Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:269

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
19-09-2016
Zaaknummer
15/190
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht: appellant heeft ook in hoger beroep zijn stellingen dat de accountant excessief heeft gedeclareerd en misbruik heeft gemaakt van de persoonlijke problemen van zijn cliënt onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 15/190

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 30 augustus 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam 2] B.V., te [plaats 1] , appellant,
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 februari 2015, gegeven op een klacht, op 6 mei 2014 door appellant ingediend tegen [naam 3] RA (betrokkene).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 februari 2015, met nummer 14/1080 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TAKACN:2015:30.

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2016.

Partijen zijn verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene is sinds 8 juli 1992 ingeschreven als registeraccountant (thans als accountant in business) en houdt kantoor in [plaats 2] onder de naam [naam 4] ( [naam 4] ).

1.3

Appellant is advocaat te [plaats 1] en curator van de bij vonnis van 29 oktober 2013 failliet verklaarde vennootschap [naam 2] B.V. ( [naam 2] ) van [naam 6] ( [naam 6] ), in welke hoedanigheid hij de klacht heeft ingediend bij de accountantskamer.

1.4

Betrokkene heeft vanaf januari 2012 werkzaamheden verricht voor [naam 2] . Aanvankelijk was dit op grond van de door betrokkene en [naam 6] voor akkoord getekende opdrachtbevestiging van 23 januari 2012. In deze opdrachtbevestiging is onder meer opgenomen dat overeengekomen is dat door [naam 4] de werkzaamheden “Advisering algemeen” zullen worden verleend en dat de kosten voor de werkzaamheden afhankelijk zijn van de aan de opdracht bestede tijd tegen nader genoemde uurtarieven van € 70,- per uur voor Office management tot € 260,- per uur voor betrokkene.

1.5

In de nadere opdrachtbevestiging van 7 mei 2012, welke ook door betrokkene en [naam 6] is ondertekend, is opgenomen dat de volgende werkzaamheden overeengekomen zijn:

“-Advies vallend binnen de besproken en overeengekomen abonnementsdienst “ [naam 5] ” (Ondernemersdesk);

- Dossier review;

- Begeleiding financiële administratie;

- Begeleiding loonadministratie;

- Aangifte IB/VPB;

- Aangifte BTW;

- Begeleiding opstellen jaarcijfers/ publicatiebalans;

- Bespreking van de cijfers per kwartaal;

- Additionele opdrachten die niet onder de Ondernemersdesk vallen.”

In de bevestiging is tevens opgenomen dat de kosten voor de werkzaamheden die vallen onder de Ondernemersdesk afhankelijk zijn van het aantal FTE’s van de klant inclusief de ondernemer. Bij 1 FTE wordt € 245,- per maand in rekening gebracht, bij 2 tot 5 FTE € 430,- en bij 6 tot 10 FTE € 600,-. Ten aanzien van de additionele werkzaamheden is opgenomen in de opdrachtbevestiging dat de kosten daarvoor afhankelijk zijn van de bestede tijd tegen nader genoemde uurtarieven van € 70,- per uur voor Office management tot € 170,- - € 260,- per uur voor een Senior consultant.

1.6

Betrokkene heeft de relatie met [naam 2] opgezegd bij brief van 10 september 2013.

1.7

In het kader van het faillissement heeft in november en december 2013 contact plaatsgevonden tussen appellant en betrokkene. Appellant heeft betrokkene bevraagd over (de achtergrond van) de gedeclareerde werkzaamheden. Betrokkene heeft desgevraagd kopieën van de facturen en ander stukken ten aanzien van de werkzaamheden voor [naam 2] overgelegd.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden houdt in dat appellant betrokkene verwijt

a. a) handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep (Wab) bepaalde en/of

b) enig ander dan in onderdeel a) bedoeld handelen of nalaten in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep als bedoeld in artikel 42 van de Wab in samenhang met artikel 22, eerste lid onder b van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra).

