijdige aanpassing van de herwaarderingsreserve naar een bedrag van € 1.784.966,-. Deze aanpassing is gedaan naar aanleiding van een door Savills Taxaties ( Savills ) in opdracht van het bestuur uitgevoerde taxatie per 30 september 2008 en de gemeentelijke gronduitgifteprijs van € 167,-, welke de gemeente aan het bestuur had meegedeeld tijdens een bespreking op 18 september 2008.

1.6

Vannel heeft op 11 maart 2009 de aandelen in Veldhoven Habraken van Laveredo Bouw & Vastgoed gekocht tegen de nettovermogenswaarde van € 1.794.837. Het bestuur van Vannel heeft de verkregen deelneming verantwoord tegen de verkrijgingsprijs. Met de transactie waren geen kasstromen gemoeid. De met de transactie samenhangende vordering van Lavaredo Bouw & Vastgoed op Vannel heeft Laveredo Bouw & Vastgoed gecedeerd aan Lavaredo Holding , die op haar beurt daarna de vordering omzette in agio. De agio is als agioreserve verantwoord in de jaarrekening van Vannel . Het bestuur van Vannel heeft in de toelichting opgenomen dat de agioreserve kan worden aangemerkt als vrij agio in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting. In de jaarrekening 2010 heeft Vannel de deelneming Veldhoven Habraken verantwoord tegen de nettovermogenswaarde van € 1.792.335,-.

1.7

Appellant was de controlerend accountant van Lavaredo Holding en Vannel . Hij heeft op 22 juni 2011 een goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekening 2010 van Vannel en bij de (geconsolideerde en enkelvoudige) jaarrekening van Lavaredo Holding afgegeven.

1.8

Vannel is op 7 februari 2012 op eigen aangifte failliet verklaard. Op 6 maart 2012 zijn Lavaredo Holding , Laveredo Bouw & Vastgoed en Veldhoven Habraken eveneens in staat van faillissement komen te verkeren.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

A) Appellant heeft ten onrechte een goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekening 2010 van Vannel afgegeven, omdat in de jaarrekening de financiële positie van Vannel te positief was weergegeven doordat de deelneming Veldhoven Habraken daarin voor een (materieel) te hoog bedrag was opgenomen. Appellant heeft in dit verband:

I. zich bij de controle van de waardering van de grond gebaseerd op onjuiste informatie, nu daarbij ten onrechte buiten beschouwing is gelaten dat uit het Kadaster blijkt dat de grond de bestemming akkerbouw heeft en de waarde van de grond hierdoor materieel te hoog is bepaald;

II. over ontoereikende controle-informatie beschikt ten aanzien van de waardering van de grond;

III. ten onrechte goedgekeurd de beslissing van het bestuur van Vannel om de agioreserve, die is ontstaan bij de verkrijging van de aandelen in Veldhoven Habraken , niet als wettelijke reserve deelneming aan te merken.

[…]

G) Appellant heeft niet geconstateerd dat ten onrechte is vermeld dat de aandelen van Lavaredo Holding voor 70% in handen waren van LHO Beheer ; deze aandelen werden in werkelijkheid gehouden door Lips Participations , die dat 70% belang in Lavaredo Holding in 2010 onmogelijk met € 18.000,- gestort aandelenkapitaal kan hebben betaald.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen A en G gedeeltelijk gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Bij het opleggen van de maatregel heeft de accountantskamer rekening gehouden met de aard en de ernst van de verzuimen van appellant en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan en met een eventuele eerdere tuchtrechtelijke veroordeling. Een en ander overziend heeft de accountantskamer de maatregel van berisping passend en geboden geacht.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. Het College stelt voorop dat de omvang van het geschil in hoger beroep wordt bepaald door de beroepsgronden ingediend door appellant. Appellant heeft in zijn beroepsgronden aangegeven dat het hoger beroep zich richt tegen de beoordeling van de klachtonderdelen die door de accountantskamer gegrond zijn verklaard. Het voorgaande betekent dat voor zover [naam 2] in de reactie op het hogerberoepschrift en met het betoog ter zitting buiten de aldus bepaalde grenzen van het geschil is getreden, het College die stellingnamen buiten beschouwing zal laten.

