Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:260

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
14/605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tuchtrecht accountants. Driejaarstermijn art. 22 Wtra. Verzoek om informatie. Geheimhoudingsplicht. Geen machtiging om informatie aan een derde bekend te maken. Geen op de accountant rustende maatschappelijke zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/605

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 30 augustus 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: [naam 2] ),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 25 augustus 2014, gegeven op een klacht, op 7 januari 2014 door appellante ingediend tegen [naam 3] AA RV, betrokkene
(gemachtigde: mr. F.C.M. van der Velden).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 25 augustus 2014 met nummer 14/57 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2014:66).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016.

Appellante en betrokkene zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Appellante heeft bij brief van 29 maart 2016 het College een nadere reactie gestuurd.

Betrokkene heeft bij brief van 26 april 2016 hierop gereageerd.

Het College heeft partijen bij brief van 9 mei 2016 meegedeeld dat het zich voldoende ingelicht acht en mede op basis van deze reacties uitspraak zal doen.

Grondslag van het geschil

1.1

Het College gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2

Betrokkene was de accountant van [naam 4] , de vader van appellante, en diens onderneming [naam 5] . Betrokkene had opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening van deze onderneming, het doen van aangifte vennootschapsbelasting voor de onderneming en het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting. Na het overlijden van [naam 4] op 27 februari 2006 werd diens echtgenote [naam 6] enig aandeelhouder en bestuurder van de onderneming. Betrokkene heeft de aangifte inkomstenbelasting van [naam 6] verzorgd, en heeft – op haar verzoek – tevens de aangifte van het recht van successie opgesteld, die op 23 mei 2007 door alle erfgenamen is ondertekend.

1.3

[naam 6] was na het overlijden van haar echtgenoot zelfstandig bevoegd te beschikken over de nalatenschap. Zij heeft op 23 januari 2007 aan de Amerikaanse onderneming [naam 7] ( [naam 7] ), waarvan haar zoon [naam 8] directeur en enig aandeelhouder is, een lening verstrekt van € 535.000,-. In augustus 2007 heeft zij een lening van € 198.000,- verstrekt aan [naam 7] .

1.4

Bij brief van 17 juni 2008 heeft betrokkene aan [naam 6] verslag gedaan van zijn bespreking op 16 juni 2008 met [naam 8] en het aansluitende telefoongesprek van hem met [naam 6] . Volgens de brief ging de bespreking over het aangaan van (hypothecaire)geldleningen op het woonhuis van [naam 6] ter verdere financiering van de bedrijfsmatige activiteiten in de USA van [naam 8] . Betrokkene bevestigt in de brief dat hij [naam 6] heeft geadviseerd dergelijke leningen niet aan te gaan en dat, mocht zij toch besluiten schulden aan te gaan om [naam 8] te financieren, zij in het slechtste geval rekening dient te houden met een gedwongen verkoop van eigendommen.

1.5

Op 6 september 2009 heeft [naam 10] , de zus van appellante, betrokkene per e‑mail geïnformeerd dat er een hypotheek op het woonhuis van [naam 6] is gevestigd. In de e-mail heeft zij onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Beste [naam 3] , ik ga er op dit moment vanuit dat je er (nog) niet van op de hoogte bent.
Ik vraag me af hoe dit allemaal mogelijk is.

Elke bank, en zeker in deze crisis-tijd, wil toch op zijn minst zekerheid hebben op basis van
inkomsten. Mijn moeder heeft alleen maar AOW en het is toch onmogelijk dat een bank op die basis
een hypotheek (hypotheken) verstrekt tot zulke bedragen.

Voor mij en mijn zussen is het overduidelijk dat al het opgenomen geld van de [naam 5] en
de hypotheken naar broer [naam 9] is gegaan.
Mijn moeder kan doen en laten met haar erfenis zoals haar door iedereen wordt bevestigd. Maar,

overziet ze dit nog wel allemaal.

Waar moet ze het geld vandaan halen om de (hypothecaire) schulden af te lossen als broer [naam 9] dat
niet kan doen.


Is het dan nu toch al zover dat mijn somberste gedachten waarheid zijn geworden?
Mijn moeder moet zo het huis uit en het geld en de bezittingen zijn foetsie. (volgens de laatste
gegevens richting [locatie 1] ).

