Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:319

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
15/305 16/79
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

erkenning telers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 15/305 en 16/79

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2016 in de zaken tussen

[appellante sub 1] B.V., te [plaats 1] (appellante sub 1), [appellant 1] , te [plaats 2] (appellant sub 2) en [appellant 2] (appellant sub 3), te [plaats 3] , appellanten

(gemachtigde: mr. X.P.C. Wynands)

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. ing. H.D. Strookman en mr. drs. I.J.A. Paulissen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder de erkenning als producentenorganisatie van Telerscoöperatie FresQ U.A. (thans in liquidatie) (FresQ) met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken.

Bij besluit van 9 maart 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 12 oktober 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder de erkenning als producentenorganisatie van FresQ ingetrokken voor de periode van 1 juli 2009 tot en met

31 december 2009 en, daarmee samenhangend, van FresQ subsidie teruggevorderd die zij over dat tijdvak heeft ontvangen en de wettelijke rente daarover.

Bij besluit van 21 december 2015 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het primaire besluit II niet-ontvankelijk verklaard.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit I is geregistreerd onder AWB 15/305 en het beroep tegen het bestreden besluit II is geregistreerd onder AWB 16/79.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellanten zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Aan de zijde van appellanten was tevens aanwezig mr. C.N. Feringa.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

FresQ is een coöperatie van telers en was ten tijde hier van belang erkend als producentenorganisatie als bedoeld in artikel 125 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (Verordening 1234/2007). Onder Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit was sprake van een telersvereniging (artikel 11).

1.2

Een producentenorganisatie bestaat uit (een minimum aantal) leden, onder wie (een minimum aantal) producenten en heeft als hoofdactiviteit de concentratie van het aanbod en de afzet van de producten van haar leden waarvoor zij is erkend (artikelen 21 en 26 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft). Producentenorganisaties kunnen financiële bijstand ontvangen van de Europese Unie en de lidstaten (artikel 103 bis van Verordening 1234/2007).

1.3

Appellante sub 1 is teler van groente en was lid van FresQ.

1.4

Appellant sub 2 was ten tijde hier van belang bestuurder van appellante sub 1.

1.5

Appellant sub 3 was van 15 juli 2007 tot 29 november 2012 bestuurder van FresQ. In die hoedanigheid heeft het Productschap Tuinbouw appellant sub 3 bij brief van 23 oktober 2013 aansprakelijkheid gesteld wegens onrechtmatig handelen jegens het Productschap Tuinbouw.

1.6

Bij de primaire besluiten heeft verweerder de erkenning van FresQ als producentenorganisatie ingetrokken, omdat – kort gezegd – FresQ niet langer aan de erkenningsvoorwaarden voldeed. De bij het primaire besluit II teruggevorderde subsidie en wettelijke rente bedraagt in totaal € 11.327.297,18.

1.7

Appellanten hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Op 1 juli 2014 zijn appellanten gehoord naar aanleiding van hun bezwaarschrift tegen het primaire besluit I.

1.8

Ook FresQ heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt . Verweerder heeft hiertoe uiteengezet dat hun belang niet rechtstreeks is betrokken bij de primaire besluiten, omdat niet zij maar FresQ geadresseerde is van die besluiten en de bepalingen in de regelgeving over de intrekking van de erkenning als producentenorganisatie zich slechts richten tot de producentenorganisaties en niet tot de leden. Ook is geen sprake van verwevenheid van de belangen en het handelen van FresQ en appellanten ten aanzien van de primaire besluiten, omdat appellanten geen beslissende stem hebben in de bestuursvergaderingen van FresQ en het beleid van FresQ niet zelfstandig bepalen.

Voorts heeft verweerder uiteengezet dat een parallel afgeleid belang bij een besluit er in beginsel niet toe leidt dat sprake is van het zijn van belanghebbende bij dat besluit. Dat is slechts anders als los daarvan nog sprake is van een eigen belang. Ter zake van appelanten sub 1 en 2 is daarvan niet gebleken, terwijl het belang van appellant sub 3 gelegen in de civiele aansprakelijkheidsstelling geen direct gevolg is van de intrekking van de erkenning als producentenorganisatie en appellant sub 3 evenmin om die reden als belanghebbende is aan te merken. Verder heeft verweerder uiteengezet dat geen aanleiding bestaat de jurisprudentie ten aanzien van het afgeleid-belang te doorbreken, omdat geen fundamentele rechten in geding zijn. Tot slot heeft verweerder over het beroep van appellanten op de beslissing op bezwaar in de zaak Coöperatie Kompany U.A. van 22 mei 2012 uiteengezet dat dit beroep niet slaagt, omdat in die zaak bezwaar was gemaakt namens erkende producentenorganisaties die zich hebben verenigd in een unie van producentenorganisaties, terwijl in onderhavige zaken sprake is van een producentenorganisatie en haar leden, van wie de laatstgenoemden niet zijn erkend.

