Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:28

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
13/378
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006, onderdeel Investeringen in integraal duurzame stallen en houderijsystemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/281 met annotatie van C.J. Wolswinkel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/378

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2016 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C.Q. Bult).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:495) heeft het College verweerder opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak de hierin genoemde gebreken te herstellen dan wel een ander besluit te nemen in plaats van het bestreden besluit, dit met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak.

Bij brief van 3 februari 2015 heeft verweerder stukken en een nadere motivering met betrekking tot deze gebreken aangeleverd.

Bij brief van 6 maart 2015 heeft appellante haar zienswijze hierop naar voren gebracht en nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 1 juni 2015 heeft het College verweerder verzocht een nadere toelichting te geven op een aspect uit vermelde brief van 3 februari 2015 en te reageren op een stelling van appellante uit genoemde zienswijze

Bij brief van 26 juni 2015 heeft verweerder hierop gereageerd en nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 15 juli 2015 heeft appellante hierop gereageerd en nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 14 augustus 2015 heeft verweerder hierop gereageerd.


Het College heeft het onderzoek in deze zaak vervolgens op 10 november 2015 gesloten.

Overwegingen

1. In de hiervoor genoemde tussenuitspraak heeft het College verweerder opgedragen om de in overweging 4.3 van die tussenuitspraak genoemde stukken alsnog ter beschikking te stellen en daarnaast te motiveren waarom de aanvraag van appellante niet scoorde voor de onderdelen transitiestal en ruimere ligboxen onder dierenwelzijn, dat mechanisch instrooien niet scoorde onder arbeidsomstandigheden en waarom de Groene Vlag-vloer niet scoorde onder marktintroductie.

2. Het College is van oordeel dat verweerder met de door hem bij brief van 15 juli 2015 ingezonden stukken en de in deze brief gegeven uiteenzetting, zoals nader toegelicht in zijn brief van 26 juni 2015, de besluitvorming voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en de in rechtsoverweging 4.3 van de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld. Tot genoemde stukken behoort onder andere het verslag van de vergadering van de deelcommissie veehouderij van 22 oktober 2012 (het verslag). Daarin heeft deze commissie van deskundigen in het algemeen aangegeven wanneer bepaalde investeringen scoren op de gehanteerde beoordelingscriteria, zoals dierenwelzijn, milieu, arbeid en marktintroductie.

3. Het College komt vervolgens toe aan de beoordeling van appellantes gronden ten aanzien van de scores van een aantal specifieke investeringen in haar aanvraag.

4.1

Appellante betoogt in de eerste plaats dat verweerder ten onrechte geen score heeft toegekend aan de aangevraagde transitiestal. Hoewel het hokje bij punt 39 “transitiestal” niet is aangevinkt in de aanvraag, blijkt uit de toelichting bij de aanvraag op pagina 7 dat in het plan is voorzien in een transitieruimte met een oppervlakte van 122 m2. De dieren blijven na het afkalven nog circa een week in het strohok en de kalfjes kunnen desgewenst de eerste paar dagen na het afkalven bij de koe blijven. Volgens appellante valt niet in te zien waarom deze investeringen niet leiden tot winst voor de gezondheid van de koe in de periode voor en na het afkalven en waarom hiervoor geen punten kunnen worden toegekend.

4.2

Verweerder stelt hiertegenover dat het onderdeel transitiestal in appellantes aanvraag niet heeft gescoord op het criterium dierenwelzijn, omdat de voorziene oppervlakte van
122 m2 niet voldoet aan de minimale oppervlakte die volgens de deelcommissie, gelet op het verslag, nodig is om te scoren op het criterium dierenwelzijn. De deelcommissie hanteert als maatstaf dat per dier tenminste 12 m2 ingestrooide ruimte beschikbaar moet zijn. Indien er bijvoorbeeld 200 dieren in een stal worden gehouden, dient de transitieruimte, aldus verweerder, tenminste (200 x 0,08 x 12 m2) 192 m2 groot te zijn.

4.3

Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de door de ter zake deskundig te achten deelcommissie vastgestelde maatstaf van minimaal 12 m2 ingestrooide ruimte per dier met het oog op de met de Regeling beoogde verbetering van het dierenwelzijn onredelijk moet worden geacht. Nu appellante erkent dat haar transitiestal slechts 122 m2 groot is en niet voldoet aan de vereiste minimale oppervlakte in verband met het aantal te houden dieren, heeft verweerder hiervoor terecht geen score toegekend. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dus niet.

5.1

Appellante heeft gesteld dat verweerder ten onrechte geen extra punten heeft toegekend voor de ruimere afmetingen van de ligboxen voor droogstaande koeien zoals voorzien in haar aanvraag. Dat voor dit onderdeel slechts een score kan worden toegekend indien de meerderheid van de ligboxen een ruimere maat heeft, is volgens appellante niet vastgelegd en ook overigens onjuist.

