Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:318

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
16/44 16/45
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering tot wederinvoer in de Europese Unie (EU) vanuit Egypte van twee containers met diepgevroren rundvlees zonder been, bestemd voor menselijke consumptie. Begrip wederinvoer in artikel 15 richtlijn 97/78/EG. Moet non-manipulatieverklaring zijn afgegeven door bevoegde autoriteit in derde land? Appellanten zijn met de door hen overgelegde stukken, waaronder non-manipulatieverklaringen, niet geslaagd in het door hen op grond van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG door middel van documenten te leveren bewijs dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer van de producten is voldaan en dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat de producten gedurende ruim zeven maanden in Egypte zijn geweest en dat de conatiners in Egypte geopend zijn geweest en van nieuwe zegels zijn voorzien zonder dat appellanten daarover verifieerbare informatie hebben verstrekt. Geen schending van het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2017/32

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/44 en 16/45

11226

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 oktober 2016 in de zaken tussen

Blue Water Shipping B.V. (Blue Water Shipping) te Barendrecht en

Ekro B.V. (Ekro) te Apeldoorn, appellanten

(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 september 2015 (primaire besluiten) heeft verweerder de wederinvoer in de Europese Unie (EU) vanuit Egypte van twee containers met diepgevroren rundvlees zonder been, bestemd voor menselijke consumptie, geweigerd.

Bij twee gelijkluidende besluiten van 8 januari 2016, waarvan er één is gericht aan Blue Water Shipping en één aan Ekro (bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard, de primaire besluiten gehandhaafd en het verzoek om integrale vergoeding van de proceskosten afgewezen.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het College heeft op verzoek van appellanten bepaald dat de beroepen versneld worden behandeld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2016. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Verder is namens verweerder nog verschenen drs. R. van Rooij, inspecteur en dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Bij beschikking van 21 april 2016 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder verzocht een aantal vragen te beantwoorden. Op het antwoord van verweerder hebben appellanten schriftelijk gereageerd.

Na verkregen toestemming van partijen om uitspraak te doen zonder nadere zitting heeft het College op 22 juli 2016 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de navolgende, in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Ekro heeft diepgevroren rundvlees, kalfsvlees, zonder been, bestemd voor menselijke consumptie (producten) verkocht aan een afnemer in Caïro, Egypte. Blue Water Shipping is belast met het transport. Het vlees is verpakt in plastic met etiketten en gepakt in dozen met een bandverzegeling. De dozen zijn voor vervoer geladen in twee containers. Het gaat om de volgende containers met partijen:

container GDB aantal certificaat netto

nummer nummer colli nummer gewicht

besluit 1 MNBU308522-1 15048391 1282 96643705 19361 kg

besluit 2 PONU488710-0 15048392 1289 97697718 20321 kg

Een officiële dierenarts van de NVWA heeft op 7 oktober 2014, respectievelijk 17 november 2014, per container een (veterinair) gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 79 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) afgegeven, voor de uitvoer van deze containers met producten naar Egypte. De containers zijn op verschillende data per schip vervoerd van Rotterdam naar Alexandrië, Egypte, waar zij op 27 oktober 2014, respectievelijk 9 december 2014 zijn aangekomen. De producten zijn in Egypte niet bij de daartoe bevoegde autoriteiten ten invoer aangegeven. De containers zijn in Alexandrië opgeslagen in de Alexandria International Container Terminals (Terminal). De koper heeft de producten wegens door hem gestelde financiële problemen niet afgenomen. De bij vertrek uit Nederland aangebrachte zegels van de containers zijn tijdens het verblijf van de containers in Egypte verbroken en vervangen door andere zegels. De containers met producten zijn op 26 april respectievelijk 1 mei 2015 terug verscheept naar Rotterdam waar zij op 13 mei 2015 (GDB 15048391), respectievelijk 20 mei 2015 (GDB 15048392) zijn aangekomen. Voorafgaand aan de aankomst van deze containers in Rotterdam was hierover bij de NVWA geen informatie bekend.

1.2.

Op 3 juni 2015 hebben appellanten bij verweerder de volgende documenten overgelegd:

1.2.1.

Twee zogenoemde T5-formulieren, gedateerd 2 juni 2015, voor de T5-procedure door de NVWA in geval van kanalisatie naar het bedrijf van bestemming van dierlijke producten bij invoer of wederinvoer uit derde landen, met daarop de door appellanten ingevulde informatie: “kanalisatie ingevolge art. 8 lid 4 voor de richtlijn 97/78 EG”.

1.2.2.

Twee ‘pre-arrival verklaringen’ (vooraanmeldingen), één per container, gedateerd 2 juni 2015, waarop door appellanten als bestemming van de containers is vermeld: wederinvoer.

1.2.3.

