Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:339

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
16/85
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

MVFR, fout mag hersteld worden, geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, schending hoorplicht, gebrek gepasseerd

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Meststoffenwet 21
Meststoffenwet 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/324 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/85

16600

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2016 in de zaak tussen

V.O.F. Melkveebedrijf [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. L. Polinder),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bij besluit van 19 maart 2015 voor appellante vastgestelde melkveefosfaatreferentie (MVFR) ingetrokken en de MVFR vastgesteld op 1102 kg.

Bij besluit van 23 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor appellante is voorts verschenen [naam] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf met melkvee. Verweerder heeft appellante op 23 januari 2015 per brief een vooraankondiging MVFR gestuurd en haar daarmee op de hoogte gesteld van het voornemen om begin 2015 een MVFR vast te stellen bestaande uit de forfaitaire mestproductie van het in 2013 gehouden melkvee minus de fosfaatruimte in 2013. Verweerder heeft in verband daarmee appellante verzocht vóór 15 februari 2015 wijzigingen door te geven met betrekking tot de bij verweerder bekende referentiegegevens van het gemiddeld aantal gehouden melkvee (melk- en kalfkoeien en jongvee) en de oppervlakte grond die bij het bedrijf in gebruik was in 2013. In de brief wordt voor nadere informatie verwezen naar het klantportaal: mijn.rvo.nl. Appellante heeft geen wijzigingen doorgegeven.

1.2

Bij besluit van 19 maart 2015 heeft verweerder de MVFR voor appellante vastgesteld op 2301 kg. Uit de in de bijlage opgenomen berekening blijkt dat rekening is gehouden met 8,6 ha grasland met een PAL-waarde neutraal en 14,58 ha bouwland met een Pw-waarde laag. De totale fosfaatruimte is 2056,30 kg. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de voor appellante bij besluit van 19 maart 2015 vastgestelde MVFR ingetrokken en de MVFR vastgesteld op 1102 kg. Uit de in de bijlage opgenomen berekening blijkt dat rekening is gehouden met 8,6 ha grasland met een PAL-waarde hoog, 14,58 ha bouwland met een Pw-waarde neutraal en 28,67 ha bouwland met een Pw-waarde hoog. De totale fosfaatruimte is 3255,55 kg.

1.4

Uit de gecombineerde opgave voor 2013 blijkt dat appellante dat jaar over 51,92 ha gewassen op grond beschikte.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en zijn besluit tot verlaging van de MVFR gehandhaafd. Verweerder heeft ervan afgezien appellante in verband met haar bezwaar te horen omdat dit bezwaar volgens verweerder kennelijk ongegrond was.

3.1

Appellante betoogt dat verweerder haar ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord.

3.2

Het College overweegt hierover als volgt. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder zich in het bestreden besluit weliswaar op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is (artikel 7:3 aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), maar dat hij in feite niet heeft gehoord vanwege het grote aantal zaken betreffende de MVFR waarin bezwaar is gemaakt. Daarmee heeft verweerder ten onrechte praktische overwegingen laten prevaleren boven de toepassing van de wet, te weten artikel 7:2 van de Awb. Het College stelt vast dat appellante in bezwaar in essentie dezelfde gronden heeft aangevoerd als in beroep (afgezien van de grond over het niet horen in de bezwaarfase). Het College is van oordeel dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is. Verweerder heeft dus gehandeld in strijd met artikel 7:2 van de Awb. Naar het oordeel van het College lag het in een zaak als de onderhavige des te minder voor de hand om uit praktische overwegingen niet te horen, omdat het bezwaar een belastend besluit betrof en verweerder appellante ook voorafgaande aan de besluitvorming (afgezien van de mogelijkheid onjuiste gegevens te corrigeren) niet in de gelegenheid heeft gesteld om een zienswijze in te dienen. Ondanks dat ziet het College aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Daartoe is van belang dat appellante in beroep schriftelijk en ter zitting de gelegenheid heeft gehad haar standpunt en haar belangen nader toe te lichten en te onderbouwen, zodat aannemelijk is dat appellante niet is benadeeld door de schending van de hoorplicht door verweerder. Het College ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten in beroep en ook verweerder te gelasten het griffierecht te vergoeden.

4.1

Appellante voert aan dat verweerder niet bevoegd was om de MVFR te wijzigen omdat het besluit van 19 maart 2015 waarbij de MVFR voor appellante werd vastgesteld formele rechtskracht had.