Ik begrijp heel erg goed dat je tegenover mij en mijn zussen niet echt openheid van zaken kunt geven
over de positie van mijn moeder.
Wij willen hoe dan ook voorkomen dat mijn moeder in heel erg grote problemen komt en ik vraag je
dan ook om ons voorzover dat tot je mogelijkheden behoort op de hoogte te houden en ons te
adviseren.”

1.6

Op 29 oktober 2009 hebben [naam 6] en [naam 8] een door betrokkene opgestelde geldleningsovereenkomst ondertekend ter zake van door [naam 6] in 2007 aan [naam 8] uitgeleende bedragen tot een totaal van € 775.500,-.

1.7

Bij brief van 24 december 2009 heeft betrokkene – in reactie op een telefoongesprek met appellante en een e-mailbericht van appellante – het volgende aan appellante bericht:

“Uw vader is op 27 februari 2006 overleden. Bij testament heeft hij beschikt over zijn
nalatenschap in die zin dat hierop de wettelijke verdeling van toepassing is. Uw moeder, (…), heeft
dan ook alle goederen van de nalatenschap verkregen. De kinderen hebben voor een aandeel in de
nalatenschap een niet-opeisbare vordering op hun moeder verkregen. Uw moeder heeft onder andere
het recht van vervreemding en bezwaring en van zaaksvervanging en interingsbevoegdheid.

Uw moeder heeft gebruikmakend van genoemde bevoegdheden onroerende zaken verkocht en/of
bezwaard en aanzienlijke geldbedragen uitgeleend aan uw broer [naam 9] . Hoewel het
feitelijke beheer over het familievermogen is/wordt verzorgd door uw broer, zijn genoemde
handelingen naar onze mening volledig in samenspraak met en in volle bewustzijn door uw moeder
uitgevoerd. Zij draagt daarvoor dan ook alle verantwoordelijkheid. U noch uw beide zusters zijn
hierin volgens onze informatie gekend en/of zijn hierin betrokken geweest. Voorzover ons bekend
heeft u ook geen gelden ontvangen.

Ook wij zijn niet volledig op de hoogte van de inhoud en de resultaten van alle transacties, die in de
afgelopen jaren zijn uitgevoerd. In veel van de gevallen zijn wij namelijk vooraf in het geheel niet
geraadpleegd door uw moeder en/of broer en werden daar pas naderhand bij de afhandeling van de
belastingaangiften mee geconfronteerd. Omtrent de terugbetaling door en inbaarheid van de
vorderingen op uw broer kunnen wij geen stellige uitspraken doen.”

1.8

Bij brief van 2 februari 2011 van mr. [naam 11] , werkzaam bij het kantoor van betrokkene, is aan de Belastingdienst meegedeeld dat [naam 6] niet in staat is aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te betalen. Daarbij is meegedeeld dat [naam 8] en zijn onderneming inmiddels ongeveer € 1.150.000,- aan het privévermogen van [naam 6] en ongeveer € 900.000,- aan het vermogen van de [naam 5] hebben onttrokken, en dat ernstig moet worden gevreesd voor totaal verlies. Omdat het inkomen van [naam 6] ontoereikend is om te kunnen voorzien in levensonderhoud en de kosten van woning is verzocht openstaande vorderingen te bevriezen en incassomaatregelen op te schorten totdat middelen vrijkomen voor betaling. Dit verzoek is door de Belastingdienst gehonoreerd.

1.9

Naar aanleiding van een e-mail van [naam 10] van 29 augustus 2011 met vragen over de gedeponeerde cijfers van [naam 5] , heeft betrokkene haar bij e-mail van die zelfde dag meegedeeld dat zijn geheimhoudingsplicht hem belet om niet publiekelijk beschikbare informatie omtrent deze onderneming, te verstrekken.

1.10

Per e-mail van 26 september 2012 heeft [naam 10] zich opnieuw tot betrokkene gewend vanwege zorgen over de financiële situatie van haar moeder, en hem gevraagd of het mogelijk is stukken langer te bewaren dan de voorgeschreven bewaartermijn.

In reactie hierop heeft betrokkene haar per e-mail van 1 oktober 2012 het volgende meegedeeld:

“(…). Met toestemming van jouw moeder zal ik proberen enige duidelijkheid te scheppen omtrent
haar huidige financiële positie.