Aan deze klacht liggende de volgende verwijten ten grondslag:

- betreffende de periode voor ingang van de abonnementsdienst Ondernemersdesk-

1. Betrokkene heeft verzuimd om voor aanvang de tussen hem en [naam 2] gemaakte afspraken ter zake van de aard en de te verrichten werkzaamheden en het in rekening te brengen tarief duidelijk vast te leggen en te bevestigen.

2. Betrokkene heeft zich in de specificatie van werkzaamheden bediend van vage begrippen, zoals ‘stappenplan’, ‘prognose integreren’, ‘dossiervorming’, ‘balansprojectie’, die door het ontbreken van bewijstukken niet controleerbaar zijn (op inhoud en zinvol- c.q. redelijkheid), zulks terwijl hij wist, althans moest begrijpen dat [naam 6] – als gevolg van diens fysieke en psychische gesteldheid – niet in staat was om daar adequaat op te reageren en de facturen blindelings accepteerde c.q. betaalde.

3. De in rekening gebrachte werkzaamheden en tijd zijn niet doelmatig (gepland) met als gevolg dat het in rekening gebrachte honorarium/salaris en tarief voor die werkzaamheden niet in een redelijke verhouding staat tot het (financiële) belang en de ingewikkeldheid van de betrokken opdracht/taak.

- betreffende de abonnementsdienst Ondernemersdesk -

4. Betrokkene heeft verzuimd duidelijkheid te verschaffen over welke werkzaamheden en tot welke omvang die in dit pakket zijn inbegrepen, zulks kennelijk om de handen vrij te houden om uren te schrijven op ‘bijzondere projecten’.

- betreffende de periode na ingang van de abonnementsdienst Ondernemersdesk-

5. Indien en voor zover de aanlevering van gegevens en/of stukken zijdens [naam 2] en het ontbreken van interne beheersmaatregelen al aanleiding gaven voor werkzaamheden, die anders niet nodig waren of minder tijd zouden hebben gevergd, heeft betrokkene verzuimd om aan [naam 2] te laten toekomen:

- een duidelijke instructie omtrent de wijze waarop en regelmaat waarmee die gegevens en/of stukken moesten worden aangeleverd en invoering c.q. aanpassing van dergelijke beheersmaatregelen;

en, bij herhaling van niet-opvolging van die instructie:

- een duidelijke waarschuwing te geven ter zake de consequenties, die daaraan zouden worden verbonden, bijvoorbeeld in de vorm van extra kosten of opzegging van de relatie dan wel een opzegging van de lopende overeenkomst van opdracht.

6. Betrokkene bleef zelf en liet zijn medewerkers uren schrijven, wetende dat:

- hij en die medewerkers (veelal) te hoog gekwalificeerd, en daardoor onevenredig duur waren voor de betreffende werkzaamheden;

- de in rekening gebrachte werkzaamheden voor failliet nauwelijks van waarde waren, m.a.w. een redelijke verhouding tussen de zin en kosten van die werkzaamheden ontbrak;

- [naam 6] van betrokkene en/of [naam 4] afhankelijk was omdat hij niet zelf in staat was de overeengekomen werkzaamheden te verrichten;

- [naam 6] niet in staat was om de aan failliet in rekening gebrachte -relatief eenvoudige - werkzaamheden en tijd te beoordelen en daarop assertief te reageren;

- bijzondere werkzaamheden, waaronder advisering omtrent (fiscale) inbreng, (aanvragen van een financiering, opstelling van en/of advisering ter zake van standaard contracten, zoals huur- en arbeidscontracten, zoals in casu hebben plaatsgevonden) ook relatief eenvoudig van aard zijn en niet veel tijd c.q. deskundigheid vergen;

- [naam 4] een relatief klein accountantskantoor is met een relatief lage overhead en - in vergelijking met accountantskantoren en -organisaties met een veel hogere overhead - onredelijk hoge tarieven hanteert;

7. In de facturen van 26 juni 2012 en 12 juli 2012 worden deels dezelfde werkzaamheden in rekening gebracht voor een bedrag van circa € 1.450 excl. BTW.

