Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:315

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
16/109
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wp2000 - taxivervoer zonder vergunning - snorder - last onder dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/109

14913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2016 in de zaak tussen

[naam 1] te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2015 (primair besluit) heeft verweerder appellant de last opgelegd dat hij zich dient te onthouden van overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) en bepaald dat bij elke geconstateerde overtreding een dwangsom zal worden verbeurd van € 10.000,- met een maximum van € 40.000,-. De last heeft een looptijd van twee jaar.

Bij besluit van 13 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Verweerder heeft het bezwaarschrift doorgezonden aan het College ter behandeling als beroepschrift.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2016. Appellant en de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Op 4 november 2015 heeft de politie Eenheid Amsterdam een snordersactie in burger gehouden met als doel illegale taxichauffeurs, ook wel snorders genoemd, aan te pakken. Appellant, die toen niet beschikte over een taxivergunning, is op die dag aangehouden en vervolgens verhoord vanwege het verrichten van taxivervoer zonder de daarvoor vereiste vergunning. In het door twee politieambtenaren (verbalisanten) op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2015 is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Op woensdag 4 november omstreeks 13.25 uur bevonden wij, verbalisanten, ons in

burgerkleding gekleed op de [adres 1] ter hoogte van het stadsdeelkantoor te Amsterdam. Wij stonden daar nabij de bushalte. Wij zagen dat er een blauwe personenauto van het merk Volkswagen (…) aan kwam rijden uit de richting van de [adres 2] . Wij zagen dat de hiervoor genoemde personenauto stapvoets begon te rijden en oogcontact met ons maakte. Vervolgens stopte het voertuig ter hoogte van ons bij de bushalte. Dit gaf ons het gevoel gaf dat wij uitgenodigd werden om bij hem in zijn auto te mogen stappen. Wij, verbalisanten, zijn naar de auto gelopen. De bestuurder liet toe dat wij, verbalisanten, in zijn auto stapten. Nadat wij zeiden [adres 3] hoorden wij dat de bestuurder meteen, zonder verder een

gesprek met ons aan te knopen, aan ons vroeg: “Is dat in Amsterdam?” Wij zeiden dat wij naar [adres 3] in [plaats 2] wilden. De bestuurder voldeed aan ons verzoek en is vervolgens gaan rijden in de richting van [adres 3] in [plaats 2] . Bij [adres 3] in [plaats 2] stopte de bestuurder. Nadat wij waren uitgestapt hoorden wij dat de bestuurder het volgende zei: “Ik krijg nog geld van jullie.” Het was ons, verbalisanten, hierbij duidelijk dat de bestuurder geld van ons wilde hebben voor de rit. Hierop hebben wij, verbalisanten, ons gelegitimeerd met het van dienstwege verstrekte politie legitimatiebewijs en hebben wij de bestuurder aangehouden.

Zoals ons tijdens de briefing is geïnstrueerd hebben wij de bestuurder geen enkele

aanleiding gegeven tot deze rit. Alle initiatief tot instappen lag bij de bestuurder.

(…)”

1.3

Voormelde bevindingen zijn door verweerder ten grondslag gelegd aan het primaire besluit.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of verweerder bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom. Daartoe moet worden vastgesteld of verweerder terecht heeft geoordeeld dat appellant op 4 november 2015 taxivervoer heeft verricht zonder een daartoe verleende vergunning en aldus artikel 76, eerste lid, van de Wp2000 heeft overtreden.

3.2

Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wp2000 is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door de Minister van Infrastructuur en Milieu, verleende vergunning (taxivergunning). Onder taxivervoer wordt op grond van artikel 1 van de Wp2000 verstaan: personenvervoer per auto tegen betaling, anders dan openbaar vervoer. Ingevolge artikel 93 van de Wp2000 is verweerder bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen. Ingevolge artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

3.3

Appellant betwist dat hij op 4 november 2015 taxivervoer heeft verricht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de constatering dat hij taxivervoer heeft verricht onjuist is. Hij stelt dat hij door twee mannen met handgebaren werd gestopt en dat zij hem vroegen een lift te geven. Als vergoeding voor zijn benzine heeft appellant geld gevraagd. Het is niet zijn intentie geweest de wet te overtreden. De last onder dwangsom is in deze situatie geheel onterecht opgelegd.

3.4

Het is vaste rechtspraak dat in beginsel van de juistheid van de inhoud van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal moet worden uitgegaan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:75.

Het College ziet ook in dit geding geen aanleiding om appellant te volgen in zijn, niet nader onderbouwde, standpunt dat het proces-verbaal geen juiste weergave van de in geding zijnde feiten bevat. Uit het proces-verbaal komt duidelijk naar voren dat appellant op
4 november 2015 het initiatief nam tot het aanbieden van taxivervoer en dat hij met zijn auto twee verbalisanten naar de door hen opgegeven bestemming heeft vervoerd en hen om geld heeft gevraagd.

3.5

De vraag of sprake is van taxivervoer dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Gelet op de hiervoor onder 3.4 vermelde bevindingen en het hiervoor onder 3.2 vermelde wettelijk kader valt het door appellant verrichte vervoer van de twee verbalisanten onder het begrip taxivervoer in de zin van de Wp2000. Dat appellant, naar hij stelt, de verbalisanten wilde helpen door hen een lift te geven en hen niet om geld heeft gevraagd voor het vervoer maar voor de benzine, maakt dat niet anders. Bij de toetsing aan artikel 76 van de Wp2000 zijn de motieven van appellant om de verbalisanten te vervoeren en de beweegredenen van appellant om hen om geld te vragen niet van belang.

3.6

Het College is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 4 november 2015 taxivervoer heeft verricht. Aangezien appellant toen niet over een taxivergunning beschikte, heeft hij artikel 76, eerste lid van de Wp2000 overtreden. Verweerder was dus op grond van artikel 93 van de Wp2000, in samenhang gelezen met artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom. Niet is gesteld of gebleken dat verweerder van die bevoegdheid in het voorliggende geval geen gebruik had mogen maken.

3.7

De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.

w.g. A. Venekamp w.g. J.W.E. Pinckaers