Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:344

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
16/810
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening (toegewezen). Invoer in de Europese Unie (EU) vanuit Nigeria van een container met schedels en hoorns van rammen en runderen, bestemd voor woningdecoratie, ten onrechte geweigerd op de grond dat geen geldig veterinair gezondheidscertificaat als bedoeld in Verordening 142/2011/EG is overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/810

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 november 2016 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

Timmer-Gems B.V. (verzoekster 1) te Oss en

NeeleVat Warehousing B.V. (verzoekster 2) te Rotterdam,

(gemachtigde: mr. drs. N. Wouters),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C.M. Harteveld-van den Bosch).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2016 (primair besluit) heeft verweerder de invoer in de Europese Unie (EU) vanuit Thailand van een container met waterbuffelschedels met hoorns, bestemd voor woningdecoratie, geweigerd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij de documentencontrole is gebleken dat er geen geldig veterinair gezondheidscertificaat als bedoeld in Verordening 142/2011/EG is overgelegd.

Verzoeksters hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Verzoeksters hebben tevens de voorzieningenrechter van het College verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 13 september 2016 te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar, of die voorziening te treffen die de voorzieningenrechter juist acht, met veroordeling van verweerder in de proceskosten en de griffierechten.

Verweerder heeft, desgevraagd, een schriftelijke reactie op dat verzoek gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 16/844. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens verzoeksters is verder nog verschenen mr T. Roelofs. Namens verweerder is verder nog verschenen drs. M.A. Millan, drs. C.M. Valk, drs. R. Gerlofsma. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

1.3.

De primaire besluiten zijn mede gebaseerd op de Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten (Regeling) die zijn grondslag vindt in de artikelen 10 en 11 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Ingevolge de bij de Awb behorende bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is het College bevoegd om te oordelen over een beroep tegen een besluit op grond van deze wet. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb volgt vervolgens dat de voorzieningenrechter van het College bevoegd is om over het verzoek te oordelen.

1.4.

Verzoekster 1, een groothandel in onder andere woningdecoraties, is eigenaar van de producten in de container. Verzoekster 2 is een transportbedrijf die, als douane-expediteur, in opdracht van verzoekster 1, handelingen heeft verricht ten behoeve van het transport van de containers met de in geding zijnde producten naar de EU en het in het vrije verkeer brengen van deze producten. In de lijn van zijn eerdere uitspraak van 17 november 2015, ECLI:NL:CBB:2015:391, waarnaar hierbij kortheidshalve wordt verwezen, is de voorzieningenrechter in dit geding van oordeel dat beide verzoeksters als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten worden aangemerkt.

1.5.

Met betrekking tot het gestelde spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter dat, als waarop verzoekster 1 heeft gewezen, in de primaire besluiten is vermeld dat de goederen vernietigd zullen worden als ze niet uiterlijk op 12 november 2016 zijn uitgevoerd of afgevoerd en dat de zogenoemde demuragekosten, de kosten voor de opslag van de container, oplopen, zodat om al die redenen een beslissing op het tegen dat besluit gemaakte bezwaar niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter acht daarom een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek aanwezig.

1.6.

De belangenafweging in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure kan tot de uitkomst leiden dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, reeds omdat het besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig is. Het treffen van een voorziening op deze grond zal slechts dan aan de orde zijn als zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is. Als zo’n situatie zich niet voordoet, komt het verzoek niettemin voor toewijzing in aanmerking wanneer de voorzieningenrechter van oordeel is dat de belangen van verzoeksters bij toewijzing van het verzoek dermate zwaarwegend zijn dat deze dienen te prevaleren boven de met een ongewijzigde uitvoering van het bestreden besluit, hier het primaire besluit, gediende belangen.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

2.1.

De in geding zijnde container, met containernummer TCLU5339079 en

GDB-nummer 16060125, is vanuit Thailand verscheept naar Rotterdam, waar hij op 5 augustus 2016 is aangekomen zonder dat deze van tevoren was aangemeld. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een dienst van verweerders ministerie, heeft hiervan per fax melding gemaakt bij Cross Ocean. Vervolgens heeft verzoekster 2 de partij aangemeld voor 7 september 2016.

2.2.

Verzoekster 2 heeft met betrekking tot deze container, voor zover thans van belang, de volgende stukken aan verweerder verstrekt.