3. Appellanten hebben – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. In de eerste plaats betogen zij dat zij wel degelijk een eigen rechtstreeks belang hebben. Daartoe stellen zij dat zij aangesloten waren bij Fresq. De beslissingen ten aanzien van Fresq raken hen daarom ook financieel. Verder stellen zij dat appellant sub 3 bestuurder was van Fresq en civielrechtelijk aansprakelijk is gesteld als bestuurder. De aansprakelijkheid is gestoeld op het vermeend onrechtmatig handelen jegens verweerder, doordat gelden zouden zijn doorbetaald aan leden zonder dat zakelijke zekerheid is bedongen voor terugbetaling, indien de subsidies, zoals voor het bestuur te verwachten was, zouden worden teruggevorderd. Bovendien is er een strafrechtelijk onderzoek gestart naar appellanten (beweerdelijk) vanwege handelen dat verband houdt met de intrekking van de erkenning als producentenorganisatie. Appellanten wijzen erop dat die intrekking verband houdt met het vermeende handelen van appellanten. Die intrekking is (mede) gebaseerd op de inbreuk die zou zijn gemaakt op het vereiste dat er geen misbruik mag worden gemaakt van macht van één of meer leden of dat één of meer leden invloed uitoefenen ten aanzien van het beheer en de werking van de producentenorganisatie. Appellanten hebben voorts erop gewezen dat zij wel in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van intrekking van de erkenning als producentenorganisatie van Fresq, op de voet van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb.

4.1

Ter beoordeling staat of verweerder zich in de bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk zijn, omdat zij geen belanghebbende zijn.

4.2

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om van een rechtstreeks belang te kunnen spreken moet er een voldoende direct geraakt belang zijn. In de eis van direct geraakt belang komt tot uitdrukking dat er een voldoende causaal verband moet zijn tussen de gevolgen van een besluit en de belangen van een partij. In beginsel wordt een zodanig belang niet aangenomen in geval van een zogeheten afgeleid belang; dat wil zeggen in de situatie waarin het besluit slechts indirect de betrokken belangen raakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College 25 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:243).

4.3

De bezwaren van appellanten zijn gericht tegen de intrekking van de erkenning als producentenorganisatie van FresQ en de daarmee verband houdende terugvordering van de subsidie van FresQ. FresQ is de geadresseerde van die besluiten; niet appellanten.

Voor zover appellanten sub 1 en 3 menen als lid en (voormalig) bestuurder van FresQ belang bij die intrekking en terugvordering te hebben, moet worden geoordeeld dat zij in zoverre geen rechtstreeks, maar een van FresQ afgeleid belang bij die intrekking en terugvordering hebben. Een mogelijk financieel belang van appellante sub 1, bij herroeping van die beslissingen is uitsluitend gebaseerd op de hoedanigheid van appellante sub 1 als lid van FresQ en is dus geen eigen, aan FresQ tegengesteld belang, maar een van FresQ bij die beslissingen afgeleid belang. Aan de omstandigheid dat de intrekking van de erkenning als producentenorganisatie van FresQ en de daarmee verband houdende terugvordering van subsidie van FresQ mede is gebaseerd op het vermeende handelen van appellanten, komt op zich zelf genomen geen betekenis toe, omdat het belang van appellanten betrokken moet zijn bij het rechtsgevolg waarop dat besluit is gericht en niet op de motivering ervan. Dat appellant sub 3 als voormalig bestuurder van FresQ civielrechtelijk aansprakelijk is gesteld en mogelijk strafrechtelijk wordt vervolgd, vloeit niet rechtstreeks voort uit de intrekking van de erkenning van FresQ als producentenorganisatie en de terugvordering van de subsidie van FresQ. De omstandigheid dat verweerder appellanten op grond van artikel 4:8 van de Awb in de gelegenheid heeft gesteld, hun zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van de (voorgenomen) intrekking van de erkenning als producentenorganisatie van FresQ dwingt het College voorts niet om, in weerwil van het hiervoor overwogene, appellanten als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken.

5. De conclusie is dat verweerder de bezwaren van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6. De beroepen van appellanten zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. A. Venekamp en mr. B. Verwayen, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.

w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk