Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:267

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
19-09-2016
Zaaknummer
14/693
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht; de accountant was niet persoonlijk betrokken bij het handelen waarover is geklaagd; uitbreiding van de klacht in hger beroep is niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/693

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 30 augustus 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellante,

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 15 september 2014, gegeven op een klacht, op 10 januari 2014 door appellante ingediend tegen [betrokkene] AA (betrokkene).


Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 15 september 2014, met nummer 14/89Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2014:71).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2016.

Appellante en betrokkene zijn verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene is als openbaar accountant-administratieconsulent verbonden aan [naam 2] Accountants/Belastingadviseurs ( [naam 2] ) te [plaats 3] .

1.3

De moeder van appellante, [naam 3] ( [naam 3] ) is op 21 augustus 2012 overleden. [naam 3] werd in de behartiging van haar financiële zaken jarenlang bijgestaan door haar zoon (tevens broer van appellante), [naam 4] en door [naam 5] ( [naam 5] ), een medewerkster van [naam 2] .

1.4

Op grond van het testament viel de nalatenschap van [naam 3] in de Stichting [naam 3] (de Stichting), waarvan het bestuur wordt gevormd door [naam 4] , [naam 6] , een zus van appellante, en [naam 5] .

1.5

Appellante heeft haar bedenkingen over de wijze waarop tijdens het leven van haar moeder de financiële zaken werden geregeld en ook over de wijze waarop de nalatenschap van [naam 3] door de Stichting wordt afgewikkeld.

1.6

Op 25 februari 2013 heeft betrokkene, in een door hem ondertekende brief, aan de Stichting gemeld dat is vastgesteld dat de instructies in het testament zijn uitgevoerd door het bestuur van de Stichting, dat [naam 2] de administratie heeft verwerkt ten behoeve van de jaarrekening 2012, dat in de administratie niet is gebleken van onverklaarbare transacties en/of enige zelfverrijking door één van de betrokkenen en dat men voornemens is bij de jaarrekening 2012 een samenstellingsverklaring af te geven.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer bevat een zevental verwijten die zien op:

I. de afhandeling van de nalatenschap, waaronder het niet beantwoorden van brieven;

II. het hanteren van extreem hoge WOZ-waarden in 2010;

III. -met betrekking tot het optreden van [naam 5] -

a. het in oktober 2012 instemmen met een veel te lage verkoopwaarde (want WOZ-waarde) van het pand aan de [adres] te [plaats 2] ;

b. het niet uitkeren van een legaat en het afhankelijk stellen daarvan van het tekenen van afstand;

IV. het ontnemen van het recht zelfstandig aangifte erfbelasting te doen, door:

a. het niet tijdig geven van gestructureerde informatie;

b. het laten uitbetalen van een teruggaaf erfbelasting die aan appellante toebehoorde;

c. het tweemaal opnemen van een post schulden, waardoor er te veel successierechten zijn betaald;

d. het uitkeren van gelden aan erfgenamen die daar geen recht op hadden;

V. het onjuist vermelden van de verkoopopbrengsten van de panden in de rekening en verantwoording;

VI. het ondeskundig afhandelen van het bezwaarschrift WOZ-waarde na het overlijden van [naam 3] , namelijk uitgaan van hogere getaxeerde waarde, terwijl de gemeente op bezwaar al op een lagere waarde uitkwam;

VII. het ongefundeerd verhogen van de WOZ-waarde van de panden voor het overlijden van [naam 3] (ondanks jarenlange bezwaren tegen absurd hoge waarden ging het kantoor van betrokkene daarmee door).

Wat verder door appellante ter zitting bij de accountantskamer als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, heeft de accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen doch als een onderbouwing van de weerspreking van de stellingen van betrokkene.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft daaraan – samengevat – ten grondslag gelegd dat uit de feiten naar voren is gekomen dat de afstand van betrokkene tot het handelen waarover appellante heeft geklaagd, wat daar verder ook van zij, zodanig groot is dat hij daarvoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Appellante heeft in hoger beroep centraal gesteld dat betrokkene tuchtrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor de gedragingen zoals weergegeven in 2.1. Volgens appellante heeft betrokkene op geen enkele manier blijk gegeven van zorgvuldig handelen en het behartigen van de belangen van appellante, zoals dat in de beroepsregels voor accountants is opgenomen.

