Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:33

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
14/250 en 14/301
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omvang van de aanvraag om subsidie. Kosten gefinancierd door derden onderdeel van de aanvraag? Kaderwet LNV-subsidies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 14/250 en 14/301

27810

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2016 in de zaken tussen

Stichting Bionext, te Zeist, appellante

(gemachtigde: [naam] ),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Klaver).

Procesverloop

14/250

Bij besluit van 25 november 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder appellante voor haar project “Bio Quality Assurance’ subsidie verleend op grond van artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies.

Bij besluit van 16 april 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het hiertegen door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer 14/250.

14/301

Bij besluit van 25 november 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder appellante voor haar project “Regionale productie biologische diervoedergrondstoffen” subsidie verleend op grond van artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies.

Bij besluit van 16 april 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het hiertegen door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer 14/301.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

14/250
1.1 Appellante heeft bij verweerder subsidie aangevraagd voor het project “Bio Quality Assurance”. Dit project heeft ten doel om voor kleine en middelgrote ondernemingen in de biologische sector een handleiding te ontwikkelen die kan worden opgenomen in het kwaliteitsmanagementsysteem en om standaardleveringsvoorwaarden te ontwikkelen ten aanzien van productvervuiling door residuen.

1.2

De aanvraag vermeldt in de paragraaf ”Algemene informatie” onder 1.7: “Totaal budget: € 86.366 EZ: € 43.000 Sector: € 43.366”. Onder paragraaf 6 staat vermeld: “Aoel, HWV, Bionext en de circa 15 small and medium seized companies doen de cofinanciering met inzet van eigen uren.” De kosten zijn onder paragraaf 8 van de aanvraag gespecificeerd in enerzijds “TOTAL PROJECT COSTS (Subsidy) € 43.000” en anderzijds “TOTAL PROJECT IN KIND/CASH (Companies) € 43.366”. Bij de laatste kosten gaat het om de kosten die
15 bedrijven en de bedrijven Aoel en HWV maken. De totale kosten bedragen € 86.366,--.

1.3

Bij het primaire besluit I heeft verweerder appellante € 21.500,-- subsidie verleend op grond van artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies. De subsidie bedraagt volgens verweerder 50% van de subsidiabele kosten. Hieronder zijn begrepen: interne kosten op basis van loonkosten tegen een uurtarief, berekend op basis van integrale kosten, welke berekening is gebaseerd op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen; aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteiten worden gemaakt, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit en kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde goederen en diensten; reis- en verblijfkosten en projectmanagement. De subsidie betreft volgens verweerder steun op grond van artikel 26 van Verordening (EG) nr. 800/2008 (“de algemene groepsvrijstellingsverordening”). Op grond van deze bepaling komen slechts de adviseringskosten van externe adviseurs voor 50% in aanmerking voor steun en komt de steun slechts ten bate van kleine en middelgrote ondernemingen zoals bedoeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 800/2008.

2. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, aangezien appellante voor dit project slechts € 43.000,-- heeft aangevraagd en de overige kosten niet subsidiabel zijn, hiervoor terecht 50% is berekend over het bedrag van € 43.000,--. Blijkens de begroting investeert de sector zelf € 43.366,-- in het project. Dit zijn geen adviseringskosten van door externe adviseurs verrichte diensten en deze komen daarom – anders dan appellante stelt – niet in aanmerking voor subsidie. Verweerder acht de verlening van de subsidie aan appellante tot een bedrag van € 21.500,-- dan ook juist.

3. Appellante voert aan dat verweerder voor een hoger bedrag subsidie dient te verlenen voor het project. Er is subsidie aangevraagd ter hoogte van € 43.000,--. Dit is iets minder dan 50% van de totale projectbegroting. De toekenning is echter slechts € 21.500,--, hetgeen minder dan 25% van de totale projectbegroting is. Er kan geen misverstand over bestaan dat het totale projectbudget € 86.366,-- bedraagt en niet € 43.000,--, aangezien in de paragraaf algemene informatie van de aanvraag staat “Totaal budget: € 86.366 EZ: € 43.000 Sector:
€ 43.366”. In de gedetailleerde begroting heeft appellante beide delen gelabeld en gescheiden uitgewerkt en daarmee al een invulling gegeven van de projectkosten voor rekening van het ministerie en de projectkosten voor rekening van appellante. Hierdoor is wellicht verwarring ontstaan en het ware beter geweest om dit onderscheid niet zelf te maken in de begroting maar om 50% van het totaalbedrag aan subsidie te vragen. Appellante stelt verder dat de werkzaamheden die door het bedrijfsleven in het kader van het project zijn verricht kosten betreffen die specifiek voor dit project zijn gemaakt door met name kwaliteitsmanagementexperts en juristen. Voor de meeste bedrijven worden deze ingehuurd. Dit project vormt geen onderdeel van de dagelijkse routine en deze activiteiten zouden zonder het project niet worden uitgevoerd. De kosten worden ook daadwerkelijk bij appellante in rekening gebracht. Het gaat om externe kosten van derden.

4. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kaderwet LNV-subsidies kon verweerder ten tijde van belang subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake de landbouw.