De financiële vaste activa in de [naam 5] betreffen de gelden welke door (een
vennootschap van) [naam 9] zijn geleend. Met name om fiscale redenen is deze vordering
afgewaardeerd naar € 1 maar zeker niet prijsgegeven. De fiscale claim welke de belastingdienst op
de vennootschap had is afgewikkeld.

Zoals je weet is [adres 1] belast met een hypotheek en erfpachtconstructie. Omdat het inkomen
niet volledig werd aangewend zijn achterstanden ontstaan, met als gevolg dreigende executoriale
verkoop. Daarom is een overbruggingshypotheek opgenomen ten laste van [adres 2] .

Uit de verkoop van de woning in Zwitserland is deze overbruggingshypotheek weer afgelost
(mogelijk dat de kadastrale inschrijving niet is geroyeerd), zijn alle belastingschulden voldaan en is
de rest gereserveerd voor onvoorziene uitgaven en voor wat aanvulling op het inkomen.

Dit betekent dat er nu rust is in de financiële positie van jouw moeder. Zij heeft voldoende inkomen
om de vaste lasten te kunnen voldoen en heeft daarnaast wat extra’s om nog enigszins leuk te kunnen
leven.

De vorderingen op [naam 9] liggen vast, onze dossiers kennen een bewaartermijn van minimaal 10 jaar
maar veelal zijn de digitale stukken nog langer beschikbaar. Hopelijk is hij in staat om zijn beloften
tot aflossing na te gaan komen.

[naam 13] heeft de laatste jaren veel tijd en energie gestoken in het opschonen van de financiën. Hij is de
enige die nog toegang heeft tot de bankrekening via internetbankieren en verzorgt de betalingen voor,
en in overleg met, zijn oma. Grotere posten doet hij in overleg met mij, ook heb ik de controle
achteraf.

Ik hoop dat met bovenstaande informatie jouw zorgen wat zijn weggenomen.”

1.11

Bij brief van 21 november 2012 heeft (de echtgenoot van) appellante betrokkene gevraagd om een overzicht van de bezittingen en (toekomstige) schulden van [naam 6] , in verband met het oog op risico’s bij een beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap te zijner tijd. In reactie daarop heeft betrokkene per e-mail van 5 december 2012 aan appellante meegedeeld dat hij slechts informatie over klanten mag delen met derden als hij daar uitdrukkelijk toestemming voor heeft gekregen.
Bij e-mail van 24 december 2012 heeft betrokkene appellante een nadere toelichting gegeven op het beneficiair aanvaarden van een nalatenschap. Voorts heeft betrokkene medegedeeld dat hij omtrent de huidige vermogenspositie van [naam 6] geen mededelingen kan doen. Betrokkene heeft wel zijn e-mail aan [naam 10] van 1 oktober 2012 doorgestuurd aan appellante.

1.12

In reactie op een nieuw verzoek van (de echtgenoot van) appellante van 4 februari 2013 heeft betrokkene appellante per e-mail van 5 februari 2013 het volgende meegedeeld:


“(…). Zonder uitdrukkelijke toestemming van uw (schoon)moeder verbieden mijn beroepsregels om
(verdere) informatie omtrent haar financiële positie te verstrekken. Op uw onderstaande verzoek zal
ik dan ook niet ingaan. (…).”

1.13

Per e-mail van 15 april 2013 heeft (de echtgenoot van) appellante nogmaals verzocht om de gevraagde informatie. Daarbij heeft appellant het volgende aan betrokkene geschreven:

“(…). In uw mails hebt u steeds gesteld dat u ons de gevraagde informatie alleen kunt verstrekken met
toestemming van uw cliënte, mevr. [naam 6] . Echter, namens mijn echtgenote heb ik u reeds diverse
keren laten weten dat uw cliënte begrip heeft voor ons gemotiveerde verzoek om adequate informatie
en dat zij daar geen bezwaar tegen heeft. Enige tijd geleden heeft zij u daarover gebeld nadat mijn
echtgenote de zaak weer met haar had besproken. Tot heden hebt u echter ook geen vervolg gegeven
aan het telefoongesprek van uw cliënte.