5.2

In verband met de ligboxen verwijst verweerder naar het verslag waarin de deelcommissie heeft gesteld dat de lengte en breedte van de ligboxen belangrijk is, omdat koeien gemiddeld 12 uur per dag en dus een belangrijk deel van hun leven, liggen. Te krappe ligboxen zijn een forse belemmering voor de dieren, aldus de deelcommissie. Voor de binnenrij worden boxen gewaardeerd die langer zijn dan 2,35 meter of 2,5 meter. Voor de buitenrij worden boxen gewaardeerd die langer zijn dan 2,65 of 2,8 meter. Boxen breder dan 1,20 meter worden als extra welzijnsverbeterend gezien ten opzichte van boxen breder dan 1,15 meter. Op grond van deze bevindingen van de deelcommissie stelt verweerder zich op het standpunt dat enkele bredere boxen niet scoren op het criterium dierenwelzijn.

5.3

Gelet op het door de deelcommissie in het verslag benadrukte belang van de ruimte van de ligboxen van de koeien in verband met hun behoefte om te liggen, is het naar het oordeel van het College niet onredelijk dat verweerder als criterium met het oog op het dierenwelzijn de norm hanteert dat de meerderheid van de ligboxen in de stal voldoet aan de door de deelcommissie vastgestelde maatvoering. Nu appellante de stelling van verweerder dat de meerderheid van de boxen hieraan niet voldoet niet gemotiveerd heeft bestreden, gaat het College ervan uit dat deze stelling juist is. Dit betekent dat verweerder terecht geen score heeft toegekend voor de afmetingen van de ligboxen.

6. Voor wat betreft appellantes opvatting dat verweerder ten onrechte geen punten heeft toegekend voor het mechanisch instrooien stelt het College vast dat de deelcommissie in het verslag heeft gesteld dat het automatisch instrooien met behulp van een automatische instrooi-installatie punten oplevert, maar mechanisch uitmesten van ingestrooide ruimte niet omdat strohokken en vrijloopstallen in de gangbare situatie ook mechanisch worden uitgemest. Onder verwijzing naar dit standpunt van de deelcommissie heeft verweerder in zijn brief van 3 februari 2015 uiteengezet dat het bij het criterium arbeid moet gaan om een verbetering ten opzichte van hetgeen in de melkveehouderij gangbaar is. Gezien het aantal dieren dat appellante gaat houden in de stal (186 melkkoeien en 23 droge koeien) in combinatie met de wijze van huisvesten (diepstrooiselboxen en strohokken) ontkomt zij er als landbouwer (met beperkt beschikbaar personeel) niet aan om te investeren op het gebied van arbeid. Bij de wijze waarop het vee wordt gehuisvest wordt het mechanisch instrooien (instrooiapparaat in combinatie met een mini-shovel) daarom als gangbaar gezien en scoort dit – hoewel hiermee eveneens arbeidstechnische voordelen te behalen zijn – niet op het criterium arbeidsomstandigheden. Het College acht dit standpunt van verweerder niet onredelijk. Nu uit de aanvraag blijkt dat is voorzien in mechanisch instrooien, heeft verweerder hiervoor derhalve terecht geen punten heeft toegekend. Het College volgt de opvatting van appellante dus niet.

7.1

Appellante stelt verder dat de investering in een Groene Vlag-vloer ten onrechte niet heeft gescoord onder marktintroductie. Deze vloer was voldoende innovatief ten opzichte van andere vloeren, omdat de rubberlaag van de vloer naast een ammoniakreducerende werking ook een gunstig effect heeft op het dierenwelzijn gelet op het comfort hiervan.

7.2

Verweerder stelt dat deze investering terecht niet heeft gescoord onder marktintroductie. Deze vloer zou hebben kunnen scoren bij marktintroductie, indien sprake was van een proefstal, maar dat is hier niet het geval. De Groene Vlag-vloer was ten tijde van de aanvraag reeds gangbaar, want deze was toen al geruime tijd beschikbaar op de markt en werd ook toegepast in de praktijk. Dit geldt ook voor vloeren met een rubberen laag.

7.3

Het College stelt voorop dat uit het verslag blijkt dat een proefstalstatus volgens de deelcommissie punten oplevert onder marktintroductie. Appellante betwist niet dat hier geen sprake is van een proefstal. Tegenover de uiteenzetting van verweerder waarom de Groene Vlag-vloer niet scoort op het criterium marktintroductie voert appellante onvoldoende aan ter onderbouwing van haar betoog dat een dergelijke vloer wel innovatief was ten tijde van de aanvraag en daarom diende te scoren op dit criterium. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden geen score heeft toegekend voor de Groene Vlag-vloer onder marktintroductie.