Twee kopieën van een ‘bill of lading’ (cognossement) en twee kopieën van een ‘non-negotiable waybill’ (vrachtbrieven), steeds één per container en afgegeven door de vervoerder die de betreffende container per schip heeft vervoerd van Rotterdam naar Alexandrië, respectievelijk van Alexandrië naar Rotterdam.

1.2.4.

Brief van 29 mei 2015 van Ekro met de reden voor retour als hiervoor onder 1.1. vermeld.

1.2.5.

Twee ingevulde formulieren ‘model non manipulation declaration’ voor BPR 30 retourpartijen, beweerdelijk ingevuld door of namens de ‘Terminal Manager’ van Alexandria International Containers Terminals te Alexandrië wiens naam onderaan het formulier is vermeld. Slechts één van beide formulieren is ondertekend. Beide formulieren bevatten de volgende voorgedrukte verklaringen: “I the undersigned, authorised functionary, guarantee that the products referred to in this declaration have been stored under our supervision from the date of arrival to the date of departure.” en “The above mentioned products have been stored under our supervision under the required conditions for the type of product. The products have never left the storage during the stay in our country. The products were not changed or manipulated.”

Het ondertekende formulier van GDB 15048391 is gedateerd 12 mei 2015 en bevat onder meer de volgende informatie:

Arrival date: 27-10-2014 Departure date:

Seal no. arrival: PON4932110 Seal no. departure: EG1118732

Inspected as Overdue Container on 16-12 2014 Weight: 21170.85 kgs

Het niet ondertekende formulier van GDB 15048392 is gedateerd 13 mei 2015 en bevat onder meer de volgende informatie:

Arrival date: 9-12-2014 Departure date: 26-4-2015

Seal no. arrival: PON4932071 Seal no. departure: D615659

Inspected as Overdue Container Weight: 12684 kgs

1.3.

Het verzoek van appellanten om toestemming voor wederinvoer is door verweerder beoordeeld aan de hand van de zogenoemde procedure BPR 30 Retourpartijen (BPR30-procedure). Deze procedure is gebaseerd op artikel 15 van richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (richtlijn 97/78/EG) en bepaalt hoe de NVWA de controle moet uitvoeren van een retourpartij, die wordt aangeboden om opnieuw in de EU toegelaten te worden. De BPR30-procedure bestaat uit een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en een materiële controle. Het verloop van deze procedure is openbaar gemaakt en via internet te raadplegen.

1.4.

Met twee (thans niet in geding zijnde) besluiten van 17 augustus 2015 heeft de NVWA de producten voor wederinvoer in de Europese Unie geweigerd op de grond dat geen non-manipulatieverklaring van de bevoegde autoriteit is ingediend als is vereist op grond van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG in samenhang met de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) (Warenwetregeling). Appellanten hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, de op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegde bestuursrechter, verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen bij uitspraak van 14 september 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6580, waarnaar hierbij kortheidshalve wordt verwezen. De NVWA heeft vervolgens de besluiten van 17 augustus 2015 ingetrokken en nieuwe besluiten aangekondigd. Aan de intrekking is het volgende ten grondslag gelegd: ‘Aangezien het hier gaat om een partij kalfsvlees waarvoor op grond van artikel 79 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren een gezondheidscertificaat is afgegeven voor de export naar Egypte en weer terugkomt op ditzelfde gezondheidscertificaat is de grondslag voor het terugkomen van de partij gelegen in de Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten en niet de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen).’

1.5.

Met de twee thans in geding zijnde primaire besluiten van 18 september 2015, die elk betrekking hebben op één container met producten, heeft de NVWA, maar nu namens verweerder, de wederinvoer in de Europese Unie van de producten opnieuw geweigerd op de grond dat geen non-manipulatieverklaring van de bevoegde autoriteit is ingediend als is vereist op grond van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG, maar nu in samenhang gelezen met de Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten (Regeling). Verder is bepaald dat de besluiten in de plaats treden van de eerdere besluiten van 17 augustus 2015 en met terugwerkende kracht vanaf die datum in werking treden.

1.6.

Appellanten hebben tegen deze primaire besluiten bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van het College, dat ingevolge artikel 4 van bijlage 2 bij de Awb bevoegd is te oordelen over een beroep dat is ingesteld tegen besluiten op grond van de GWWD, verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen bij uitspraak van 17 november 2015, ECLI:NL:CBB:2015:391, waarnaar hierbij kortheidshalve wordt verwezen.

1.7.

Met het bestreden besluit van 8 januari 2016 heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd. Aan het bestreden besluit zijn door verweerder de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 van de hiervoor onder 1.6 vermelde uitspraak van de voorzieningenrechter van het College mede ten grondslag gelegd als zijn standpunt.

2.1.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten op de hierna vermelde gronden beroep ingesteld. Zij stellen zich kort gezegd op het standpunt dat de producten voedselveilig zijn en ten onrechte zijn geweigerd. Verweerder heeft verweer gevoerd en het door hem in de bestreden besluitvorming ingenomen standpunt gehandhaafd.