Gezien het voorgaande wordt de gang van zaken door ons als weinig bevredigend ervaren en
veroorzaakt het eerder extra ongerustheid. U hebt steeds gewezen op uw professionele
geheimhoudingsplicht. Echter, voor professionele dienstverleners geldt ook een wettelijke (BW,
Wta) zorgplicht (waaronder een onderzoeks-, informatie- en waarschuwingsplicht) zoals ook u
bekend zal zijn. Afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden kan deze zorgplicht verder
reiken dan alleen de directe belangen van de cliënt, resp. opdrachtgever zoals de Hoge Raad heeft
geoordeeld. Naar mijn mening zijn in dit geval de specifieke feiten en omstandigheden zodanig dat
deze bredere zorgplicht zeker van toepassing is. (…).”

1.14

Betrokkene heeft in reactie hierop per e-mail van 16 april 2013 het volgende aan (de echtgenoot van) appellante bericht:

“Meerdere malen heb ik u aangegeven dat mijn geheimhoudingsplicht zwaarder weegt dan enige
zorgplicht jegens u. De druk die u uitoefent op uw (schoon)moeder maakt haar onzeker. Zij heeft mij
gevraagd te doen wat ik wenselijk acht maar niet meer informatie te verstrekken dan noodzakelijk is.
Niet voor niets geeft zij zelf geen inzage in fiscale rapporten en jaarrekening terwijl zij die in huis
heeft. Mijn beroepsregels laten mij dan ook geen nadere keuze dan de informatievoorziening te
beperken.”

1.15

Bij brief van 26 mei 2014 heeft de gemachtigde van betrokkene een verklaring overgelegd van mevrouw [naam 6] , gedateerd 30 april 2014, waarin deze het volgende verklaart:

“Geachte mevrouw [naam 12] ,

Via mijn kleinzoon [naam 13] ontving ik uw e-mail aan mij van 29 april. Daarin bericht u mij dat mijn
dochter [naam 14] een tuchtklacht heeft ingediend tegen mijn accountant de heer [naam 3] . Ik begrijp dat
zij de heer [naam 3] verwijt dat hij na het overlijden van mijn man de op hem rustende zorgplicht
jegens haar zou hebben geschonden omdat hij zou hebben nagelaten mijn dochter de relevante
informatie te verstrekken waarom zij heeft verzocht. Dit verwijt is niet terecht.

De heer [naam 3] heeft mij meerdere malen verteld dat [naam 14] (maar ook haar man [naam 15] en zus [naam 16] )
hem om informatie over mijn financiën hebben gevraagd. Ik heb hem telkens gezegd dat ik niet
wilde dat hij deze informatie zou geven. Ik heb hem uitdrukkelijk aangegeven dat ik hem niet uit zijn
geheimhoudingsplicht jegens mijn dochter(s) wil ontheffen.

U wenst mijn reactie aan de Accountantskamer in Zwolle toe te sturen. Ik heb daar geen bezwaar
tegen.
(…).”

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat:

a. betrokkene heeft geweigerd de door appellante gevraagde informatie, waar zij volgens het testament van haar vader recht op heeft, te verstrekken en zich daarbij ten onrechte heeft verscholen achter zijn geheimhoudingsplicht;

b. betrokkene heeft ontkend dat op hem een zorgplicht rust om rekening te houden met
de belangen van klaagster en haar zussen in hun hoedanigheid van erfgenamen van [naam 4] ;

c. betrokkene de belastingaangifte heeft verzorgd van [naam 6] en niet is teruggetreden als haar accountant terwijl hij in de stukken van 24 december 2009 en 24 december 2012 kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de leningen aan [naam 8] en hij vanuit zijn maatschappelijke zorgplicht heeft verzuimd om (verdere) schade voor de betrokkenen te beperken, en hen tijdig te informeren en te waarschuwen;

d. het betrokkene bekend had moeten zijn dat leningen werden verstrekt ten bedrage van meer dan 1 miljoen euro aan een dekmantelbedrijf of aan een persoon die, naar betrokkene wist, al een slechte reputatie had ten aanzien van betalen van rente en aflossingen van de door [naam 4] aan hem uitgeleende gelden;

e. betrokkene de Belastingdienst heeft misleid bij de belastingaangiftes, omdat leningen effectief schenkingen zijn geweest van moeder aan zoon waarover schenkingsrecht had moeten worden betaald;

f. betrokkene appellante in de brief van 16 april 2013 onterecht heeft beticht van nieuwsgierigheid terwijl ze alleen een beroep heeft gedaan op haar testamentaire recht op informatie;

g. de bedrijfsjurist van het kantoor van betrokkene, die ook mediator is, geen poging heeft ondernomen om tot een minnelijke oplossing te komen.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in zijn geheel ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Appellante heeft, zoals ter zitting is toegelicht, geen grieven gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdelen f en g. Het hoger beroep ziet dus alleen op de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a, b, c, d en e.