8. Betrokkene is tekortgeschoten ten aanzien van of in:

- de bij de uitvoering der werkzaamheden ingezette persoon en het voor diens werk gehanteerde uurtarief;

- de rubricering van werkzaamheden onder de abonnementsdienst "Ondernemersdesk" en "bijzondere projecten";

- de schriftelijke vastlegging van gesprekken en afspraken en communicatie daarvan richting klant; (Volgens de opdrachtbevestiging zouden vooraf afspraken worden gemaakt over werkzaamheden die buiten het abonnement vallen. Waaruit blijken die afspraken?)

- het adviseren en coachen van de klant;

- het nemen van maatregelen ter beperking/voorkoming van handelingen, die tot gevolg hebben dat inkomsten en/of uitgaven niet, of onjuist c.q. incompleet, geadministreerd worden en waardoor onjuiste fiscale aangiften worden gedaan;

- het begrip van (de gebreken en/of risico's verbonden aan) het door de klant gebruikte kasadministratiesysteem;

- het nemen van maatregelen, waardoor de kans op herhaling van fouten of gebrekkige aanlevering van stukken/gegevens kleiner wordt; overdracht van werk/kas etc. van de ene medewerker op de andere;

- de inkoopcontrole;

- de opstelling en bespreking van kwartaalcijfers en jaarrekening en margecontrole;

- de werk- c.q. tariefafspraak;

- de algemene indruk, geboden door zijn handelen en nalaten jegens [naam 2] .

9. De afzonderlijke facturen c.q. urenspecificaties ter zake de projecten, genoemd op de pagina’s 10 tot en met 14 van het klaagschrift, kunnen om diverse redenen de toets der kritiek niet doorstaan.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant tegenover de uitvoerige, gemotiveerde en gedocumenteerde weerspreking van de klacht door betrokkene de aan de klacht ten grondslag gelegde feiten (met uitzondering van onderdeel 7) niet aannemelijk heeft gemaakt. De accountantskamer heeft tevens geoordeeld dat niet gebleken of anderszins aannemelijk is geworden dat betrokkene bij [naam 2] bewust en te kwader trouw onjuiste of misleidende declaraties heeft ingediend of een specifieke afspraak niet is nagekomen, dan wel voor het een en/of het ander verantwoordelijk is te houden. De accountantskamer heeft overwogen dat het aan klachtonderdeel 7 ten grondslag gelegde door betrokkene is erkend en aannemelijk geworden, maar dat het van onvoldoende gewicht is om een tuchtrechtelijk vergrijp te vormen, te minder omdat betrokkene naderhand daarvoor (meermalen) zijn excuus heeft gemaakt en een creditnota heeft verzonden.

Bespreking van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de accountantskamer zonder afdoende motivering aan de kern van de klacht voorbij is gegaan. Volgens appellant heeft betrokkene onethisch gehandeld door excessief aan [naam 2] te declareren en daarbij misbruik te maken van de kwetsbare positie van de gefailleerde vennootschap en van [naam 6] . Ten aanzien van dit verwijt heeft appellant in hoger beroep – kort samengevat – gesteld dat de door betrokkene gedeclareerde bedragen niet in redelijke verhouding staan tot de omvang van ’de ondernemingen, de ingewikkeldheid van de werkorganisatie en het resultaat van de voor [naam 2] verrichte werkzaamheden.

