Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:333

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
15/832
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

S&O-verklaring; geen bezwaar tegen correctiebesluit; geen nieuwe feiten en omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/432

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 15/832

27000

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2016 in de zaak tussen

Elpro B.V., gevestigd te Ermelo, appellante,

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd de correctie S&O-verklaring te herzien die verweerder heeft afgegeven op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva).

Bij besluit van 17 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2016. Aan de zijde van appellante is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Op 25 maart 2014 heeft verweerder aan appellante een verklaring voor het verrichten van speur en ontwikkelingswerk (S&O-verklaring) verstrekt voor vier projecten voor de periode januari tot en met juni 2014 voor in totaal 1369 uren. Op 3 oktober 2014 heeft verweerder aan appellante voor de vier projecten voor de tweede helft van 2014 een S&O-verklaring verstrekt voor in totaal 944 uren.

1.2

Op 27 maart 2015 heeft verweerder van appellante een “Mededeling aantal gerealiseerde S&O-uren” ontvangen waaruit blijkt dat in de eerste helft van 2014 in totaal 435 uren zijn gerealiseerd en in de tweede helft nul uren.

1.3

Bij besluit van 2 april 2015 heeft verweerder de eerdere S&O-verklaringen voor 2014 conform de opgave van appellante van de gerealiseerde uren in dat jaar gecorrigeerd, en vastgesteld op 435 S&O uren. Het daarbij behorende correctiebedrag heeft verweerder vastgesteld op € 18.406,-.

1.4

Op 12 juni 2015 heeft verweerder van appellante voor de periode 2014 een tweede (nieuwe) melding ontvangen. Gemeld is dat in de eerste helft van 2014 een aantal van 1451 S&O uren en in de tweede helft van 2014 een aantal van 996 S&O uren zijn gerealiseerd. Verweerder heeft deze melding beschouwd als een verzoek tot herziening van de correctie-S&O-verklaring van 2 april 2015.

2.1

Verweerder heeft het herzieningsverzoek afgewezen en daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 2 april 2015 die daarmee formele rechtskracht heeft gekregen. Een beroep op herziening slaagt alleen al er sprake is van een kennelijke misslag danwel nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die na de beschikking naar voren zijn gekomen en die verweerder op het moment van beschikken niet kende en ook niet hoefde te kennen en die appellante redelijkerwijs voorafgaand aan de beschikking ook niet naar voren heeft kunnen brengen. Van een kennelijke misslag is sprake als er een overduidelijke fout is gemaakt door de aanvrager of door verweerder. Volgens verweerder is hiervan in het geval van appellante geen sprake. De door appellante gedane mededeling van een realisatie van in de eerste helft van 2014 van 435 S&O uren en in de tweede helft van 2014 nul uren gaf verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat het hier zou gaan om een foutieve opgave waartoe nader onderzoek ingesteld behoefde te worden. In de praktijk blijkt dat aanvragers mededelingen doen van 0 gerealiseerde uren ingeval de S&O-projecten niet zijn doorgegaan, dan wel een mededeling doen voor meer (of minder) uren dan waarvoor een S&O-verklaring is toegekend indien S&O-projecten zijn uitgelopen. Verweerder had derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat de mededeling van appellante onjuist was. Verweerder is van mening dat er in dit geval ook geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden welke van invloed kunnen zijn op de eerder genomen beslissing van 2 april 2015. Appellante had overigens de mededeling van het te lage aantal gerealiseerde uren vóór het beschikken redelijkerwijs nog naar voren kunnen brengen. Appellante heeft ook geen bezwaar gemaakt. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om na de ontvangst van een aan hem afgegeven beschikking na te gaan of de verstrekte gegevens juist waren.

2.2

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat een combinatie van een intern onderzoek bij haar en het aantreden van een nieuwe WBSO-adviseur heeft geleid tot het inzicht dat haar urenadministratie door een toenmalige medewerker niet correct is verwerkt op de melding van het aantal gerealiseerde S&O uren op de vier projecten. richting verweerder. Appellante heeft meteen bij ontdekking van deze fout contact opgenomen met de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) van verweerder. De bezwaartermijn was toen al verlopen. Op advies van een medewerker bij de RVO heeft appellante de tweede melding ingediend. Verweerder heeft daarmee bij appellante de indruk gewekt dat appellante alsnog bezwaar kon maken tegen de beslissing inzake de S&O-correctie, via een tweede melding. Het correctiebedrag van € 18.000,- is een aanzienlijk bedrag voor een kleine onderneming als appellante.

3. Ter beoordeling van het College staat de vraag of de weigering van verweerder om van het correctiebesluit van 2 april 2015 te terug te komen, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

3.1

Aan de mogelijkheid om een besluit in rechte aan te tasten zijn door de wetgever beperkingen en voorwaarden gesteld. De belanghebbende die meent dat een bestuursorgaan ten onrechte een bepaald besluit heeft genomen, is voor het in rechte opkomen tegen dat besluit aangewezen op het aanwenden van een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn en met inachtneming van de overige processuele vereisten.

Zoals het College heeft overwogen (zie onder andere de uitspraken van 8 november 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ2301, en 26 maart 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI0948) staat naar Nederlands bestuursrecht geen rechtsregel eraan in de weg dat een bestuursorgaan terugkomt van een door hem genomen besluit, dat naar nationaal recht definitief is geworden, zelfs niet indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Indien het bestuursorgaan echter weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, dient de bestuursrechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. Daarbij ligt het op de weg van de indiener van het verzoek om zodanige feiten of omstandigheden naar voren te brengen.

3.2

Het College is van oordeel dat de opgave van 27 maart 2015 van appellante van het aantal gerealiseerde uren van 435 en nul niet van dien aard is dat verweerder aanstonds had moeten begrijpen dat appellante zich had vergist. Ter zitting heeft verweerder overtuigend toegelicht dat een mededeling van nul gerealiseerde uren veelvuldig per jaar voorkomt. Verweerder neemt dergelijke mededelingen voor kennisgeving aan, waarbij vervolgens bij de correctiebeschikking de juistheid van de mededeling aan de orde komt. Ook gaat het bij het aanvragen van een S&O-verklaring om voorgenomen werkzaamheden. Het is daarom goed mogelijk is dat de realisatie daarvan (ten dele) is uitgebleven. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat verweerder had moeten opmerken dat aan de kant van appellante, naar zij heeft gesteld, sprake was van een vergissing of kennelijke fout.

3.3

Verweerder heeft aangegeven dat hij de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden in ogenschouw heeft genomen maar dat hij daarin geen aanleiding heeft gezien om de correctie-S&O-verklaring aan te passen. De door het College toe te passen toets van het besluit van verweerder heeft, zoals hiervoor is overwogen, een beperkt karakter. Het College is van oordeel dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht waarin verweerder aanleiding had behoren te vinden om op de correctie S&O-verklaring van 2 april 2015 terug te komen.

3.4

Met betrekking tot het betoog van appellante dat in het contact met de RVO naar aanleiding van de ontdekte fout door de medewerker van de RVO de indruk zou zijn gewekt dat via een tweede melding alsnog de mogelijkheid van bezwaar ontstond, overweegt het College als volgt. Voor zover appellante zich hiermee wil beroepen op het vertrouwen dat de door haar gemaakte fout via een nieuwe melding hersteld kon worden en de correctiebeschikking zou worden herzien, faalt dit beroep. Een toezegging van een bestuursorgaan bindt het bestuursorgaan alleen indien er door of namens het bevoegd orgaan uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan. Dat er in het contact naar aanleiding van de ontdekking van de fout namens verweerder duidelijke toezeggingen zijn gedaan dat de door haar gemaakte fout via een nieuwe melding hersteld kan worden, heeft appellante niet gesteld en is ter zitting ook niet gebleken. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat een nieuwe melding de enige nog mogelijke weg was om een procedure bij verweerder in gang te zetten. Dat bij appellante door deze – op zichzelf niet onjuiste mededeling – de onterechte indruk is ontstaan dat zij via een tweede melding alsnog en met vrucht bezwaar kon maken tegen de op 2 april 2015 afgegeven correctie S&O-verklaring, waartegen geen bezwaar was ingediend, leidt niet tot een ander oordeel. Van rechtens te honoreren door verweerder opgewekt vertrouwen dat op enigerlei wijze gehonoreerd zou moeten worden is naar het oordeel van het College geen sprake.

3.5

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder niet was gehouden om terug te komen van diens in rechte onaantastbaar geworden besluit tot afgifte van een correctie S&O-verklaring.

4. Het beroep van appellante is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. A. Graefe