4.1

Een van de grieven (de derde) van appellante is gericht tegen de overweging van de accountantskamer dat betrokkene (gelet op de inhoudelijke beslissing op de klacht) geen belang heeft bij bespreking van zijn verweer dat de klacht niet-ontvankelijk is. Appellante betoogt dat haar klacht niet is verjaard en dus ontvankelijk is. Zij stelt dat zij eerst na ontvangst van de e-mail van 24 december 2012 van betrokkene, waarbij deze zijn e-mail van 1 oktober 2012 aan [naam 10] aan haar had doorgestuurd, een eerste vermoeden had van mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door betrokkene.
Betrokkene betoogt in zijn reactie op deze grief dat appellante met de brief van 24 december 2009 op de hoogte was van de door haar gestelde onrechtmatige onttrekkingen aan de nalatenschap van haar vader en de geldleningen, en daarmee bekend moet worden geacht met het gestelde nalaten van appellant dat ten grondslag ligt aan de klachtonderdelen a, b, c en e. Omdat deze klachtonderdelen dateren van meer dan drie jaren daarna dienen deze volgens betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het College ziet mede gelet op de reactie van betrokkene aanleiding deze grief van appellante als eerste te bespreken.

4.2

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), zoals deze bepaling luidt met ingang van 1 januari 2014 en voor zover hier van belang, kan een ieder bij een vermoeden van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep door een accountant, binnen drie jaar nadat klager heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat het handelen of nalaten in strijd is met het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep bepaalde of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep, door middel van een klaagschrift een klacht indienen bij de accountantskamer.
Artikel 22, eerste lid, van de Wtra is gewijzigd bij (artikel XV van) de Wijzigingswet financiële markten 2014. Volgens de memorie van toelichting bij deze wet (TK 2012-2013, 33632, nr. 3, p. 50 en p. 105) is met de wijziging het aanvangen van de driejaarstermijn gekoppeld aan een subjectieve toets, namelijk bekendheid van de klager met het verwijtbare karakter van de gedragingen van de accountant.

4.3

De brief van betrokkene van 24 december 2009 beschrijft de stand van zaken van de nalatenschap en de door [naam 6] gedane transacties. Het College is van oordeel dat de inhoud van deze brief niet zodanig is dat appellante reeds op grond daarvan, en dus reeds op dat moment, bekend moet worden verondersteld met de in de klachtonderdelen a, b, c en e gestelde verwijtbare gedragingen van betrokkene. Appellante heeft als peildatum voor het begin van de driejaarstermijn terecht de e-mail van betrokkene van 24 december 2012 aangemerkt. Er bestaat dan ook geen grond voor het niet‑ontvankelijk verklaren van het hoger beroep van appellante voor zover dat betrekking heeft op de klachtonderdelen a, b, c en e.

5. De grieven van appellante beogen de klachtonderdelen a, b, c, d en e opnieuw ter beoordeling voor te leggen. Deze klachtonderdelen zien op de handelwijze van betrokkene ten aanzien van de door [naam 6] aan haar zoon verstrekte leningen, het niet tijdig informeren en het door betrokkene niet nakomen van zijn zorgplicht jegens appellante.
Het College overweegt daaromtrent als volgt.

6.1

De klachtonderdelen a, b en c zien er in de kern op dat betrokkene ten onrechte geweigerd heeft appellante informatie te geven, dat hij zich daarbij ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen en dat hij zijn zorgplicht jegens appellante niet is nagekomen.
Appellante betoogt dat de accountantskamer is uitgegaan van een te beperkte inhoud en betekenis van de Verordening gedragscode (VGC), en andere artikelen van de VGC ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. De geheimhoudingsplicht van artikel A-100.4 onder d, van de VGC geeft volgens haar geen vrijbrief om niet te functioneren zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant mag worden verwacht. Appellante voert tevens aan dat de accountantskamer ten onrechte heeft overwogen dat de door haar genoemde arresten van de Hoge Raad geen steun bieden voor haar standpunt dat betrokkene zijn zorgplicht jegens haar heeft geschonden. Zij stelt dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene geen jegens appellante op hem rustende maatschappelijk zorgplicht heeft geschonden.