3.2

Het College overweegt dat de accountantskamer in r.o 4.4.3 van de bestreden uitspraak het kader heeft geschetst van haar beoordeling. Daarin heeft de accountantskamer overwogen dat in een tuchtrechtelijke procedure slechts met succes over declaraties kan worden geklaagd, indien de betrokken accountant bij het opstellen en indienen van de declaraties zodanig in strijd met de voor hem te verlangen zorgvuldigheid, integriteit of professionaliteit heeft gehandeld, dat daardoor aan de orde is een schending van het bepaalde in de Wet RA en Wet AA of krachtens die wet bepaalde, zoals de Verordening Gedragscode (VGC). Ten aanzien daarvan heeft de accountantskamer in r.o. 4.6 geoordeeld dat appellant de aan de klacht ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk heeft gemaakt, gelet op de gemotiveerde weerspreking van betrokkene, en dat evenmin gebleken of anderszins aannemelijk is geworden dat betrokkene bij [naam 2] bewust en te kwader trouwe onjuiste of misleidende declaraties heeft ingediend of een specifieke afspraak niet is nagekomen.

3.3

Naar het oordeel van het College heeft appellant ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van dusdanig declareren dat op grond daarvan geoordeeld moet worden dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daartoe heeft allereerst te gelden dat appellant niet heeft betwist dat voor het aantal uren dat bij [naam 2] in rekening is gebracht, daadwerkelijk door betrokkene of een van zijn medewerkers werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van [naam 2] . Tegenover het verwijt van appellant dat te veel uren in rekening zijn gebracht voor relatief eenvoudige werkzaamheden of dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd door te hoog gekwalificeerd en dus te duur personeel, heeft betrokkene toegelicht dat [naam 6] ondanks aanwijzingen de administratie slecht aanleverde, waardoor zijn medewerker [naam 7] ( [naam 7] ) voornamelijk bezig is geweest met het zoeken in de administratie. Dat [naam 6] de administratie niet op juiste wijze aanleverde, wordt door appellant niet betwist. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar de door hem ingeschakelde accountant [naam 8] , die - naar appellant stelt - zijn mening ten aanzien van het voorgaande deelt, maar hij heeft geen analyse of rapportage van deze accountant ingebracht. Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij [naam 8] slechts heeft ingezet als ‘informant’ voor zichzelf en dat hij er bewust voor heeft gekozen [naam 8] niet in te schakelen als deskundige in deze procedure, omdat hij meende dat dit niet nodig was.

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrag van € 36.000,- dat betrokkene aan [naam 2] in rekening heeft gebracht voor werkzaamheden die zijn verricht in de periode van 23 januari 2012 tot 10 september 2013, erg hoog is ten opzichte van de grootte van [naam 2] ’s ondernemingen. Betrokkene heeft ter zitting aangegeven dat ook hij zich destijds heeft gerealiseerd dat de kosten voor [naam 2] enorm opliepen. Betrokkene heeft in dit kader erkend dat het op de weg van de accountant ligt zijn cliënt tijdig te waarschuwen voor oplopende rekeningen in verband met extra werkzaamheden. Betrokkene heeft gesteld hij dat [naam 6] meermaals mondeling op de oplopende kosten heeft gewezen, maar dat [naam 6] hem steeds nadrukkelijk heeft verzocht de werkzaamheden voort te zetten. Deze gang van zaken is door appellant niet betwist.

3.5

Ten aanzien van het door appellant gemaakte verwijt dat veel van de door betrokkene uitgevoerde speciale projecten geen resultaat voor [naam 2] hebben opgeleverd, heeft betrokkene gesteld dat de speciale projecten steeds op verzoek en in overleg met [naam 2] zijn opgestart, maar dat [naam 2] heeft nagelaten om op basis van het resultaat van de verrichte werkzaamheden vervolgstappen te ondernemen, zodat de projecten niet afgerond konden worden. Dit was volgens betrokkene onder andere het geval met betrekking tot het treffen van een regeling met de Belastingdienst ten aanzien van de hoge rekening-courantverhouding van [naam 6] met [naam 2] B.V. en met betrekking tot de herfinanciering van de onderneming. Ook deze gang van zaken wordt door appellant niet betwist. Gelet hierop vermag het College niet in te zien dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de uren die onbetwist aan werkzaamheden zijn besteed in rekening te brengen bij [naam 2] . Dit te minder nu op grond van de ondertekende opdrachtbevestiging was overeengekomen dat werd gefactureerd aan de hand van de bestede tijd en niet op grond van het behalen van een bepaald resultaat.