  • -

    Twee, deels gelijkluidende, ‘certificates of health and inspection’, beide gedateerd, 27 juni 2016 en opgesteld en ondertekend door Monchai Dansirichaisawat van Inter-continental merchandise limited partnership te Chiangmai, Thailand (ICM). Daarin is vermeld dat het gaat om 968 stuks ‘Water Buffalo skull with horn (Bubalus bubalis)’ die afkomstig zijn van inheemse dieren uit Thailand en vrij zijn van elke ziekte als bijvoorbeeld runderpest, BSE enzovoort. “The skulls with horns have been boiled for 2 hours in water of 80 degrees celcius and were dried afterwards in the sun for 2 weeks. After this period the skulls with horns have been immerersed bij Hydrofluoric acid 35% w/w/ for two hours tot the core before they have been dried in the sun for 4 weeks. The skulls with horn are examined before loading into container for flesh and skin. The results above were negative. The skulls with horns are sprayed wit hand anti insect gas (Methyl Bromide) before loading into container. The skulls with horns are hygienically packed into the container and cleaned from animal fresh and odther medular parts which has made them fit for export.”

  • -

    Een certificaat, gedateerd 30 juni 2016 van ‘Department of National Parks, Wildlife and Plant Conservation Bangkok’ waarin is vermeld dat het verschepen van wildlife items, 1000 schedels van Water Buffalo, in overeenstemming is met de wetten van Thailand.

2.3.

Verweerder heeft verzoekster 2 met een aanhoudingsbericht, gedateerd 26 augustus 2016, bericht dat de documentencontrole (D) niet conform is en heeft verzoekster 2 verzocht om het alsnog indienen van een gedetailleerde verklaring omtrent de behandeling van schedels met hoorns in verband met het bepalen van de keuringsplichtigheid. Verweerder heeft verzoekster 2 met een aanhoudingsbericht van 2 september 2016 opnieuw bericht dat de D niet conform is. De partij is keuringsplichtig en het daarvoor volgens Verordening 142/2011 vereiste gezondheidscertificaat ontbreekt. Verweerder heeft daarbij verzocht om het alsnog indienen van het originele gezondheidscertificaat dat is afgegeven door de certificerende autoriteit van Thailand.

2.4.

Verweerder heeft vervolgens twee maal een voornemen tot weigering, gedateerd

7 september 2016, naar verzoekster 2 verstuurd. Daarin is vermeld dat de partij zal worden geweigerd voor invoer in de EU omdat uit door verzoekster 2 verstrekte informatie is gebleken daarvoor geen geldig certificaat is afgegeven inzake diergezondheid. Verweerder heeft verzoekster 2 met een aanhoudingsbericht van 6 september 2016 bericht dat de partij moet worden aangeboden op het keurpunt voor weigering.

2.5.

Verzoekster 1 heeft op 8 september 2016 per e-mail een zienswijze ingediend. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij al jaren dergelijke producten invoert zonder dat een gezondheidscertificaat is vereist. Bovendien is er wel een gezondheidscertificaat overgelegd. Daaruit blijkt hoe de buffelschedels zijn behandeld. De waarde van de partij is € 40.000,-.

2.6.

Op 9 september 2016 heeft een officiële dierenarts van de van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) met een fax als volgt gereageerd op de zienswijze.

“(..) Ik moet u echter melden dat deze goederen, zijnde behandelde jachttrofeeën keuringsplichtig zijn volgens Verordening 142/2011/EG bijlage XIV, afdeling 5 en Hoofdstuk VI. Ook dienen de behandelde jachttrofeeën, vergezeld te zijn van een gezondheidscertificaat volgens VO142/2011/EG bijlage VI, Hoofdstuk 6A. Met andere woorden het certificaat dat alsnog is ingediend voldoet niet aan de gestelde voorwaarden en is ook niet getekend door de bevoegde veterinaire autoriteit van het land van oorsprong. Door het bovengenoemde zal vandaag het besluit tot weigeren onverminderd worden voortgezet.”

2.7.

Bij besluit van 13 september 2016 is de partij definitief geweigerd voor invoer in de EU. Bij brief van 15 september 2016 heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1.

In dit geding is de volgende wet- en regelgeving van belang.

Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht

Artikel 1

1. De lidstaten verrichten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en in Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (..)

Artikel 7

1. Elke voor invoer op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden bestemde partij gaat vergezeld van de originele exemplaren van de krachtens de veterinaire wetgeving vereiste veterinaire certificaten, veterinaire documenten of andere documenten. Deze originele exemplaren blijven in de grensinspectiepost.

(..)

Bijlage I : De in artikel 1 bedoelde grondgebieden (..)