Het College ziet aanleiding deze grieven van appellante gezamenlijk te bespreken.

6.2

Vooropgesteld dient te worden dat betrokkene ten tijde van belang accountant was van [naam 5] , waarvan [naam 6] enig aandeelhouder en bestuurder was, en van [naam 6] zelf. Het handelen dan wel nalaten van betrokkene moet worden getoetst aan deel A en deel B1 van de VGC (AA’s). Op grond van artikel A-100.4, onder d, van de VGC moet een Accountant-Administratieconsulent het vertrouwelijke karakter van informatie die hij in het kader van zijn beroepsmatig en zakelijk handelen heeft verkregen eerbiedigen, en mag hij deze informatie zonder specifieke machtiging daartoe niet aan een derde bekend maken, tenzij wettelijk of beroepshalve een recht of plicht daartoe bestaat. Ook artikel A-140, onder a, van de VGC schrijft voor dat een Accountant-Administratieconsulent zich dient te onthouden van het bekend maken van vertrouwelijke informatie indien hij daartoe niet is gemachtigd.
Zoals de accountantskamer terecht heeft overwogen is van een dergelijke machtiging niet gebleken. Hoewel [naam 6] bij appellante mogelijk een andere indruk kan hebben gewekt, blijkt uit haar brief van 30 april 2014 duidelijk dat zij betrokkene geen machtiging heeft verstrekt om de door appellante gevraagde informatie aan haar te geven.

6.3

Van een situatie zoals bedoeld in artikel A-140.7 van de VGC waarin een Accountant-Administratieconsulent verplicht is of waarin het maatschappelijk juist is vertrouwelijke informatie bekend te maken, is geen sprake. Het College is voorts met de accountantskamer van oordeel dat de opvatting van appellante dat betrokkene op grond van een op hem als accountant rustende maatschappelijke zorgplicht appellante had moeten informeren, geen steun vindt in enige beroeps- of gedragsregel en ook niet in de door appellante genoemde arresten van de Hoge Raad.

6.4

Uit het voorgaande volgt dat betrokkene zich terecht heeft beroepen op de op hem rustende geheimhoudingsplicht, op grond waarvan het hem niet is toegestaan appellante de door haar gevraagde informatie te geven.
Deze grieven van appellante slagen niet.

7.1

De klachtonderdelen d en e zien op wetenschap van betrokkene over de door [naam 6] aan haar zoon verstrekte leningen en de gestelde misleiding van de Belastingdienst op dat punt.

7.2

Appellante bestrijdt de ongegrondverklaring van deze klachtonderdelen. Zij voert aan dat de accountantskamer in overweging 4.8 van de beslissing juist en terecht heeft overwogen dat betrokkene pas achteraf op de hoogte is geraakt van de transacties die [naam 6] met [naam 17] jr. heeft gesloten, en dat hij [naam 6] in juni 2008 uitdrukkelijk heeft gewezen op de risico’s die waren verbonden aan het aangaan van leningen (met haar woonhuis als zekerheid). Volgens appellante bewijzen deze vaststaande feiten dat betrokkene willens en wetens niet alleen haar, maar ook de Belastingdienst heeft misleid en daarmee heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van integriteit.

7.3

Betrokkene had een samenstellingsopdracht. Uit de stukken blijkt dat hij onderzoek heeft gedaan naar de onderneming van de zoon van [naam 6] en dat hij heeft bewerkstelligd dat eerder door [naam 6] aan de onderneming van haar zoon verstrekte geldleningen in 2009 alsnog schriftelijk in een overeenkomst van geldlening tussen betrokken partijen zijn vastgelegd Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat betrokkene in strijd met zijn verplichtingen heeft gehandeld of bij de belastingaangiftes willens en wetens de Belastingdienst heeft misleid. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de brief van mr. [naam 11] van 2 februari 2011 de Belastingdienst geen aanleiding heeft gegeven om de door betrokkene voor [naam 6] en de onderneming gedane aangiften in twijfel te trekken.

Ook deze grief slaagt niet.

8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

9. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. J.A.M. van den Berk en mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.A. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. M.A. Voskamp