Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:280

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
28-09-2016
Zaaknummer
15/218
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Klacht NBA na derde eindoordeel dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk van de accountant niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Accountant bestrijdt niet schending fundamentele beginselen van objectiviteit, van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag, maar wel maatregel van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers met een termijn van achttien maanden waarbinnen de accountant niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven. Maatregel is passend en geboden. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/218

20150


Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 augustus 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] AA, te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. I.R.M. Goedings),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 februari 2015, gegeven op een klacht, op 28 juli 2014 tegen appellant ingediend door

het bestuur van de Nederlandse Beroepsorganisatie voor Accountants (NBA)

(gemachtigden: mr. M.L. Batting en mr. G.M.C. Neuteboom-Klink).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
20 februari 2015, met nummer 14/1872 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:27).

NBA heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2016.

Appellant werd door zijn gemachtigde vertegenwoordigd. NBA heeft zich door haar gemachtigde [naam 2] laten vertegenwoordigen. Van de zijde van NBA is tevens verschenen [naam 3] AA.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is sinds 11 november 1999 ingeschreven in het accountantsregister en was ten tijde van belang als openbaar accountant-administratieconsulent verbonden aan [naam 4] te [plaats] . Naar aanleiding van een periodieke preventieve toetsing van zijn accountantspraktijk op 8 juni 2010 heeft de Raad van Toezicht Beroepsuitoefening AA’s (Raad) op 1 september 2010 als eindoordeel gegeven dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de praktijk van appellant niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Na een hertoetsing op 4 september 2012 heeft de Raad op 28 november 2012 wederom als eindoordeel gegeven dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de praktijk van appellant niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Door appellant gestelde omstandigheden zijn voor de Raad aanleiding geweest af te zien van het tegen appellant indienen van een klacht en te beslissen dat in de loop van 2013 een integrale hertoetsing zal plaatsvinden. Die toetsing heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Het eindoordeel luidde op 24 oktober 2013 opnieuw dat de praktijk van appellant niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Naar aanleiding hiervan heeft de Raad de hier aan de orde zijnde klacht aan de accountantskamer voorgelegd.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in het verwijt dat de accountantspraktijk van appellant ten tijde van de toetsing van 18 september 2013 niet beschikte over een intern stelsel van kwaliteitsbeheersing dat voldoet aan de daarvoor gestelde normen, zoals bedoeld in artikel 3 van de Verordening op de Kwaliteitstoetsing NOvAA. Appellant heeft hiermee gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van objectiviteit, van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag als bedoeld in de artikelen A-120, A-130 en
A-150 van de Verordening Gedragscode AA’s (VGC). In het bijzonder wordt appellant verweten dat hij (a) door het afgeven van een samenstellingsverklaring bij de jaarrekening van zijn eigen vennootschap de naleving van de fundamentele beginselen van objectiviteit en van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft veronachtzaamd. Voorts is in de twee getoetste samenstellingsdossiers sprake van tekortkomingen in (b) aanvaarding van de opdrachten, (c) documentatie en uitvoering van de opdrachten, en (d) afwerking van de opdrachten.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in alle onderdelen gegrond verklaard en appellant de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) en de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven bepaald op achttien maanden.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
De grief die appellant tegen de bestreden uitspraak heeft ingediend is niet gericht tegen het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van de hem gemaakte verwijten. Appellant bestrijdt – ook in hoger beroep – niet dat hij in de naleving van de voor hem geldende beroepsregels tekort is geschoten. Zijn grief is enkel tegen de hem opgelegde maatregel van doorhaling in het accountantsregister gericht.

4. Wat betreft het aan appellant opleggen van deze tuchtrechtelijke maatregel heeft de accountantskamer het volgende overwogen, waarbij voor “betrokkene” appellant moet worden gelezen:

“ 4.11 Op grond van artikel 2 Wtra kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. In dat kader houdt de Accountantskamer rekening met de aard en de ernst van de verzuimen van betrokkene en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan. Betrokkene moet in het bijzonder worden aangerekend dat hij ook nog ten tijde van de toetsing van 18 september 2013 het stelsel van kwaliteitsbeheersing niet op orde had, terwijl hem voor een tweede maal de gelegenheid was geboden zijn praktijk op orde te brengen. Voorts is bij de behandeling van de klacht ter zitting noch anderszins uit enige reactie van betrokkene aan de Accountantskamer gebleken dat hij na de toetsing en voorafgaand aan de verkoop van zijn kantoor enige actie heeft ondernomen om te beschikken over een stelsel van kwaliteitsbeheersing dat voldoet aan de daarvoor geldende normen. Gelet hierop acht de Accountantskamer de in artikel 2, eerste lid, sub e. Wtra bedoelde maatregel van doorhaling passend en geboden, waarbij wordt bepaald dat betrokkene zich niet binnen een periode van 18 maanden na de datum van ingang van de doorhaling opnieuw in het register kan doen inschrijven.

4.12

Betrokkene heeft ter zitting nog opgemerkt dat hij, afhankelijk van de uitslag van onderhavige tuchtzaak, overweegt in een nieuwe vennootschap, alleen en zonder personeel, werkzaamheden als openbaar accountant uit te oefenen, en dat het economisch onverantwoord is tegen de door hem te berekenen tarieven alle volgens de beroepsregels noodzakelijke vastleggingen te doen. De Accountantskamer stelt vast dat deze opmerking van betrokkene niet van inzicht getuigt in de eisen die wet en regelgeving en het maatschappelijk verkeer aan het uitoefenen van het beroep van (openbaar) accountant stellen.”