19. Het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa. (..)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009

tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (Verordening 1069/2009)

Artikel 3 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. „dierlijke bijproducten”: dode dieren of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, (..);

(..)

14. „in de handel brengen”: een handeling die tot doel heeft dierlijke bijproducten of daarvan afgeleide producten aan een derde in de Gemeenschap te verkopen, of enige andere vorm van levering aan een derde in de Gemeenschap, al dan niet tegen betaling, of van opslag met het oog op levering aan een derde in de Gemeenschap;

(..)

Artikel 7 Indeling van dierlijke bijproducten en afgeleide producten in categorieën

1. Dierlijke bijproducten worden overeenkomstig de lijst in de artikelen 8, 9 en 10 ingedeeld in bepaalde categorieën naargelang van het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid die deze dierlijke bijproducten inhouden.

(..)

Verordening (EU) Nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van

Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad

tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn 97/78/EG (Verordening 142/2011)

(..) Overwegende hetgeen volgt:

(5) Verordening (EG) nr. 1069/2009 is van toepassing op dierlijke bijproducten voor de vervaardiging van jachttrofeeën. De vervaardiging van dergelijke trofeeën en de preparatie van dieren en delen van dieren met andere methoden, zoals plastinatie, dienen onder dusdanige voorwaarden te gebeuren dat geen risico's voor de gezondheid van mens en dier worden overgedragen.

(..)

Bijlage XIII hoofdstuk VI

Specifieke eisen inzake jachttrofeeën en andere preparaten van dieren

(..)

B. Veilige bevoorrading

Jachttrofeeën en andere dierpreparaten waarvan de dierlijke bijproducten met het oog op de preparatie een behandeling hebben ondergaan of die aangeboden worden in een toestand die geen gevaar oplevert voor de gezondheid, mogen in de handel worden gebracht, op voorwaarde dat zij afkomstig zijn van:

a) andere soorten dan hoefdieren, vogels en dieren van de biologische klasse van de insecten of spinachtigen, en

b) dieren afkomstig uit een gebied waarvoor geen beperkingen gelden omdat er een ernstige overdraagbare ziekte voorkomt waarvoor de dieren van de betrokken soorten vatbaar zijn.

C. Veilige behandeling

1. Jachttrofeeën of andere dierpreparaten waarvan de dierlijke bijproducten met het oog op de preparatie een behandeling hebben ondergaan of die aangeboden worden in een toestand die geen gevaar oplevert voor de gezondheid, mogen in de handel worden gebracht, op voorwaarde dat:

a) zij afkomstig zijn van hoefdieren of vogels die een volledige taxidermische behandeling hebben ondergaan waardoor zij bij omgevingstemperatuur kunnen worden bewaard;

b) het gaat om opgezette hoefdieren of vogels of opgezette delen van deze dieren;

c) zij een anatomische preparatie hebben ondergaan zoals plastinatie, of

d) het gaat om dieren van de biologische klasse van insecten of spinachtigen die een behandeling hebben ondergaan, zoals een droogprocedé, om de overdracht van op mens of dier overdraagbare ziekten te voorkomen.

2. Jachttrofeeën of andere preparaten, met uitzondering van de onder B en onder C, punt 1, bedoelde jachttrofeeën en dierpreparaten, die afkomstig zijn van dieren van oorsprong uit een gebied waarvoor beperkingen gelden omdat er een ernstige overdraagbare ziekte voorkomt waarvoor dieren van de betrokken soort vatbaar zijn, mogen in de handel worden gebracht, op voorwaarde dat:

a) als het gaat om jachttrofeeën of andere preparaten die uitsluitend bestaan uit beenderen, horens, hoeven, klauwen, geweien en tanden,

i) zij zo lang in kokend water zijn gedompeld dat alle andere stoffen dan beenderen, hoorn, hoeven, klauwen, geweien en tanden verwijderd zijn;

ii) de delen die uit been bestaan, zijn ontsmet met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd product, met name waterstofperoxide;

iii) zij onmiddellijk na de behandeling, zonder in contact te zijn gekomen met andere producten van dierlijke oorsprong waardoor zij zouden kunnen worden verontreinigd, verpakt zijn in individuele, doorzichtige en gesloten verpakkingen om verontreiniging achteraf te voorkomen, en

iv) zij vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat waarin wordt bevestigd dat aan de punten i), ii) en iii) is voldaan; (..)

Bijlage XIV, hoofdstuk II specifieke eisen inzake de invoer in en doorvoer door de Unie van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor een ander gebruik dan in de voederketen van landbouwhuisdieren met uitzondering van pelsdieren

(..)