4. Betrokkene heeft er in hoger beroep andermaal op gewezen dat werkzaamheden die [naam 2] voor [naam 3] en na haar overlijden voor de Stichting heeft verricht, fiscale werkzaamheden waren die werden uitgevoerd onder de supervisie van zijn collega [naam 7] , die fiscaal-jurist is. Betrokkene heeft gesteld tweemaal bemoeienis te hebben gehad met de zaken van [naam 3] en wel in de vorm van een jaren geleden gehouden gesprek met appellante en in de vorm van de verklaring opgenomen in de in 1.6 beschreven brief van 25 februari 2013.

5. Het College overweegt dat appellante ter zitting bij de accountantskamer heeft bevestigd dat zij voor het overlijden van haar moeder eenmaal persoonlijk contact heeft gehad met betrokkene en dat zij de verklaring van 25 februari 2013 heeft ontvangen.

6. Appellante heeft in hoger beroep niet betwist dat betrokkene geen persoonlijke betrokkenheid heeft gehad bij de feitelijke gedragingen die ten grondslag liggen aan de klacht zoals weergegeven in 2.1. Daarnaast heeft appellante niets ingebracht tegen het verweer van betrokkene dat de fiscale werkzaamheden, waaronder de aangiften inkomstenbelasting, die voornamelijk werden uitgevoerd door [naam 5] , destijds werden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van fiscaal-jurist [naam 7] . Gelet op het voorgaande kunnen de handelingen die appellante in haar klaagschrift naar voren heeft gebracht niet aan betrokkene worden toegerekend. De accountantskamer heeft naar het oordeel van het College terecht geoordeeld dat de afstand van betrokkene tot het handelen weergegeven in 2.1 dusdanig groot is dat hij daarvoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk gehouden kan worden, nog daargelaten of van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake is geweest.

7. Het College begrijpt het hoger beroep tevens zo dat appellante meent dat betrokkene desondanks tuchtrechtelijk verantwoordelijk gehouden moet worden voor de afhandeling van de nalatenschap door de Stichting omdat hij de verklaring van 25 februari 2013 heeft ondertekend. Uit deze verklaring heeft appellante afgeleid, zo begrijpt het College, dat betrokkene met het gezag van een accountant het optreden van de Stichting ten aanzien van de nalatenschap van [naam 3] heeft goedgekeurd en dat deze verklaring de basis heeft gevormd voor de verdeling van de nalatenschap, met alle juridische gevolgen van dien.

8. Ten aanzien van de verklaring van 25 februari 2013 heeft betrokkene ter zitting toegelicht dat hij door de Stichting is gevraagd een dergelijke verklaring af te geven, omdat de Stichting tegenover derden wilde laten zien dat de Stichting haar zaken goed op orde had. Betrokkene heeft uiteengezet dat hij voor de verklaring uitsluitend heeft onderzocht of er aanwijzingen waren voor onverklaarbare transacties of zelfverrijking. Van enige controle of goedkeuring van het optreden van de Stichting is geen sprake geweest. Betrokkene heeft desgevraagd verklaard dat hij zich – achteraf gezien– destijds onvoldoende bewust is geweest van de risico’s van het opstellen van een dergelijke verklaring en dat het geven van de verklaring in dat opzicht ongelukkig is geweest.

9. Het College overweegt dat appellante haar hoger beroep heeft gericht tegen hetgeen de verklaring van 25 februari 2013 in haar visie betekent, namelijk dat betrokkene ten onrechte goedkeuring heeft gegeven aan de ondeugdelijke afhandeling van de nalatenschap door de Stichting. Dit verwijt aan betrokkene heeft appellante echter niet in haar klaagschrift naar voren gebracht. Appellante heeft weliswaar in de aanvulling van de klacht, door middel van de brieven gedateerd op 17 januari 2014 en 3 januari 2014 (ontvangen door de accountantskamer 16 juni 2014), gewezen op de verklaring van 25 februari 2013, maar zij heeft in die aanvullingen geen concrete verwijten opgenomen ten aanzien van de inhoud van die verklaring of enig handelen van betrokkene in verband daarmee. Het verwijt dat betrokkene de verklaring van 25 februari 2013 heeft opgesteld en daarmee ten onrechte het handelen van de Stichting heeft goedgekeurd, wat daar verder ook van zij, vormt een aanvulling dan wel uitbreiding van de klacht, welke volgens vaste jurisprudentie van het College in een hoger beroep tegen een beslissing van de accountantskamer niet meer mogelijk is (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2015:283). Nu voornoemd verwijt niet is terug te voeren op de oorspronkelijke klacht laat het College dit daarom buiten beschouwing.

10. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

11. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.


Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. J.A.M. van den Berk en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.

w.g. J.W.L Aerts w.g. J.M.T. Plouvier