4.1

De eerste grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel A, onder II, dat appellant niet over toereikende controle-informatie beschikte met betrekking tot de waardering van de grondpositie van Veldhoven Habraken . De accountantskamer heeft in 4.6.6 van bestreden uitspraak geoordeeld dat appellant zich, teneinde een gefundeerde mening te kunnen hebben over de aanvaardbaarheid van de waardebepaling van de grond van Veldhoven Habraken , expliciet had moeten afvragen of er een reële kans bestond dat het ‘‘optimale’’ ontwikkelingsscenario, waarvan Savills in haar taxatierapport van 23 oktober 2008 was uitgegaan, op korte termijn werkelijkheid kon worden. Daartoe diende appellant naar het oordeel van de accountantskamer niet alleen de beschikking te hebben over de prijzen van door de gemeente uitgegeven en uit te geven grond en acht te slaan op de verkoop en levering van vergelijkbare percelen, maar diende hij ook zicht te hebben op de feitelijke ontwikkeling van het ‘Bedrijventerrein Habraken ’ en op het tempo waarin deze zich sedert het onherroepelijk worden van de bestemming bedrijfsdoeleinden had voltrokken teneinde een verantwoorde inschatting te kunnen maken van de te verwachten ontwikkeling. Met het oog daarop had appellant zich dienen te wenden tot de gemeente. Deze benadering was te meer aangewezen gezien het ten tijde van de beoordeling van appellant nog steeds voortduren van de kredietcrisis. De accountantskamer heeft voorts overwogen dat nu bij appellant en kennelijk ook bij de door hem ingeschakelde deskundige [naam 13] ( [naam 13] ) het eerder bedoelde inzicht ontbrak, het oordeel van appellant over de aanvaardbaarheid van de waardebepaling van de grond door het bestuur van Vannel ontoereikend is. De accountantskamer heeft geconcludeerd dat nu het ging om informatie van materieel belang, er onvoldoende grondslag was voor het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening van Vannel voor het jaar 2010.

4.2

Appellant bestrijdt in hoger beroep dat hij over onvoldoende controle-informatie beschikte voor het afgeven van een goedkeurende verklaring. In zijn beroepschrift en ter zitting heeft appellant (nogmaals) toegelicht dat hij kennis heeft genomen van diverse documenten, namelijk de interne waardering van de grond door het bestuur, het kadastraal uittreksel van 14 februari 2011, het gewijzigde bestemmingsplan, de Officiële bekendmakingen van de gemeente van 4 april 2011 waarin de grondprijzen voor de periode 1 april 2011 tot en met 1 april 2012 in vergelijking met de periode daarvoor stonden vermeld, het taxatierapport van Savills van 23 oktober 2008, de beoordeling van [naam 13] van de gehanteerde uitgangspunten bij het taxatierapport van Savills en de daaraan mede ten grondslag liggende documenten, en de ‘Letter of Representation’ (LoR) van 22 juni 2011. Appellant brengt tevens naar voren dat hij daarnaast de interne waardering door het bestuur heeft geëvalueerd en nagerekend en dat hij de ontwikkelingen rondom de grond en de belangstelling daarvoor in de markt met het bestuur heeft besproken. Hij heeft ook de taxatie door Savills van 23 oktober 2008 geëvalueerd en beoordeeld of de werkzaamheden van [naam 13] adequaat waren voor de beoordeling van de deugdelijkheid van de bij de taxatie gebruikte uitgangspunten. [naam 13] heeft bij de beoordeling van de door Savills gehanteerde uitgangspunten vastgesteld dat sprake was zogenaamde ‘warme grond’. Daarvan wordt volgens appellant gesproken indien direct of binnen afzienbare termijn een ontwikkeling op de grond kan worden gerealiseerd. Volgens appellant beschikte hij aldus over voldoende controle-informatie, ook ten aanzien van de feitelijke ontwikkelingen, zodat het raadplegen van de gemeente niet noodzakelijk was.

4.3

Het College is met appellant van oordeel dat voor het verkrijgen van inzicht in de feitelijke ontwikkelingen van het ‘Bedrijventerrein Habraken ’ niet noodzakelijk was dat hij zich tot de gemeente wendde. Inzicht in de feitelijke ontwikkelingen had appellant ook op andere wijze kunnen verkrijgen dan alleen door persoonlijk contact met de gemeente, bijvoorbeeld door het raadplegen van openbare bronnen zoals de structuurvisie en de algemene projectinformatie. In zoverre slaagt de eerste grief van appellant.