Afdeling 5 Invoer van jachttrofeeën en andere dierpreparaten

De volgende eisen zijn van toepassing op de invoer van jachttrofeeën en andere dierpreparaten:

1. Jachttrofeeën en andere dierpreparaten die voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in bijlage XIII, hoofdstuk VI, onder B en onder C, punt 1, mogen zonder beperkingen ingevoerd worden.

2. Behandelde, uitsluitend uit beenderen, horens, hoeven, klauwen, geweien, tanden of huiden bestaande jachttrofeeën en andere preparaten van vogels en hoefdieren afkomstig uit derde landen mogen ingevoerd worden als zij voldoen aan de voorschriften van bijlage XIII, hoofdstuk VI, onder C, punt 1, onder a), en punt 2, onder a) i), ii) en iii), en b) i) en ii).

(..)

3. Jachttrofeeën en andere preparaten van vogels en hoefdieren, die enkel en alleen bestaan uit volledige anatomische delen die geen enkele behandeling hebben ondergaan, mogen ingevoerd worden als:

a) zij afkomstig zijn van dieren van oorsprong uit een gebied waarvoor geen beperkingen gelden omdat er een ernstige overdraagbare ziekte voorkomt waarvoor de dieren van de betrokken soorten vatbaar zijn;

b) zij zonder in contact te komen met andere producten van dierlijke oorsprong waardoor zij kunnen worden besmet, zijn verpakt in individuele, doorzichtige, gesloten verpakkingen, om elke besmetting achteraf te voorkomen.

Bijlage XV modellen van gezondheidscertificaten

De modellen van gezondheidscertificaten in deze bijlage zijn van toepassing op de invoer uit derde landen en de doorvoer door de Europese Unie van de in die modellen genoemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten.

(..)

HOOFDSTUK 6 (A)

Gezondheidscertificaat

Voor behandelde jachttrofeeën en andere preparaten van vogels en hoefdieren die uitsluitend uit beenderen, horens, hoeven, klauwen, geweien, tanden of huiden bestaan, bestemd voor verzending naar of doorvoer door de Europese Unie (..)

De Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten (Regeling)

Aanhef: (..)

Gelet op: (..) - richtlijn nr. 97/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 18

december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 24); (..) Gelet op de artikelen 10 en 11 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, (..) Besluit: (..)

Artikel 2.2.1

Het is verboden dierlijke bijproducten en afgeleide producten als bedoeld in artikel 3, onderdelen 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1069/2009:

a. in Nederland te brengen vanuit een lidstaat;

b. in Nederland te brengen vanuit een derde land;

c. buiten Nederland te brengen.

Artikel 2.2.2

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2.1, is niet van toepassing op dierlijke bijproducten en afgeleide producten ten aanzien waarvan is voldaan aan titel II, hoofdstuk II en III van verordening (EG) 1069/2009, alsmede aan de krachtens de artikelen 40, 42 en artikel 43, derde lid van die verordening vastgestelde uitvoeringsmaatregelen van de Europese Unie.

Artikel 3.2.2.3

1 Ingeval op grond van een communautaire maatregel is vereist dat het product vergezeld gaat van een veterinair certificaat of een gelijksoortig document, wordt dit certificaat, onderscheidenlijk document bij aankomst op de grensinspectiepost aan de keuringsdierenarts overgelegd.

2 Het certificaat of het document is in overeenstemming met de desbetreffende communautaire maatregel opgesteld, afgegeven, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend.

3.2.

In dit geding is eerst de vraag aan de orde of is vereist dat de in geding zijnde producten vergezeld gaan van een veterinair certificaat of een gelijksoortig document, als bedoeld in artikel 3.2.2.3 van de Regeling, te weten een gezondheidscertificaat als vermeld hoofdstuk 6(A) van Bijlage XV van Verordening 142/2011.

3.3.

Volgens verweerder moet deze vraag bevestigend worden beantwoord omdat de in geding zijnde dierlijke producten jachttrofeeën of preparaten zijn in de zin van Bijlage XIV, hoofdstuk II, Afdeling 5, tweede lid, van Verordening 142/2011 (Afdeling 5, tweede lid) die vergezeld moeten gaan van een gezondheidscertificaat volgens het model van Bijlage XV van Verordening 142/2011, hoofdstuk 6(A).

3.4.