2.2.

Het College heeft op verzoek van appellanten bepaald dat de beroepen versneld worden behandeld als bedoeld in artikel 8:52 van de Awb. In verband daarmee heeft verweerder toegestaan dat de in geding zijnde producten tijdens de beroepsprocedure in een koelcel in opslag mogen blijven en, anders dan eerder was bericht, niet meteen hoeven te worden vernietigd.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

Ter zitting is aan de orde geweest of er in dit geding aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over de uitleg van richtlijn 97/78/EG met betrekking tot de hierna onder 3.6.1 en 3.8.2 vermelde onderwerpen. Appellanten hebben desgevraagd aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben. Gelet hierop bepaalt het College met toepassing van artikel 8:53 van de Awb dat de zaken een gewone behandeling vorderen en niet langer versneld maar op de gewone wijze worden behandeld.

3.2.

Ingevolge artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het College, indien in een hem voorgelegd geschil onduidelijkheid bestaat over de uitleg van Europese regelgeving, gehouden het Hof van Justitie daarover een prejudiciële vraag te stellen indien het een prejudiciële beslissing van het Hof met een antwoord op die vraag noodzakelijk acht voor het doen van zijn uitspraak. Het College is, mede op grond van de na de heropening van het onderzoek verstrekte informatie van partijen, van oordeel dat er in dit geding geen aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen. Het College verwijst in dit verband naar wat hierna onder 3.6.1 en 3.8.2 wordt overwogen.

3.3.

In dit geding is de volgende regelgeving van belang.

Richtlijn 97/78/EG luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

“Artikel 1

De lidstaten verrichten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn.

Artikel 2

1. Voor de toepassing van deze richtlijn gelden, voorzover nodig, de definities van artikel 2 van Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, en van artikel 2 van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt.

2. Voorts wordt verstaan onder:

a) „producten”: producten van dierlijke oorsprong zoals bedoeld in de Richtlijnen 89/662/EEG en 90/425/EEG, met inbegrip van bijproducten van dierlijke oorsprong die niet vallen onder bijlage II bij het Verdrag, alsmede, de in artikel 19 bedoelde plantaardige producten;

(..)

f) „partij”: een hoeveelheid producten van dezelfde aard, waarvoor dezelfde veterinaire certificaten of veterinaire documenten of dezelfde andere door de

veterinaire wetgeving voorgeschreven documenten gelden, die met hetzelfde vervoermiddel wordt vervoerd en die afkomstig is uit hetzelfde derde land of

gedeelte van een derde land;

(..)

h) „invoer”: het in het vrije verkeer brengen van producten alsmede het voornemen tot het in het vrije verkeer brengen van producten in de zin van artikel 79 van

Verordening (EEG) nr. 2913/92;
k) „bevoegde autoriteit”: de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is voor de verrichting van de veterinaire controles, of elke autoriteit waaraan de centrale autoriteit deze bevoegdheid heeft overgedragen (..)

Artikel 3

1. De lidstaten zien erop toe dat er op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden geen partijen uit een derde land worden binnengebracht die niet de bij deze richtlijn voorgeschreven veterinaire controles ondergaan hebben. (..)

(..)

Artikel 15

1. Een lidstaat geeft toestemming voor wederinvoer van een door een derde land geweigerde partij uit de Gemeenschap afkomstige producten, indien

a) de producten vergezeld gaan van

i) het originele certificaat of een gewaarmerkt afschrift van de bevoegde autoriteit die het certificaat heeft afgegeven dat de producten begeleidt, onder vermelding van de redenen van de weigering en van de garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer van de producten voldaan is en waarop gepreciseerd wordt dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan;

ii) in het geval van verzegelde containers, een attest van de vervoerder waarin wordt verklaard dat de inhoud niet bewerkt of uitgeladen werd;

b) de betrokken producten een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en, in de in artikel 20 bedoelde gevallen, een materiële controle ondergaan;

c) de partij onder de in artikel 8, lid 4, bedoelde voorwaarden rechtstreeks teruggaat naar de inrichting van oorsprong in de lidstaat waar het certificaat is afgegeven en dat, wanneer die terugzending met vervoer door een andere lidstaat gepaard gaat, daartoe namens alle bij deze doorvoer betrokken lidstaten, vooraf toestemming is gegeven door de officiële dierenarts van de grensinspectiepost van de lidstaat waar de partij voor het eerst op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden aankomt. (..)”

Bijlage I bij richtlijn 97/78/EG luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

“DE IN ARTIKEL 1 BEDOELDE GRONDGEBIEDEN

(..)

10. Het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

(..)”

De Regeling bevat, voor zover thans van belang, de volgende bepaling.