4.4

Het College is niettemin van oordeel dat de accountantskamer klachtonderdeel A, voor zover het ziet op de waardering van de grondpositie van Veldhoven Habraken , terecht gegrond heeft verklaard. Daartoe geldt het volgende.

4.5

Het taxatierapport van Savills dateert van 23 oktober 2008. Gelet op de wereldwijde economische crisis waarvan sinds 2008 sprake was, kon er niet zonder meer van uitgegaan worden dat een taxatierapport uit 2008 een deugdelijke grondslag kon bieden voor de waardering van een grondpositie in 2010. Om te kunnen beoordelen of de waardebepaling door Savills aanvaardbaar was voor de waardering van de grondpositie in de jaarrekening voor het jaar 2010 had appellant zich ervan moeten vergewissen of de taxatie uit 2008 ook in 2010 nog voldoende representatief was. Dit geldt eens te meer nu Savills in 2008 reeds een waarschuwing had opgenomen in het taxatierapport in verband met de economische crisis. Niet gebleken is dat appellant nader heeft onderzocht of het taxatierapport nog steeds representatief was. Uit het dossier blijkt wel dat Savills in 2011 opnieuw de grondpositie heeft getaxeerd, maar deze taxatie heeft appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, niet bij de controle van de jaarrekening 2010 gebruikt.

4.6

Vaststaat dat de ontwikkeling van het ‘Bedrijventerrein Habraken ’, waartoe de grondpositie van Veldhoven Habraken behoorde, was verdeeld in ontwikkelfases. Uit de in het dossier aanwezige stukken en zoals ook door appellant ter zitting is bevestigd, bestond de grondpositie van Veldhoven Habraken uit 61.555 m2, waarvan 5000 m2 is gelegen in fase IIb van het project en de overige 56.555 m2 in fase IV. [naam 2] heeft er in het klaagschrift en in zijn reactie op het hogerberoepschrift terecht op gewezen dat in het taxatierapport van Savills van 23 oktober 2008 is opgenomen dat de getaxeerde grondpositie in projectfase II ligt. Dat betekent dat het uitgangspunt van de taxatie door Savills , namelijk dat het gaat om een grondpositie (geheel) gelegen in fase II, onjuist is. Naar het oordeel van het College gaat het hier om een fout die ook voor leken op het gebied van taxaties gemakkelijk te herkennen is aan de hand van de in het rapport opgenomen kadastrale kaart, de plankaart en de openbare projectinformatie. Het College constateert dat deze fout kennelijk niet door de door appellant ingeschakelde expert [naam 13] is onderkend en dat appellant deze fout ook niet heeft opgemerkt.

4.7

Het College volgt niet het betoog van appellant ter zitting dat Savills wel is uitgegaan van de juiste ligging van de grondpositie, dat wil zeggen voor een klein deel in fase IIb en voor het overige in fase IV, ondanks dat Savills dit niet zo heeft opgenomen in het rapport. Appellant heeft toegelicht dat hij uit gesprekken met de bestuurder van Vannel , de heer [naam 14] ( [naam 14] ), had begrepen dat het deel van de grondpositie in fase IIb een strategisch stuk grond was, omdat dit cruciaal was voor de ontsluiting van de rest van fase II en dat de gemeente in verband daarmee ook bereid was met Veldhoven Habraken te praten over ruil van kavels in fase IV met kavels in fase III. Dit alles komt volgens appellant ook tot uitdrukking op pagina 7 van het taxatierapport onder het kopje ‘Ontwikkelingsscenario, waarin is opgenomen:

‘Tevens gaan wij ervan uit dat de Gemeente zorgt voor een verkavelingsplan wat zoveel mogelijk recht doet aan de wensen van Lavaredo en dat de Gemeente bereid is op basis van meter voor meter grond te ruilen teneinde binnen de kavelverdeling naar optimalisatie te zoeken.’

