Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:303

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
15/8
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Taxiverordening Amsterdam. Uit artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Taxiverordening volgt dat als een lijnbusbaanontheffing is geschorst, ook de Taxxxivergunning wordt geschorst. Nu vast staat dat de lijnbusbaanontheffing voor de duur van twee weken was geschorst, kan naar het oordeel van het College ook de gelijktijdige schorsing van de Taxxxivergunning in rechte stand houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/8

14914

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2016 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A.K. Pieters).

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2014 (primaire besluit) heeft verweerder de Taxxxivergunning en de lijnbusbaanontheffing van appellant voor de duur van twee weken geschorst.

Bij besluit van 2 december 2014 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het College is bevoegd ten aanzien van de behandeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen het deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de schorsing van de Taxxxivergunning. Voorzover het beroep betrekking heeft op de schorsing van de lijnbusbaanontheffing is de rechtbank Amsterdam bevoegd. Het College heeft het beroepschrift doorgezonden. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 december 2015 (zaaknummer AMS 15/1866) het beroep van appellant wat betreft de lijnbaanbusontheffing ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016. Appellant en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellant is werkzaam als zelfstandig taxichauffeur en aangesloten bij een door de gemeente Amsterdam Toegelaten Taxi Organisatie (TTO). Appellant beschikt naast een taxivergunning als bedoeld in artikel 76 van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) over een zogenoemde Taxxxivergunning van verweerder voor het gebruik van de taxistandplaatsen in Amsterdam en het aanbieden van taxivervoer in Amsterdam aan mensen op straat (Taxxxivergunning) en over een ontheffing om in Amsterdam over de vrije tram- en busbanen te mogen rijden (lijnbusbaanontheffing). Op 12 september 2014 heeft een brigadier van Politie Eenheid Amsterdam (verbalisant) gezien dat appellant met zijn taxi stilstond op een lijnbusbaan van de Rooseveltlaan te Amsterdam, ongeveer 30 meter voor de kruising met de Europaboulevard en daar passagiers liet uitstappen en afrekenen. Hij blokkeerde de trambaan terwijl er een tram kwam aanrijden. De verbalisant heeft appellant staande gehouden en zijn lijnbusbaanontheffing ingenomen en hiervan rapport opgemaakt. Appellant heeft voor deze overtreding ook een bestuurlijke boete (bekeuring) op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersovertredingen gekregen.

1.3.

Met het primaire besluit, dat na gemaakt bezwaar is gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft verweerder de Taxxxivergunning (en de hier niet in geding zijnde lijnbusbaanontheffing) voor de duur van twee weken geschorst.

2. Appellant heeft in beroep bij het College, samengevat, aangevoerd dat hem de door de verbalisant gestelde overtreding niet kan worden verweten omdat de passagiers eigenmachtig zijn uitgestapt nadat zijn taxi in een verkeerschaos op de vrije lijnbusbaan tot stilstand was gekomen. Appellant kon het uitstappen niet voorkomen en kon de passagiers ook niet bewegen weer in te stappen, zodat er sprake was van overmacht. Verder is appellant van mening dat de doorlopen bezwaarprocedure niet in overeenstemming met artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft plaatsgevonden. Hij beklaagt zich er over dat hij is gehoord door een commissie die bestond uit één persoon in plaats van uit een voorzitter en twee leden, alsmede over het feit dat deze persoon en ook de secretaris werkzaam zijn bij het betrokken bestuursorgaan. Appellant stelt zich ten slotte op het standpunt dat hij dubbel wordt gestraft door enerzijds de bekeuring en anderzijds de schorsing van zijn Taxxxivergunning en lijnbusbaanontheffing.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

In dit geding is de volgende wet- en regelgeving van belang.

Wet personenvervoer 2000

Artikel 82

1 Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.

(..)

Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening)

Artikel 2.3 Taxxxivergunning en TTO-vergunning

1. Het is een chauffeur verboden om zonder geldige vergunning van het college (Taxxxivergunning) op de in bijlage I bij deze verordening aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.

(..)

Artikel 2.12 Toelatingseisen chauffeur

1. Voor een Taxxxivergunning: (..)

c. beschikt de chauffeur over het CCV certificaat ontheffing medegebruik lijnbusbaan/-strook gemeente Amsterdam of SVON certificaat;

(..)

Artikel 2.17 Bijzondere gronden voor schorsing of intrekking Taxxxivergunning

1. Een Taxxxivergunning wordt voor een gelijke periode geschorst indien: (..)

c. de ontheffing medegebruik lijnbusbaan/-strook gemeente Amsterdam van vergunninghouder tijdelijk is ingetrokken;

(..)

3.2.

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de schorsing van de Taxxxivergunning, in rechte stand kan houden.

3.3.

Ingevolge artikel 2.12 van de Taxiverordening moet een chauffeur met een Taxxxivergunning beschikken over een lijnbusbaanontheffing. De reden daarvoor is, als ter zitting door verweerder aangevoerd, dat de klant ervan uit moet kunnen gaan dat de taxichauffeur gebruik mag maken van de tram- en lijnbusbaanstroken en dat hij daarmee kan rekenen op de kortste route.

3.4.

Uit artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Taxiverordening volgt dat als een lijnbusbaanontheffing is geschorst, ook de Taxxxivergunning wordt geschorst. Gelet op dit regelgevend kader hoeft in dit geding inzake een besluit tot schorsing van de Taxxxivergunning geen onderzoek te worden gedaan naar de feiten en omstandigheden die tot intrekking van de lijnbusbaanontheffing hebben geleid. Wat appellant in beroep met betrekking tot deze feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, behoeft daarom in dit geding geen verdere bespreking. Nu de lijnbusbaanontheffing voor de duur van twee weken was geschorst, welke schorsing door de rechtbank Amsterdam is getoetst en in stand gelaten, kan naar het oordeel van het College ook de gelijktijdige schorsing van de Taxxxivergunning in rechte stand houden.

3.5.

De door appellant aangevoerde beroepsgrond dat hij dubbel wordt gestraft, slaagt niet. De schorsing van de Taxxxivergunning is geen bestraffende sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, maar een bestuurlijke maatregel waartoe artikel 2.17 van de Taxiverordening de ruimte biedt en die tot doel heeft de kwaliteit van het taxivervoer te waarborgen op een wijze als hiervoor onder 3.3 vermeld.

3.6.

De beroepsgrond dat de hoorzitting in bezwaar in strijd met artikel 7:13 van de Awb heeft plaatsgevonden slaagt ten slotte evenmin, aangezien dit artikel ziet op de samenstelling van een adviescommissie indien deze ten behoeve van de beslissing op bezwaar is ingesteld, welke situatie zich hier niet voordoet. De toepasselijke bepaling is artikel 7:5 van de Awb op grond waarvan het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf. Ingevolge artikel 7:5, eerste lid, onder a, kan het horen geschieden door een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, zoals hier het geval is. De beschikbare gegevens leiden niet tot de conclusie dat sprake is geweest van strijd met artikel 7:5 van de Awb. Gelet hierop slaagt deze beroepsgrond niet.

3.7.

De conclusie is dat de hiervoor onder 3.2 vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en

mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2016.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.W.E. Pinckaers