4.1

Ten aanzien van het verwijt van appellant dat betrokkene misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [naam 2] en van [naam 6] heeft appellant gesteld dat betrokkene op de hoogte was van de zwakke psychische gesteldheid van [naam 6] . Volgens appellant blijkt dit uit de e-mail van betrokkene aan appellant van 12 februari 2014, waarin betrokkene heeft geschreven dat hij [naam 6] van vroeger kende, dat hij twijfels over hem had, dat hij een vriend van de familie [naam 6] was en dat hij [naam 6] meermaals op zijn onverantwoorde gedrag heeft aangesproken. Appellant heeft gesteld dat betrokkene kort na aanvang van de werkzaamheden wist, of althans kon weten, dat [naam 6] geld uit de kas onttrok, structureel afspraken over het aanleveren van de administratie verzuimde, niet in staat was om een assertieve/kritische houding aan te nemen ten aanzien van de facturen en dat uit het gedrag van [naam 6] was af te leiden dat hij een verslavingsprobleem had. Volgens appellant had betrokkene [naam 6] dan ook tegen zichzelf moeten beschermen in van plaats misbruik te maken van de situatie door te blijven declareren.

4.2

Betrokkene heeft tegenover dit verwijt gesteld dat hij ten tijde van zijn dienstverlening aan [naam 2] niet wist dat bij [naam 6] sprake was van een verslavingsproblematiek en dat [naam 6] in verband daarmee gelden aan de kas onttrok. Betrokkene heeft hiervan pas vernomen in het gesprek met appellant na het faillissement van [naam 2] . Betrokkene heeft daarnaast naar voren gebracht dat de werkzaamheden op een uitgebreide en transparante wijze werden gefactureerd en dat [naam 6] ook kritisch was. Volgens betrokkene heeft [naam 6] met enige regelmaat vragen gesteld over (de hoogte van) de facturen. Ten slotte heeft betrokkene erop gewezen dat de overeenkomst opzegbaar was indien [naam 6] niet tevreden was en dat hij aldus niet inziet hoe hij misbruik heeft gemaakt van de vertrouwenspositie.

4.3

Het College overweegt dat appellant ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor betrokkene kenbaar was dat [naam 6] behalve een zwakke psychische gesteldheid ook kampte met een verslavingsprobleem, laat staan dat is komen vast te staan dat betrokkene daarvan misbruik heeft gemaakt. Betrokkene heeft vanaf het eerste contact met appellant betwist op de hoogte te zijn geweest van een verslavingsproblematiek bij [naam 6] . Appellant heeft daartegenover slechts gesteld dat betrokkene [naam 6] en zijn familie al langere tijd kende, maar dat enkele feit rechtvaardigt niet de conclusie dat betrokkene van alle problemen van [naam 6] moet hebben geweten. De stelling dat betrokkene de kennis die hij over [naam 6] had, welbewust heeft misbruikt om aan [naam 2] te kunnen blijven facturen heeft appellant niet met concrete feiten onderbouwd. Dat de samenwerking met [naam 6] niet vlekkeloos verliep, in die zin dat [naam 6] ondanks aanwijzingen zijn administratie niet goed inleverde, is daarvoor onvoldoende. Bovendien heeft appellant niet weersproken, zoals reeds overwogen, dat betrokkene meer dan eens bij [naam 6] onder de aandacht heeft gebracht dat de kosten opliepen en dat [naam 6] betrokkene desondanks telkenmale heeft gevraagd de werkzaamheden voort te zetten.

5. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat de accountantskamer de klacht terecht ongegrond heeft verklaard. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

6. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. J.A.M. van den Berk en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.T. Plouvier