“Artikel 3.2.3.2

1. Ten aanzien van een partij in Nederland te brengen producten die eerder vanuit het grondgebied van de Europese Unie zijn verzonden naar een derde land en vervolgens door het derde land zijn geweigerd, gelden in aanvulling op paragraaf 3.2.2 de volgende voorwaarden:

a. de minister heeft toestemming verleend voor het brengen van deze partij in Nederland;

b. de partij gaat vergezeld van het originele certificaat, verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van waaruit de partij was verzonden, dan wel van een door de bevoegde van dat derde land gewaarmerkt afschrift daarvan, met vermelding van:

1°. de redenen van weigering;

2°. de garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer is voldaan;

3°. de garantie dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan;

4°. ingeval de partij zich bevindt in een verzegelde container, een verklaring dat de inhoud van de container niet wordt bewerkt of uitgeladen;

c. de bevoegde autoriteit van de lidstaat van waaruit de partij was verzonden, heeft ingestemd met terugname van de partij;

d. de partij gaat rechtstreeks terug naar de inrichting van oorsprong, via verzegelde en lekvrije voertuigen of containers;

e. de uitvoeringsbepalingen, gesteld bij krachtens artikel 15, zesde lid, van richtlijn nr. 97/78/EEG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel.

2. Onder weigering door het derde land als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan het weigeren of niet afnemen van een partij door een afnemer in het derde land.

(..)”

3.4.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of verweerder terecht de wederinvoer in de Europese Unie vanuit Egypte van twee containers met diepgevroren rundvlees zonder been, bestemd voor menselijke consumptie, heeft geweigerd op de grond dat niet aan de eisen van wederinvoer wordt voldaan en er met name geen non-manipulatieverklaring van een bevoegde autoriteit is overgelegd.

3.5.

Appellanten hebben als beroepsgrond aangevoerd dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust, in die zin dat richtlijn 97/78/EG en de GWWD en de Regeling niet van toepassing zijn. Het College volgt appellanten in dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.

3.5.1.

Uit de titel van richtlijn 97/78/EG volgt dat deze betrekking heeft op de vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht. Blijkens overweging 1 van de considerans van richtlijn 97/78/EG gaat het hierbij om dierlijke producten, producten van dierlijke oorsprong en plantaardige producten die ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke dierziekten aan een controle worden onderworpen en die ook zijn vermeld in de lijst van bijlage II bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Blijkens die bijlage valt daaronder ‘Vlees en eetbare slachtafvallen’. Verder volgt uit artikel 2 van richtlijn 97/78/EG en de daarin opgenomen verwijzingen dat deze richtlijn betrekking heeft op producten van dierlijke oorsprong, waaronder vers vlees of vleesproducten. Het College stelt vast dat het in dit geding onmiskenbaar gaat om producten van dierlijke oorsprong als hiervoor bedoeld die vanuit Egypte, een zogenoemd derde land, in de Europese Unie (EU) worden binnengebracht. Dat het hier gaat om diepgevroren rundvlees en niet om vers vlees en dat het rundvlees niet zijn oorsprong heeft in Egypte, als door appellanten is aangevoerd ter ondersteuning van hun standpunt dat de in geding zijnde producten niet vallen onder de bepalingen van richtlijn 97/78/EG, zijn geen feiten waar verweerder geen rekening mee heeft gehouden of die het College in het kader van de van toepassing zijnde regelgeving leiden tot een ander dan voormeld oordeel. Artikel 15 van richtlijn 97/78/EG bevat specifieke bepalingen voor de situatie van wederinvoer in de EU van producten van de EU. Controles bij wederinvoer vinden plaats omdat, als gesteld door verweerder en vermeld in overweging 13 van de considerans van richtlijn 97/78/EG, producten van de Gemeenschap die door een derde land worden geweigerd en naar de Gemeenschap worden teruggezonden, worden geacht niet langer aan de communautaire voorschriften te voldoen. Ten slotte volgt uit artikel 3, eerste lid, van richtlijn 97/78/EG dat geen partijen uit een derde land in de EU mogen worden binnengebracht die niet de bij deze richtlijn voorgeschreven veterinaire controles ondergaan hebben. Het College is gelet op het vorenstaande dan ook van oordeel dat richtlijn 97/78/EG in dit geding van toepassing is.

3.5.2.

Het College verwijst ter onderbouwing van zijn oordeel dat in dit geding ook de GWWD van toepassing is naar het gelijkluidende oordeel van de voorzieningenrechter van het College in rechtsoverweging 4.1 van zijn uitspraak als hiervoor onder 1.6 vermeld. De artikelen 10 en 11 van de GWWD geven verweerder de bevoegdheid tot het stellen van regels voor het in Nederland brengen van producten van dierlijke oorsprong en vormen de grondslag voor de Regeling die daarom in dit geding eveneens van toepassing is.

3.6.

Appellanten hebben als beroepsgrond aangevoerd dat artikel 15 van richtlijn 97/78/EG in dit geding toepassing mist. Het College volgt appellanten in dit standpunt evenmin en overweegt daartoe als volgt.

3.6.1.

Artikel 15 van richtlijn 97/78/EG heeft volgens appellanten uitsluitend betrekking op wederinvoer van een door een derde land geweigerde partij uit de Gemeenschap afkomstige producten. Dit artikel heeft volgens hen geen betrekking op partijen, als in dit geding aan de orde, die niet zijn geweigerd maar om handelstechnische redenen terugkeren. Het tweede lid van artikel 3.2.3.2 van de Regeling, waarop verweerder zich ter ondersteuning van zijn andersluidende standpunt beroept, is volgens appellanten een ontoelaatbare uitbreiding van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG. Het College ziet in het kader van het voorliggende geschil geen aanleiding om daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, zoals volgt uit wat hierna onder 3.6.2. wordt overwogen.

3.6.2.

Tussen partijen is niet in geschil, en het College stelt vast, dat appellanten, na de terugkeer van de containers met producten in Rotterdam, verweerder zelf hebben verzocht om toestemming voor wederinvoer als bedoeld in artikel 15 van richtlijn 97/78/EG. Dit blijkt met name uit de inhoud van de hiervoor onder 1.2.2 vermelde vooraanmeldingen, waarin de bestemming ‘wederinvoer’ is vermeld. De stelling van verweerder dat daarmee is bedoeld de voor de toepassing van richtlijn 97/78/EG van belang zijnde ‘veterinaire bestemming’ is door appellanten niet betwist, zodat het College daarvan uitgaat. De stelling van appellanten dat wederinvoer niet alleen een veterinaire bestemming is, maar ook een douanebestemming die na aankomst van de containers in Rotterdam nog kan worden gewijzigd, wat daar verder ook van zij, baat appellanten niet, reeds omdat niet is gebleken dat appellanten om een wijziging van de door hen opgegeven bestemming ‘wederinvoer’ hebben verzocht. Het College merkt hierbij nog op dat, zoals gesteld door verweerder, appellanten op de vooraanmeldingen ook een andere veterinaire bestemming hadden kunnen vermelden, zoals bijvoorbeeld doorvoer. Appellanten hebben dat niet gedaan maar verweerder om toestemming gevraagd voor wederinvoer als bedoeld in artikel 15 van richtlijn 97/78/EG. Gelet hierop heeft verweerder terecht en op goede gronden op het verzoek om toestemming tot wederinvoer beslist met toepassing van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG. Dit laatste is ook niet in het nadeel van appellanten, aangezien tussen partijen vast staat dat invoer van rundvlees met een oorsprong in Egypte in de EU niet is toegestaan. De vraag of in het algemeen geldt dat artikel 15 van richtlijn 97/78/EG ook betrekking heeft op producten die niet door een derde land zijn geweigerd maar die om handelstechnische redenen vanuit een derde land terugkeren naar de EU en of het tweede lid van artikel 3.2.3.2. een juiste implementatie bevat van dat artikel, die aanleiding zou kunnen zijn tot het stellen van prejudiciële vragen, hoeft daarom in dit geding niet te worden beantwoord.

3.6.3.

Het door appellanten aangevoerde standpunt dat geen sprake is van wederinvoer omdat zij de in geding zijnde producten niet in het vrije verkeer van de EU willen brengen leidt het College niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft in de door hem na de zitting verstrekte informatie vermeld dat bij wederinvoer de in geding zijnde producten in de EU in het vrije verkeer worden gebracht, zodat deze vrij binnen de EU kunnen bewegen. Appellanten hebben in hun schriftelijke reactie deze informatie weliswaar als ‘niet opportuun en niet relevant’ aangemerkt, maar niet betwist. Het College ziet geen aanknopingspunt om niet van de juistheid van voormelde informatie van verweerder uit te gaan. Dat appellanten ter zitting hebben aangevoerd dat zij de producten in Nederland slechts willen ompakken in verpakkingen met een nieuwe houdbaarheidsdatum om deze producten vervolgens vanuit Nederland opnieuw te kunnen uitvoeren naar een derde land, maakt niet dat de producten bij wederinvoer binnen de EU niet in het vrije verkeer worden gebracht en dat geen sprake is van wederinvoer in de zin van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG.

3.6.4.

Gelet op wat hiervoor onder 3.6.2 en 3.6.3 is overwogen, heeft verweerder het verzoek van appellanten om toestemming voor wederinvoer terecht en op goede gronden getoetst aan artikel 15 van richtlijn 97/78/EG en artikel 3.2.3.2, eerste lid, van de Regeling. Het College ziet geen aanleiding om niet van de verbindendheid van laatst vermelde bepaling uit te gaan.

3.7.

Appellanten hebben verder als beroepsgrond aangevoerd dat uit artikel 15 van richtlijn 97/78/EG niet volgt dat een non-manipulatieverklaring moet worden overgelegd.

3.7.1.

Voor zover appellanten in beroep hebben beoogd aan te voeren dat het overleggen van een non-manipulatieverklaring niet is vereist indien, als in dit geval aan de orde, de originele certificaten zijn overgelegd, is het College van oordeel dat dit standpunt berust op een onjuiste lezing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, sub i, van richtlijn 97/78/EG. Het College stelt vast dat deze bepaling een cumulatieve opsomming bevat van over te leggen verklaringen en garanties, die ook zijn vermeld in artikel 3.2.3.2, eerste lid, van de Regeling.

3.7.2.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat uit artikel 15 van richtlijn 97/78/EG volgt dat de voor wederinvoer aangeboden producten vergezeld moeten gaan van de (lees: schriftelijke) garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer van de producten voldaan is en waarop gepreciseerd wordt dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan (deze garantie wordt door verweerder ook wel aangeduid met de term non-manipulatieverklaring). In het kader van de hiervoor onder 1.3 vermelde documentencontrole moet mede uit die schriftelijke garantie blijken dat het product bij wederinvoer voldoet aan de EU-invoervoorwaarden, zoals ook bij reguliere invoer een partij moet zijn gecertificeerd ten bewijze van het voldoen aan de EU-invoervoorwaarden. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond dat geen non-manipulatieverklaring hoeft te worden overgelegd niet. Het standpunt van appellanten dat ook op een andere wijze kan worden vastgesteld dat de producten precies dezelfde zijn als die eerder zijn uitgevoerd en dat zij niet zijn gemanipuleerd, te weten aan de hand van de aangebrachte originele bandverzegeling, de etiketten op de dozen, de etiketten op de verpakking en een controle van de producten, wat daar verder ook van zij, maakt dit niet anders en slaagt daarom evenmin.

3.8.

Partijen zijn vervolgens verdeeld over de vraag of de door appellanten overgelegde non-manipulatieverklaringen voldoen aan de daaraan ingevolge artikel 15 van richtlijn 97/78/EG te stellen eisen.

3.8.1.

Verweerder is van oordeel dat voormelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Enerzijds omdat de door appellanten overgelegde non-manipulatieverklaringen niet voldoen aan de op grond van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG geldende eis, als ook vermeld in artikel 3.2.3.2 van de Regeling, dat zij moeten zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit van een derde land. Anderzijds omdat verweerder, in navolging van de voorzieningenrechter van het College als hiervoor onder 1.6 en 1.7 vermeld, stelt dat, kort gezegd, de door appellanten overgelegde non-manipulatieverklaringen niet volledig en juist zijn ingevuld.

3.8.2.

Met betrekking tot de, door verweerder gehanteerde en door appellanten betwiste, afwijzingsgrond dat een non-manipulatieverklaring moet zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit uit het derde land, overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat voormeld vereiste niet is vermeld of volgt uit de tekst van richtlijn 97/78/EG en wel is vermeld in artikel 3.2.3.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling en de daarop gebaseerde BPR30-procedure. Van het bestaan van Europese regelgeving waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de in artikel 15 van richtlijn 97/78/EG bedoelde garantie, dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer van de producten voldaan is en waarop gepreciseerd wordt dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan, moet zijn afgegeven door een autoriteit uit het derde land, is het College niet gebleken en verweerder heeft die desgevraagd niet kunnen aanwijzen. In artikel 2, tweede lid, onder k, van richtlijn 97/78/EG is bevoegde autoriteit, voor zover hier van belang, gedefinieerd als autoriteit van een lidstaat. De term bevoegde autoriteit in artikel 15 van richtlijn 97/78/EG zou dus, als deze betrekking had op een niet-EU-autoriteit, in afwijking van die definitiebepaling gelezen moeten worden. Verweerder heeft desgevraagd aangevoerd dat, nu het normaal gesproken een bevoegde autoriteit in het derde land is die een partij certificeert ten behoeve van het voldoen aan de EU-invoervoorwaarden, het naar analogie daarvan in de rede ligt dat ook een non-manipulatieverklaring moet worden afgegeven door een bevoegde autoriteit in het derde land. Het College acht dit enkele standpunt onvoldoende om in dit geding van de juistheid daarvan uit te gaan. Het College wijst er in dit verband op dat de in geding zijnde partijen in Egypte zijn geweest, zonder daar aan een Egyptische autoriteit aangeboden te zijn. Verweerder heeft desgevraagd niet duidelijk gemaakt op welke wijze deze partijen onder de aandacht van de Egyptische autoriteiten gebracht hadden moeten worden. Het College volgt verweerder niet in zijn standpunt dat appellanten de partijen hadden moeten invoeren en deze vervolgens weer hadden moeten uitvoeren om ze, met verklaringen van de Egyptische autoriteiten, terug in Nederland te krijgen. Tussen partijen staat immers vast, en ook het College gaat er van uit, dat invoer in Nederland van rundvlees uit Egypte niet is toegestaan. De door verweerder gestelde mogelijkheid om de partijen daarna weer naar Nederland te brengen was daarom voor appellanten geen reële optie. Gelet op het vorenstaande kan betwijfeld worden of verweerder moet worden gevolgd in zijn interpretatie op dit punt van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG. Het College ziet echter geen aanleiding om daarover in dit geding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof omdat dit niet tot een andere uitkomst van het geschil zou kunnen leiden. Het College overweegt daartoe dat het van oordeel is dat zelfs als de in geding zijnde non-manipulatieverklaringen, als gesteld door appellanten en betwist door verweerder, niet aan bewijskracht inboeten omdat zij, naar tussen partijen vast staat, niet zijn afgegeven door een Egyptische autoriteit als door verweerder bedoeld, aan deze verklaringen niet de bewijskracht kan worden toegekend die appellanten daar in dit geding aan toegekend willen zien. De door appellanten overgelegde non-manipulatieverklaringen bieden naar het oordeel van het College, als hierna onder 3.8.3 meer uitgebreid vermeld, niet de in artikel 15 van richtlijn 97/78/EG bedoelde garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer van de producten is voldaan en dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan.

3.8.3.

Met betrekking tot de afwijzingsgrond dat, samengevat, de overgelegde non-manipulatieverklaringen niet juist en volledig zijn ingevuld, overweegt het College als volgt.

Verweerder heeft de aanvraag van appellanten om toestemming voor wederinvoer beoordeeld aan de hand van de op richtlijn 97/78/EG gebaseerde BPR30-procedure, als hiervoor onder 1.3 vermeld. De beroepsgrond dat dit louter een interne procedure van verweerder betreft slaagt, gelet op de wettelijke grondslag van die procedure, niet. Het College gaat er van uit dat appellanten, als professionele marktdeelnemers, ten tijde van hun verzoek om toestemming voor wederinvoer bekend waren met deze procedure en dat zij wisten dat zij in het kader van die procedure voor de documentencontrole een non-manipulatieverklaring moesten overleggen. Dit leidt het College ook af uit het feit dat zij non-manipulatieverklaringen hebben overgelegd, als hiervoor onder 1.2.5. vermeld. Zij hebben daarbij gebruik gemaakt van het juiste formulier, te weten het formulier dat behoort bij de BPR30-procedure. Gelet hierop was naar het oordeel van het College bij appellanten ook bekend welke informatie ten behoeve van de door verweerder uit te voeren controle op een dergelijk formulier moest worden vermeld. Gesteld noch gebleken is dat er voor de aldus te verstrekken informatie geen juridische grondslag in richtlijn 97/78/EG is aan te wijzen. Slechts de vraag of de BPR30-procedure strookt met die richtlijn voor zover in die procedure is opgenomen dat een non-manipulatieverklaring moet zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit uit het derde land kan, als hiervoor onder 3.8.2 overwogen, thans niet worden beantwoord, maar deze kan in dit geding in het midden blijven. Mede gelet op het feit dat in een aanvraagsituatie als in dit geding aan de orde het in beginsel op de weg ligt van de aanvrager om de voor die aanvraag benodigde duidelijkheid te verschaffen, lag het op de weg van appellanten om ervoor te zorgen dat met de non-manipulatieverklaringen de informatie wordt verstrekt waarnaar op het betreffende formulier wordt gevraagd.

3.8.4.

Het College stelt vervolgens met verweerder vast dat de door appellanten overgelegde non-manipulatieverklaringen niet juist en volledig zijn ingevuld. Het College verwijst in dit verband naar wat hiervoor onder 1.2.5 is vermeld. Eén van de non-manipulatieverklaringen is niet ondertekend en het op die verklaring vermelde totale gewicht van de producten komt niet overeen met het gewicht dat met betrekking tot die producten op het veterinaire gezondheidscertificaat en op de vrachtbrieven is vermeld. Door het ontbreken van een handtekening op de daarvoor bestemde ruimte in het gebruikte formulier van de non-manipulatieverklaring, is niet aannemelijk gemaakt dat, zoals gesteld door appellanten, een terminal manager met de inhoud van die verklaring heeft ingestemd. Het College volgt appellanten verder niet in hun standpunt dat bedoelde onjuiste vermelding van het gewicht berust op een kennelijke verschrijving. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat van een kennelijke verschrijving geen sprake is nu vijf getallen op rij verkeerd zijn ingevuld. Bovendien hebben appellanten ook overigens niets aangevoerd dat het verschil in het vermelde gewicht kan verklaren. Het College stelt verder met betrekking tot de andere overgelegde non-manipulatieverklaring vast dat op de daarvoor bestemde ruimte geen vertrekdatum van de producten is vermeld. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat de verklaring betrekking heeft op de volledige periode waarin de producten in de terminal opgeslagen zijn geweest. Gelet verder op de op beide verklaringen ontbrekende gegevens met betrekking tot het aantal colli en het nummer van het originele gezondheidscertificaat rijst bij het College de vraag of degenen die de formulieren hebben ingevuld over voldoende informatie beschikten om dat in overeenstemming met de werkelijkheid te kunnen doen.

3.8.5.

Gelet op hetgeen is overwogen in 3.8.1 tot en met 3.8.4 is het College van oordeel dat de door appellanten overgelegde non-manipulatieverklaringen - ongeacht of zij op grond van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG afkomstig hadden moeten zijn van een bevoegde Egyptische autoriteit - niet voldoen aan de (overige) daaraan ingevolge artikel 15 van richtlijn 97/78/EG te stellen eisen.

3.9.1.

Het College is verder van oordeel dat de hiervoor onder 3.8 vastgestelde gebreken in de non-manipulatieverklaringen niet, althans niet volledig, kunnen worden hersteld door de beschikbare informatie in de overige door appellanten aan verweerder verstrekte stukken, als hiervoor onder 1.2 vermeld. Daarbij kent het College, evenals verweerder, betekenis toe aan het feit dat de producten gedurende ruim zeven maanden in Egypte zijn geweest en dat de containers in die periode geopend zijn geweest en van nieuwe zegels zijn voorzien, zonder dat appellanten daar verifieerbare schriftelijke informatie over hebben verstrekt waarvan verweerder in het kader van de documentencontrole kennis heeft kunnen nemen.

3.9.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat de zegels zijn verbroken en de containers zijn geopend omdat dit voorafgaand aan de verscheping vanuit Egypte naar Nederland een door de verschillende kapiteins gestelde voorwaarde was om de inhoud van de containers te controleren. Volgens appellanten is er met de inhoud van de containers verder niets gebeurd. Het College acht deze toelichting onvoldoende om van de juistheid daarvan uit te gaan. Het College merkt hierbij op dat, anders dan appellanten menen, hun in dit geding niet wordt verweten dat de containers niet met dezelfde verzegeling zijn teruggekeerd als waarmee zij uit de EU zijn vertrokken, zodat de door haar aangevoerde beroepsgrond dat voor een dergelijke eis geen wettelijke grondslag is aan te wijzen, geen verdere bespreking behoeft. Het gaat in dit geding niet om de zegels zelf, maar om de niet met schriftelijke stukken onderbouwde en daardoor onduidelijk gebleven omstandigheden waaronder die zegels zijn vervangen. Er zijn geen documenten beschikbaar waaruit blijkt wanneer, waar en om welke reden de containers zijn geopend, wat er na het openen van de containers met de inhoud daarvan is gebeurd en of de producten steeds op een juiste wijze opgeslagen zijn geweest. Appellanten hebben ter zitting aangeboden om de ontbrekende informatie alsnog in Egypte op te vragen en te verstrekken, evenals andere stukken waaruit kan worden afgeleid dat de producten op de juiste wijze opgeslagen zijn geweest, als bijvoorbeeld logboeken met betrekking tot de temperatuur waaronder de producten opgeslagen zijn geweest. Het College acht dit aanbod tardief en ziet geen aanleiding om appellanten daartoe de gelegenheid te bieden.

3.10.

Het College is op grond van de overwegingen onder 3.8 en 3.9 van oordeel dat appellanten niet zijn geslaagd in het op grond van artikel 15 van richtlijn 97/78/EG door middel van zogenoemde non-manipulatieverklaringen te leveren bewijs dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer van de in geding zijnde producten is voldaan en dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan. Hieruit volgt dat verweerder met het bestreden besluit, onder handhaving van de primaire besluiten, terecht aan appellante toestemming heeft geweigerd voor de wederinvoer in de Europese Unie van de in geding zijnde containers met diepgevroren rundvlees.

3.11.

Het College overweegt tenslotte dat appellanten als beroepsgrond hebben aangevoerd dat verweerder het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschaad. De gestelde schending bestaat daaruit dat verweerder hen voorafgaand aan de hiervoor onder 1.4 en 1.5 vermelde besluiten niet in de gelegenheid heeft gesteld om wat uitgebreider met verweerder te overleggen. Hun is slechts voorafgaand aan eerstbedoelde besluiten een reactietermijn van 24 uur gegeven. Het College is echter van oordeel dat zelfs al zou worden geoordeeld dat sprake is van de door appellanten gestelde schending, in verband met de aan die schending te verbinden rechtsgevolgen vervolgens zal moeten worden beoordeeld of het besluitvormingsproces van verweerder zonder deze schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Daarvan is het College in dit geding niet gebleken. Appellanten hebben niet gesteld dat, als zij daartoe in de gelegenheid waren gesteld, zij een inbreng hadden kunnen leveren die voor de primaire besluiten van belang was en waardoor de besluitvorming een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Deze beroepsgrond slaagt al daarom niet.

3.12.

De conclusie is dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. M.M. Smorenburg en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.

w.g. W.E. Doolaard w.g. J.W.E. Pinckaers