5. Tussen partijen is in geschil of verweerder, gelet op de aanvraag van appellante, terecht een bedrag van € 43.000,-- als subsidiabele kosten heeft aangemerkt in plaats van het totale projectbudget van € 86.366,--.

6.1

Het College stelt voorop dat ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de aanvrager de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing nodig zijn. Als uitgangspunt geldt dan ook dat appellante als aanvrager verantwoordelijk is voor haar aanvraag en dat zij hierin de subsidiabele kosten van haar project inzichtelijk dient te maken. Van een aanvrager mag zorgvuldigheid worden verwacht bij het invullen en indienen van een subsidieaanvraag waarmee aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid, zoals in het onderhavige geval. Verweerder moet in beginsel af kunnen gaan op hetgeen in de aanvraag is vermeld en de daarbij behorende, consistente onderbouwing (vergelijk de uitspraak van het College van 24 juli 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ6527).

6.2

Daargelaten of de door of in opdracht van de betrokken bedrijven gemaakte uren als externe kosten moeten worden beschouwd, is het College van oordeel dat verweerder uit de aanvraag van appellante niet heeft hoeven begrijpen dat deze aanvraag ook betrekking had op het aandeel van de betrokken bedrijven in het project. Het College neemt hierbij in aanmerking dat appellante blijkens haar aanvraag een onderverdeling hanteert in paragraaf 1 van de aanvraag in een bedrag van € 43.000,-- voor EZ (Economische Zaken) enerzijds en
€ 43.366,-- voor de sector anderzijds, die bovendien consistent is met de onderverdeling in paragraaf 8 van de aanvraag in enerzijds “TOTAL PROJECT COSTS (Subsidy) € 43.000” en anderzijds “TOTAL PROJECT IN KIND/CASH (Companies) € 43.366”. Daarnaast vermeldt appellante onder paragraaf 6 van de aanvraag “Aoel, HWV, Bionext en de circa 15 small and medium seized companies doen de cofinanciering met inzet van eigen uren”. Aangezien de aanvraag in zoverre duidelijk is, heeft verweerder uit de enkele vermelding van de totale projectkosten niet hoeven af te leiden dat de aanvraag ook op het aandeel van de betrokken bedrijven in het project betrekking had en dat deze derhalve zag op het totaal van € 86.366,--. Dit heeft appellante dus niet inzichtelijk gemaakt in de aanvraag. Voor verweerder bestond dan ook geen grond om hierover bij appellante bij de voorbereiding van het primaire besluit I nadere informatie in te winnen. Verweerder heeft de subsidiabele kosten, gelet op de aanvraag van appellante, daarom terecht vastgesteld op een bedrag van € 43.000,--.

7. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

14/301

8.1

Appellante heeft tevens subsidie aangevraagd bij verweerder voor het project “Regionale productie biologische diervoedergrondstoffen”. Dit project heeft ten doel om bij te dragen aan de regionalisering van de productie van diervoedergrondstoffen voor de Nederlandse biologische sector.

8.2

De aanvraag vermeldt in de paragraaf ”Algemene informatie” onder 1.7: “Totaal budget: € 80.448 EZ € 40.096 Sector: € 40.352 gekapitaliseerde uren”. Onder paragraaf 8 staat vermeld: “Uren Bionext 41 dagen x 8 uur x € 107 € 35.096 (subsidie)”, “Inhuur expertise derden € 5.000,-- (subsidie)”, ”Gekapitaliseerde uren bedrijfsleven 52 dagen x 8 uur x € 97, € 40.352,-- (cofinanciering)”, “TOTAAL € 80.448”.

9. Bij het primaire besluit II heeft verweerder op de aanvraag van appellante € 20.048,-- subsidie verleend op grond van artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies. De subsidie bedraagt volgens verweerder 50% van de subsidiabele kosten. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

10. Voor de standpunten van partijen in deze zaak verwijst het College naar de gelijkluidende standpunten in de zaak 14/250.

11. Gelet op hetgeen hiervoor in 6.1 is overwogen en de in 8.2 vermelde gegevens in de aanvraag is het College van oordeel dat verweerder ook uit deze aanvraag niet heeft hoeven te begrijpen dat deze aanvraag betrekking had op het bedrag van de totale projectbegroting en dat voor verweerder geen grond bestond om hierover bij appellante bij de voorbereiding van het primaire besluit II nadere informatie in te winnen. Het College acht hierbij met name van belang dat appellante deze aanvraag heeft onderverdeeld in posten die met subsidie worden bekostigd enerzijds en posten die met cofinanciering worden bekostigd anderzijds. Deze expliciete vermeldingen geven naar het oordeel van het College aan dat appellante een deel van de posten voor subsidie in aanmerking wil brengen en een deel met cofinanciering wenst te bekostigen en daarmee dus niet voor subsidie in aanmerking wil brengen. Het College kan appellante dan ook niet volgen in haar stelling dat verweerder desondanks uit de aanvraag diende te begrijpen dat deze ook ziet op de posten die met cofinanciering worden bekostigd.

12. Dit betekent dat ook dit beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. S.C. Stuldreher en
mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.

w.g. H.L. van der Beek w.g. C.M. Leliveld