Naar het oordeel van het College valt uit het taxatierapport niet op te maken dat Savills bij de taxatie rekening heeft gehouden met het feit dat de grondpositie voor het overgrote deel in fase IV lag. Uit de hierboven geciteerde passage kan niet afgeleid worden dat de gemeente ook daadwerkelijk bereid was om over te gaan tot het ruilen van kavels met Veldhoven Habraken en/of Lavaredo Bouw & Vastgoed . Bovendien zou het dan gaan om een nog onzekere situatie, de gevolgen waarvan door Savills niet tot uitdrukking zijn gebracht in het taxatierapport. De gesprekken die appellant naar eigen zeggen heeft gehad met [naam 14] over de locatie van het stuk grond en de (on)mogelijkheden tot ruil van kavels in fase IV met kavels in fase III, had dan ook juist aanleiding voor appellant moeten zijn om kritisch te kijken naar de door de externen gehanteerde uitgangspunten in termen van projectfases. Nu de taxatie was gebaseerd op een onjuist uitgangspunt, namelijk dat de grond behoorde tot projectfase IIb, heeft appellant de aanvaardbaarheid van de waardebepaling van de grond door het bestuur van Vannel ontoereikend gemotiveerd en bestond er onvoldoende grondslag voor het afgeven van een goedkeurende verklaring, zodat klachtonderdeel A in zoverre door de accountantskamer terecht gegrond is verklaard.

5.1

De tweede grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer in 4.6.7 van de bestreden uitspraak. Appellant heeft ten eerste aangevoerd dat de accountantskamer met haar oordeel dat in de jaarrekening van Vannel over 2010 een herwaarderingsreserve opgenomen had moeten worden en dat de opname van een agioreserve daarmee in strijd is en dat dit te meer klemt omdat een agioreserve wel en een herwaarderingsreserve niet tot de vrij uitkeerbare reserves behoort, buiten de omvang van de klacht is getreden.

5.2

Het College overweegt dat op pagina 5 van het klaagschrift de volgende passage is opgenomen:

‘Verder wordt agioreserve als belangrijkste onderdeel van het eigen vermogen van [ Vannel ] gepresenteerd. Hierdoor wordt feitelijk gesteld, dat de herwaarderingsreserve in Veldhoven Habraken B.V. fiscaal belastingvrij uitgekeerd kan worden. [Appellant] heeft deze wijze van presenteren geaccepteerd, waardoor het lijkt dat in de publicatiestukken 2010 van [ Vannel ] onomstotelijk vaststaat dat het agio uitgekeerd kon worden ’.

Met deze passage stelt [naam 2] – zo begrijpt het College – dat in de jaarrekening 2010 van Vannel een deel van het eigen vermogen gereserveerd, in de zin van beklemd, had moeten worden en dat appellant ten onrechte heeft geaccepteerd dat in de jaarrekening een vrij uitkeerbaar agio is opgenomen. Naar het oordeel van het College is de accountantskamer met haar beoordeling niet buiten de klacht getreden.

5.3

Appellant heeft inhoudelijk aangevoerd dat hij op goede gronden heeft geoordeeld dat het bestuur van Vannel in verband met de verkrijging van Veldhoven Habraken niet verplicht was het agio als een wettelijke reserve deelneming aan te merken. Aan de criteria daarvoor werd volgens appellant niet voldaan omdat op grond van artikel 2:389, zesde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een wettelijke reserve gevormd mag worden voor het aandeel dat de aandeelhouder heeft in de winst en in de rechtstreekse vermogensmutaties van de deelneming na verwerving. Daarvan was hier geen sprake. Het vormen van een herwaarderingsreserve was volgens appellant evenmin aan de orde omdat een herwaarderingsreserve wordt gevormd voor een opwaardering van een actief. Daarvan was bij Vannel geen sprake omdat niet sprake was van een opwaardering van een actief bij Vannel , aldus appellant.

5.4

Het College stelt voorop dat klachtonderdeel A.III ziet op twee in feite los van elkaar staande gebeurtenissen. De eerste gebeurtenis is de koop door Vannel van de deelneming Veldhoven Habraken tegen een schuld aan de verkopende partij Lavaredo Bouw & Vastgoed . Door deze transactie heeft Vannel de deelneming Veldhoven Habraken verworven en was Vannel aan Lavaredo Bouw & Vastgoed de koopprijs schuldig. Deze transactie had op zichzelf geen invloed op de positie van de schuldeisers van Vannel .

De tweede gebeurtenis is de omzetting van de vordering van Lavaredo Holding op Vannel – die Lavaredo Holding door middel van cessie had verworven – in agio. Hiermee heeft Lavaredo Holding om niet afgezien van betaling van haar vordering op Vannel en daarmede het eigen vermogen van Vannel met € 1.794.837 vergroot. Het College zal deze twee gebeurtenissen in het volgende afzonderlijk bezien.