5. Appellant stelt dat de klacht hem ertoe heeft gebracht er uitdrukkelijk voor te kiezen zich per 20 november 2014 uit te schrijven als “algemeen accountant”. Appellant ziet in dat hij een aantal ernstige fouten heeft gemaakt. Hij had zijn werk en praktijk anders moeten inrichten. Inmiddels heeft hij er alles aan gedaan om de praktijk op een zorgvuldige wijze in te richten. Hij heeft de opleidingen gedaan en een ingrijpende reorganisatie doorgevoerd. De Raad heeft er in eerste instantie rekening mee gehouden dat zijn praktijk voor problemen stond – uit een geschil met zijn oude werkgever voortkomende gerechtelijke procedures, een faillissementsaanvraag en gelegde beslagen – die een grote wissel trokken op appellant en zijn onderneming. Vanzelfsprekend is dit geen excuus voor het feit dat de dossiers niet op orde waren. Appellant betreurt dat het zover heeft moeten komen en dat hij feitelijk twee en misschien zelfs drie waarschuwingen heeft gehad en dat omstandigheden, gelegen in zijn risicosfeer, tot deze situatie hebben geleid. Ook betreurt appellant zijn opmerking dat hij in een nieuwe vennootschap, alleen en zonder personeel, werkzaamheden als openbaar accountant wil uitoefenen en dat het economisch onverantwoord is om voor de door hem te berekenen tarieven alle volgens de beroepsregels noodzakelijke verslagleggingen te doen. De opmerking was ingegeven door de enorme spanning waaronder hij ter zitting stond. Appellant zou graag accountant in business willen kunnen blijven. Hij heeft er veel tijd en energie in gestoken om te bereiken dat hij zich accountant mag noemen. Hij hecht eraan en zal er alles aan doen om de titel van accountant naar eer en geweten te dragen. Onder accountant in business moet volgens appellant worden verstaan: “niet werkzaam als accountant maar binnen een andere organisatie een functie hebbende als (financieel) directeur, controller of administrateur”. Appellant verzoekt het College het hoger beroep gegrond te verklaren en hem geen of een lichtere maatregel op te leggen.

6. Vaststaat, en door appellant wordt ook niet bestreden, dat appellant heeft gehandeld in strijd met de in de artikelen A-100.4 van de VGC neergelegde fundamentele beginselen van objectiviteit, van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag. Het College is van oordeel dat dit verwijt ernstig is, gezien het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer wordt gesteld in de hoogwaardige kwaliteit van de beroepsuitoefening van de accountant en de omstandigheid dat het voor opdrachtgevers door een onvoldoende inzicht in de wijze van beroepsuitoefening moeilijk is zich een goed beeld van deze kwaliteit te vormen.

Het College overweegt dat de toetsing van de accountantspraktijk en het daarbij behorende verbetertraject ter correctie van tijdens de toetsing gebleken tekortkomingen, belangrijke middelen zijn ter borging van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van een accountant en aldus van groot maatschappelijk belang moeten worden geacht. Ten tijde van de toetsing van 18 september 2013 is gebleken dat de accountantspraktijk van appellant niet beschikte over een intern stelsel van kwaliteitsbeheersing dat aan de daarvoor gestelde normen voldoet. Dit was de tweede maal dat appellant in de gelegenheid was gesteld om op adequate wijze uitvoering te geven aan het door hem ingediende verbeterplan. Desondanks was hij er wederom niet in geslaagd het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing op orde te brengen. Zoals appellant zegt te beseffen, behoort het tot zijn eigen verantwoordelijkheid om tijdig de voor de verbetering van het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing noodzakelijke maatregelen te nemen. Appellant is daarin verwijtbaar tekortgeschoten.

Voor het oordeel dat de door de accountantskamer aan appellant opgelegde maatregel van doorhaling in het accountantsregister verder gaat dan passend en geboden is, ziet het College geen grond. Evenals de accountantskamer is het College van oordeel dat appellant in het bijzonder moet worden aangerekend dat hij ook ten tijde van de toetsing van 18 september 2013 het stelsel van kwaliteitsbeheersing niet op orde had, terwijl hem voor een tweede maal de gelegenheid was geboden zijn praktijk op orde te brengen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich naar aanleiding van de (her)toetsingen steeds heeft ingespannen het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing op orde te brengen en dat deze inspanningen in die zin vruchten hebben afgeworpen dat niet onbelangrijke verbeteringen zijn vast te stellen, laat staan dat er feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die het vertrouwen zouden kunnen rechtvaardigen dat appellant, zoals hij stelt, er alles aan zal doen om de titel van accountant naar eer en geweten te dragen.

Van het in het accountantsregister handhaven van het gegeven dat appellant behoort tot de ledengroep ‘accountant in business’, zoals appellant heeft verzocht, kan geen sprake zijn. De inschrijving van dit gegeven in het accountantsregister, zoals artikel 36, tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet op het accountantsberoep voorschrijft, heeft geen betekenis anders dan dat aan de hand daarvan de hoogte van de door de ingeschrevene verschuldigde contributie wordt bepaald. Zoals NBA ter zitting van het College heeft toegelicht, zijn de daadwerkelijk door de accountant verrichte werkzaamheden bepalend voor de vraag tot welke ledengroep hij behoort en welke gedragsregels op hem van toepassing zijn. De aan appellant opgelegde maatregel van doorhaling in het accountantsregister heeft tot gevolg dat hij niet langer gerechtigd is als accountant-administratieconsulent werkzaamheden te verrichten.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

8. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. S.C. Stuldreher en mr. P.M. van der Zanden, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2016.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.G.M. van Ede