8. Appellante heeft eerst na de tussenuitspraak van het College in reactie op de door verweerder bij brief van 3 februari 2015 ingezonden stukken beroepsgronden aangevoerd tegen het niet toekennen van een score voor het flush sproeisysteem en de sensortechniek bij melkrobots. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat het hier beroepsgronden betreft die reeds tegen het oorspronkelijke besluit hadden kunnen worden aangevoerd en die daarom nu buiten bespreking moeten blijven. Appellante beschikte immers niet eerder over genoemde stukken die zij nodig had om te kunnen beargumenteren waarom haar ten onrechte geen score voor deze investeringen zijn toegekend.

9.1

Appellante stelt dat verweerder ten onrechte geen punten heeft toegekend voor het flush sproeisysteem. Het is onderdeel van een goedgekeurd stalsysteem, bestaande uit een ligboxenstal met roostervloer met hellende groeven of hellend gelegd, voorzien van afdichtkleppen in de roosterspleten, met mestschijf en vernevelsysteem onder nummer BWL2014.02. Hierbij wordt de mest elk uur geschoven en per dag circa 10 liter water per koe over de vloer verneveld door een sproei-installatie op de mestrobot. Het systeem heeft een ammoniakreducerende werking. De investering was haar tijd vooruit en zou moeten scoren onder marktintroductie.

9.2

Verweerder heeft de deelcommissie verzocht nader toe te lichten waarom appellante geen punten zijn toegekend voor het flush sproeisysteem. De deelcommissie heeft geantwoord dat onder flushing wordt verstaan het spoelen van de looppaden met grote hoeveelheden water (10 l/m2/dag of 15-35 l/koe). Uitvoering kan door spoelleidingen boven de loopgang, spoelleidingen aan weerszijde van de loopgang, of gemonteerd op de vaste mestschuif. Dit niet als emissiereducerende maatregel, maar als alternatief voor de mestschuif (dus voor het verwijderen van mest van de loopgangen). Verweerder stelt dat de sproeier op een mestrobot niet hieronder valt en expliciet is uitgesloten. Doel hiervan is het bevochtigen van de vloer zodat de schuifwerking en daarmee de beloopbaarheid van de vloer (met name in de zomer) wordt verbeterd. Het gaat daarbij om kleine hoeveelheden water. Een mestrobot kan ongeveer 100 liter water per keer meenemen en produceert meer een nevel dan een krachtige straal water. De deelcommissie heeft deze manier van sproeien niet willen waarderen onder Milieu omdat de frequentie en de hoeveelheden water niet voldoende zijn voor een emissiereducerend effect zoals aangetoond bij spoelen. Verweerder stelt tot slot dat het systeem BWL2014.02 vaste sproeileidingen heeft. Dit in tegenstelling tot een mestrobot met sproei-installatie waarop dit niet kan worden uitgevoerd. De mestrobot met sproei-installatie in de aanvraag van appellante heeft daarom terecht niet gescoord volgens verweerder.

9.3

Het College stelt vast dat uit het verslag blijkt dat volgens de deelcommissie alleen vaste sproeipunten in de looppaden scoren op het criterium milieu en dat de sproeimogelijkheid van een mestrobot niet als flushing wordt aangemerkt. Gebleken is dat het systeem van appellante geen vaste sproeileidingen heeft. Volgens eigen opgave van appellante verwerkt dit systeem ook minder water dan het systeem met vaste sproeipunten, zoals bedoeld in het verslag en nader toegelicht door de deelcommissie (zie 9.2). Het systeem heeft daarom terecht niet gescoord onder Milieu. Voor zover appellante betoogt dat de investering dient te scoren onder marktintroductie slaagt dit betoog evenmin. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat het in haar aanvraag bedoelde systeem gelijk is aan het systeem waaraan wel een score kan worden toegekend, dan wel dat haar systeem hetzelfde effect heeft als dat systeem. De hier aan de orde zijnde beroepsgrond slaagt niet.

10.1

Appellante stelt tot slot dat het sensorblok in haar melkrobot dient te scoren onder marktintroductie. Dit sensorblok bepaalt onder meer het celgetal van de melk en dit vormt geen standaard onderdeel van de melkrobot, maar een aanvullende optie. Losse onderdelen op een bestaande installatie of verbeteringen kunnen daarom volgens appellante ook scoren onder marktintroductie.

10.2

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het College is met verweerder van oordeel dat de genoemde sensor niet apart kan scoren onder marktintroductie. De sensoren maken onlosmakelijk deel uit van de melkrobot. Een melkrobot kan niet functioneren zonder sensoren. Dat dit anders is voor het onderhavige sensorblok heeft appellante niet onderbouwd.

11.
Gelet op de bij tussenuitspraak geconstateerde gebreken dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Het College ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, gezien hetgeen hiervoor is overwogen.

12. Tot slot ziet het College aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.240,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een halve punt voor de zienswijze met een waarde per punt van € 496,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen hiervan in stand;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,-- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.240,--

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, mr. E. Dijt en mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.

w.g. J. Schukking w.g. C.M. Leliveld