5.5.1

Ten aanzien van de koop van de deelneming overweegt het College het volgende. Artikel 2:389, zesde lid, van het BW luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

‘De rechtspersoon houdt een reserve aan ter hoogte van zijn aandeel in het positieve resultaat uit deelnemingen en in rechtstreekse vermogensvermeerderingen sedert de eerste waardering overeenkomstig lid 2 of lid 3. (…)’

Het College is met appellant van oordeel dat de letterlijke tekst van voornoemde wetsbepaling, noch de RJ, een aanknopingspunt biedt om na overdracht van de deelneming Veldhoven Habraken aan Vannel , een wettelijke reserve deelneming te vormen bij Vannel . Van een waardevermeerdering van Veldhoven Habraken sinds de verkrijging van de deelneming door Vannel is immers geen sprake. In het kader van deze tuchtrechtelijke procedure moet geconstateerd worden dat appellant zich heeft gehouden aan de wet, zodat bezwaarlijk vol te houden is dat appellant in zoverre iets tuchtrechtelijk te verwijten zou zijn.

5.5.2

Ten aanzien van de omzetting van de vordering van (na cessie van de vordering aan) Lavaredo Holding op Vannel in agio heeft eveneens te gelden dat uit de tekst van artikel 2:389 en artikel 2:390 van het BW geen verplichting kan worden opgemaakt om, na deze op de overdracht van de aandelen in Veldhoven Habraken aan Vannel volgende handeling, alsnog over te gaan tot het vormen van een wettelijke reserve deelneming dan wel een herwaarderingsreserve bij Vannel .

5.5.3

Hierbij overweegt het College verder dat de ratio achter artikel 2:389, zesde lid, (en ook artikel 2:390) van het BW tot het vormen van wettelijke reserve is dat een rechtspersoon gehouden is bij (rechtstreekse) waardevermeerderingen van zijn deelneming(en) vermogen aan te houden ter bescherming van de belangen van schuldeisers. Tegen die achtergrond bezien kan het [naam 2] worden toegegeven dat het de vraag is of het wenselijk is dat door verhanging van een deelneming binnen een groep de verplichting tot het vormen van een wettelijke reserve deelneming, ontstaan door een voorafgaand aan het verhangen geherwaardeerd actief van de deelneming, niet geldt voor de rechtspersoon die de deelneming verwerft. De herwaarderingswinst van het actief in de deelneming is immers nog niet gerealiseerd door vervreemding van het actief aan een derde. Het risico dat de nieuwe en hogere waarde van het actief in de deelneming (uiteindelijk) niet wordt gerealiseerd is daarmee nog niet verdwenen. In het onderhavige geval zou dat betekend hebben dat indien Vannel haar eigen vermogen, zoals hiervoor overwogen onder 5.4 ontstaan door de omzetting van de schuld aan Lavaredo Holding in agio, had moeten ‘beklemmen’ in een wettelijke reserve, op haar balans per 31 december 2010 zichtbaar zou zijn geweest dat een eigen vermogen van € 0,- beschikbaar was voor de crediteuren van Vannel , indien de herwaarderingswinst van het actief (de grond) van Veldhoven Habraken niet gerealiseerd zou worden. Deze informatie geeft een ander beeld van de financiële situatie van Vannel dan zonder deze beklemming van het eigen vermogen. Maar deze mogelijk onwenselijke uitkomst van de toepassing van de wettelijke bepalingen kan appellant niet tuchtrechtelijk worden aangerekend.

5.6

Naar het oordeel van het College is gelet op het voorgaande geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door appellant. Dit betekent dat de grief van appellant doel treft en de uitspraak van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel A, III in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Het College zal zelf in de zaak voorzien en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen klachtonderdeel A, III ongegrond verklaren.