Volgens verzoeksters zijn de in geding zijnde producten jachttrofeeën of preparaten in de zin van Bijlage XIV, hoofdstuk II, Afdeling 5, eerste lid, van Verordening 142/2011 (Afdeling 5, eerste lid) waarvoor geen gezondheidscertificaat is vereist. De in geding zijnde producten voldoen aan Bijlage XIII, hoofdstuk VI, onder B en onder C, punt 1, van Verordening 142/2011. Gelet hierop heeft verweerder de toelating van deze producten ten onrechte geweigerd op de grond dat geen (rechtsgeldig) gezondheidscertificaat is overgelegd.

3.5.

Tussen partijen staat vast, en ook de voorzieningenrechter gaat daar in dit geding vanuit, dat de in geding zijnde producten moeten worden aangemerkt als dierlijke preparaten van hoefdieren afkomstig uit derde landen die een behandeling hebben ondergaan. De behandelingen die de producten hebben ondergaan zijn beschreven in de hiervoor onder 2.2. aangehaalde stukken. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat, omdat de producten afkomstig zijn uit een derde land, Afdeling 5, tweede lid, op deze producten van toepassing is. De voorzieningenrechter volgt verzoeksters niet in hun andersluidende standpunt omdat Afdeling 5, eerste lid, blijkens de tekst daarvan, anders dan Afdeling 5, tweede lid, geen betrekking heeft op producten, als in dit geding aan de orde, die afkomstig zijn uit derde landen. De ter zitting uitgebreid aan de orde gestelde vraag of de producten voldoen aan het bepaalde in Bijlage XIII, hoofdstuk VI, onder C, punt 1, van Verordening 142/2011, behoeft daarom geen verdere bespreking.

3.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat de tekst van Afdeling 5, tweede lid niet zonder meer steun biedt voor het standpunt van verweerder dat op grond van een communautaire maatregel is vereist dat de in geding zijnde producten vergezeld moeten gaan van een veterinair certificaat of een gelijksoortig document. In Afdeling 5, tweede lid, is niet vermeld dat een gezondheidscertificaat is vereist, noch wordt daarin verwezen naar bijlage XIII, hoofdstuk VI, onder C, punt 2, onder a) iv) waarin het vereiste van een gezondheidscertificaat is opgenomen. Echter, nu Bijlage XV van Verordening 142/2011, modellen van gezondheidscertificaten bevat die van toepassing zijn op de invoer uit derde landen en de doorvoer door de Europese Unie van de in die modellen genoemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten, en hoofdstuk 6(A) van die bijlage een model van een gezondheidscertificaat bevat voor behandelde jachttrofeeën en andere preparaten van vogels en hoefdieren die uitsluitend uit beenderen, horens, hoeven, klauwen, geweien, tanden of huiden bestaan, bestemd voor verzending naar of doorvoer door de Europese Unie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment onvoldoende duidelijk is of het door verweerder ingenomen standpunt over het moeten overleggen van een gezondheidscertificaat al dan niet juist. Nu met het gebruik van gezondheidscertificaten wordt beoogd te bewerkstellingen dat geen risico's voor de gezondheid van mens en dier worden overgedragen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om vooralsnog uit te gaan van de juistheid van het standpunt van verweerder dat een gezondheidscertificaat is vereist. Gezien de complexiteit van de regelgeving kan een duidelijk antwoord op de onder 3.2 vermelde vraag in dit geding niet worden gegeven. Verweerder zal zijn standpunt in de beslissing op het door verzoeksters gemaakte bezwaar nader moeten onderbouwen.

3.7.

Resteert de vraag of het door verzoeksters overgelegde stukken, waaronder geen gezondheidscertificaat volgens het model van Bijlage XV, hoofdstuk 6(A) van Verordening 142/2011, zoals verzoeksters hebben aangevoerd, inhoudelijk voldoen aan de op grond van voormeld model daaraan te stellen eisen. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zoals door verzoeksters ter zitting is erkend, blijkt uit de overgelegde ‘certificates of health and inspection’ van 27 juni 2016, als hiervoor onder 2.2 vermeld, niet dat deze zijn opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde dierenarts. Verder kan uit die certificaten niet worden afgeleid wat de herkomst van de in geding zijnde producten is. De herkomst blijkt ook niet uit het door verzoeksters overgelegde certificaat van 30 juni 2016. Daardoor kan, als door verweerder onder verwijzing naar artikel 7 van Verordening 1069/2009 is aangevoerd, niet worden vastgesteld wat het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid van deze producten mogelijk is.

3.8.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat het primaire besluit onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de belangen van verzoeksters bij een voorlopige voorziening niet zwaarder wegen dan de met een ongewijzigde uitvoering van het primaire besluit, gediende belangen. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.W.E. Pinckaers