4.2

Naar het oordeel van het College komt een bestuursorgaan de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of met enig algemeen rechtsbeginsel, in het bijzonder dat van de rechtszekerheid. Afhankelijk van de omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de tijd waarin de te herstellen beslissing rechtskracht had, kan ter vermijding van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel een korte of langere afbouw- of gewenningsperiode aangewezen zijn. Dit laatste doet zich in de onderhavige zaak niet voor. Het betoog van appellante faalt.

5.1

Appellante betoogt voorts dat verweerder in haar geval de eerder vastgestelde MVFR niet mocht verlagen. Er is geen sprake van een kennelijke fout en zij kon dan ook niet weten dat het besluit van 19 maart 2015 onjuist was. Een toelichting over de wijze van berekenen ontbrak, zodat onder meer niet duidelijk was hoe de hoeveelheid grond moest worden berekend, of deze betrekking had op 2013 en of de berekening op haar bedrijf zag. Ook het bestreden besluit is volgens appellante onvoldoende gemotiveerd. De hoogte van de bij besluit van 19 maart 2015 vastgestelde MVFR kwam overeen met de verwachting. Appellant mocht erop vertrouwen dat dit besluit juist was. Volgens appellante heeft verweerder verder ten onrechte haar belangen niet onderzocht en ook geen belangenafweging gemaakt. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat zij naar aanleiding van de voor haar bij besluit van 19 maart 2015 vastgestelde MVFR voorafgaand aan het primaire besluit bedrijfsbeslissingen heeft genomen, zoals de aanschaf van 29 melkkoeien.

5.2

Het College stelt vast dat appellante een vooraankondiging heeft ontvangen, waarin (kort) staat vermeld hoe de MVFR wordt berekend en waarin voor nadere informatie hierover wordt verwezen naar een met name genoemde pagina op het klantportaal mijn.rvo.nl. Daarbij komt dat het in de vooraankondiging gebruikte begrip “oppervlakte grond die bij uw bedrijf in gebruik was” in het kader van de Meststoffenwet een bekend begrip is. Dit begrip heeft in het kader van de bepaling van de MVFR geen andere betekenis gekregen. Bovendien mag van een professionele landbouwer worden verwacht dat deze zich bij twijfel op de hoogte stelt van de toepasselijke regels. Appellante kon en moest dan ook op de hoogte zijn van de wijze waarop de MVFR wordt bepaald. Appellante had voorts moeten zien dat de oppervlakte grond die in de bijlage bij het besluit van 19 maart 2015 staat vermeld onjuist was. Zij heeft immers zelf op de gecombineerde opgave 2013 vermeld dat zij beschikte over 51,92 ha gewassen, terwijl op de bijlage bij het besluit van 19 maart 2015 in totaal 23,18 ha staat vermeld. Bovendien had zij moeten zien dat de wel vermelde gronden staan vermeld bij de verkeerde PAL-waarde en Pw-waarde. Ook dat zijn immers gegevens waarover appellante zelf beschikt. Voorts ziet het College geen aanknopingspunt voor de veronderstelling van appellante (ter zitting naar voren gebracht door [naam] ) dat de in de bijlage bij het besluit van 19 maart 2015 genoemde oppervlakten grond alleen de eigendomsgrond van appellante betroffen. Bij de berekening van de MVFR is immers niet de eigendomsgrond maar de oppervlakte grond die bij appellantes bedrijf in gebruik was, van belang. Het College volgt appellante dan ook niet in haar standpunt dat zij niet kon zien dat het besluit van 19 maart 2015 fouten bevatte en dat zij erop mocht vertrouwen dat dit besluit juist was. Gezien het tijdsverloop tussen het vaststellen van de MVFR bij het besluit van 19 maart 2015 en de correctie daarvan bij het primaire besluit (ruim zes maanden), mocht appellante ook niet erop vertrouwen dat verweerder de fout niet zou herstellen. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Gelet hierop heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de bedrijfsbeslissingen die appellante heeft genomen in de periode tussen het besluit van 19 maart 2015 en het primaire besluit, zoals de aanschaf van extra melkvee, voor haar rekening komen. Nu appellante behoudens de door haar genoemde bedrijfsbeslissingen geen belangen heeft aangevoerd, is de door verweerder in de beslissing op bezwaar gemaakte belangenafweging naar het oordeel van het College niet ontoereikend. De beslissing op bezwaar is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Het betoog van appellante faalt.

6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.

7. Gelet op overweging 3.2 zal het College verweerder in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten veroordelen. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, mr. J.A.M. van den Berk en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.

w.g. H.B. van Gijn w.g. X.M. Born