6.1

De derde grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel G in overweging 4.11 van de bestreden uitspraak. De accountantskamer heeft in die overweging geoordeeld dat van appellant uit hoofde van zijn taak als controlerend accountant van Lavaredo Holding en Vannel gevergd mocht worden dat hij aan het bestuur van Lavaredo Holding en Vannel had gevraagd wie aandeelhouder(s) was/waren en dat hij het handelsregister had geraadpleegd teneinde deze informatie te verifiëren. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij door het bestuur van Lavaredo Holding en Vannel niet op de hoogte is gesteld van de wijziging in de samenstelling van de aandeelhouders van Lavaredo Holding en dat hem ook geen feiten en omstandigheden bekend waren die aanleiding vormden om te vermoeden dat aandelen in andere handen waren gekomen. Appellant heeft van het bestuur van Lavaredo Holding ook een LoR ontvangen waarin nog eens expliciet werd bevestigd dat er geen wijziging had plaatsgevonden. Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat verificatie van de gegevens in het handelsregister in dit kader zinloos was geweest omdat in het handelsregister alleen 100%-aandeelhouders worden vermeld.

6.2

Voorop staat dat de accountantskamer met juistheid heeft geconstateerd dat in de jaarrekening van Vannel ten onrechte is opgenomen dat LHO Beheer in 2010 70% van de aandelen in Lavaredo Holding hield, omdat Lips Participations deze aandelen inmiddels had verworven. Dat in de jaarrekening van Vannel een onjuistheid is opgenomen ten aanzien van de houder van het aandelenbelang in Lavaredo Holding is tussen partijen ook niet in geschil. In dit hoger beroep is alleen aan de orde of appellant ten aanzien van deze onjuistheid een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

6.3

Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer ten onrechte aan appellant tegengeworpen dat hij de aandeelhoudersbelangen had moeten verifiëren in het handelsregister. Naar appellant terecht in beroep voren heeft gebracht, worden in het handelsregister alleen 100%-aandeelhouders vermeld, zodat appellant in het handelsregister niet had kunnen zien dat 70% van de aandelen in Lavaredo Holding niet langer aan LHO Beheer toebehoorde. De grief van appellant slaagt in zoverre.

6.4

Het College is ook hier niettemin van oordeel dat de accountantskamer klachtonderdeel G, inhoudende dat appellant een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de onjuiste vermelding van de aandeelhouders, terecht gegrond heeft verklaard. Het College volgt appellant niet in zijn betoog dat hij heeft kunnen afgaan op de LoR van het bestuur van Vannel . Uit NVCOS 550, onder meer uit randnummer 7, vloeit voort dat een professioneel-kritische instelling van de controlerend accountant bijzonder van belang is ten aanzien van relaties met en transacties tussen verbonden partijen. In dat kader dient de accountant het management inlichtingen te verzoeken omtrent de identiteit van verbonden partijen, inclusief de veranderingen ten opzichte van de voorgaande verslaggevingsperiode. Ten aanzien van Lavaredo Holding en Vannel bestond eens te meer aanleiding voor appellant om kritisch te blijven, aangezien beide entiteiten dezelfde bestuurder hadden. Ter zitting heeft appellant voorts verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat binnen de groep waartoe ook LHO Beheer behoorde sprake was van een (geplande) grote herstructurering. De voornoemde omstandigheden hadden voor appellant aanleiding moeten zijn om actief en kritisch inlichtingen te vragen over de aandeelhouders van Lavaredo Holding en Vannel . Door enkel af te gaan op de LoR en het anderszins uitblijven van informatie van het bestuur heeft appellant een onvoldoende professioneel-kritische houding tentoongespreid. Hiermee heeft appellant gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4 onder c van de Verordening Gedragscode. In zoverre heeft de accountantskamer het klachtonderdeel terecht gegrond verklaard.

7. Ten aanzien van de opgelegde maatregel overweegt het College als volgt. Uit het voorgaande volgt dat de accountantskamer klachtonderdeel A ten dele en klachtonderdeel G terecht gegrond heeft verklaard. Het College neemt in aanmerking dat de waarde van de grondpositie van Veldhoven Habraken onbetwist van groot belang was voor Lavaredo Holding en haar dochters en dat appellant juist ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de waardering van de grondpositie tekort is geschoten in zijn controlewerkzaamheden. Gelet hierop acht het College – evenals de accountantskamer - de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden.

8. De slotsom is dat het hoger beroep ten aanzien van klachtonderdeel A.III gegrond is en voor het overige ongegrond.

9. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond ten aanzien van klachtonderdeel A.III;
- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak ten aanzien van klachtonderdeel A.III;

- verklaart klachtonderdeel A.III alsnog ongegrond;
- verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.L. Verbeek en mr. drs. P. Fortuin, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2016.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.M.T. Plouvier