Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:245

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
25-08-2016
Zaaknummer
14/445
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling LNV subsidies, onderdeel jonge landbouwers 2013

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/445

27811

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

(gemachtigden: mr. C.M.H. Cohen en mr. L. Kooijman),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Harteveld).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om subsidie in het kader van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Jonge Landbouwers 2013 (de Regeling), afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft zijn beroep nader gemotiveerd en een nader stuk overgelegd.

Verweerder heeft hierop een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2016. Appellant is hierbij vertegenwoordigd door mr. Kooijman en verweerder door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Appellant heeft door middel van een daartoe bestemd aanvraagformulier op 13 december 2013 een aanvraag ingediend om verlening van subsidie op grond van de Regeling. Bij deze aanvraag heeft appellant gevoegd een akte van maatschap van 24 september 1999, waarin staat dat appellant sinds 1 januari 1999 een landbouwbedrijf in maatschapsverband met zijn moeder exploiteert.

1.2

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 1 april 2014 staat de maatschap van appellant en zijn moeder ingeschreven en staan appellant en zijn moeder als maat vermeld.

1.3

Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag om subsidie van appellant afgewezen, omdat hij volgens verweerder ten tijde van die aanvraag niet voldeed aan de definitie van jonge landbouwer in artikel 2:1 van de Regeling. Appellant beheert het landbouwbedrijf vanuit de maatschap met zijn moeder, terwijl zij al een landbouwbedrijf in eigendom, pacht of erfpacht heeft gehad.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan de motivering toegevoegd dat appellant ten tijde van de aanvraag al meer dan drie jaar voor eigen rekening en risico een landbouwonderneming beheerde, zodat hij ook daarom niet voldeed aan de in artikel 2:1 van de Regeling opgenomen definitie van jonge landbouwer.

3. Appellant betwist dat hij de effectieve zeggenschap had in de maatschap die hij vanaf 1999 voerde met zijn moeder. Hij had in de maatschap niet de daadwerkelijke en voortdurende zeggenschap over het landbouwbedrijf, maar maakte enkel in gebruik en genot deel uit van het samenwerkingsverband. Wel is hij vanaf 15 januari 2013 bedrijfshoofd en heeft hij zowel de effectieve en voortdurende zeggenschap over het landbouwbedrijf als het beheer ervan. Hij exploiteert als enig eigenaar het landbouwbedrijf volledig voor eigen rekening en risico. Dit is geformaliseerd in de akte van bedrijfsoverdracht van
30 december 2013. In beroep heeft appellant deze akte overgelegd. Volgens deze akte is met ingang van 15 januari 2013 de maatschap ontbonden en het bedrijf op appellant overgedragen. Appellant beheerde ten tijde van de aanvraag daarom minder dan drie jaar voor het eerst en voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf en voldeed daarmee aan artikel 2:1 van de Regeling. Verweerder had naar aanleiding van de aanvraag nader onderzoek moeten doen.

4.1

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellant in de maatschap niet de daadwerkelijke zeggenschap had en het landbouwbedrijf niet voor eigen rekening en risico beheerde. Daarom voldeed hij niet aan de definitie van jonge landbouwer. Als hij die zeggenschap wel had, had hij meer dan drie jaar een landbouwbedrijf, zodat hij ook dan niet voldeed aan de definitie van jonge landbouwer. De akte van 30 december 2013 is niet bij de aanvraag van 13 december 2013 overgelegd en ook niet in bezwaar of bij het beroepschrift. Nu in de aanvraag de gestelde wijziging per 15 januari 2013 niet is onderbouwd, is verweerder uitgegaan van de stukken bij de aanvraag. Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift erop gewezen dat hij gelet op artikel 2:42, eerste lid, van de Regeling moet uitgaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Ten tijde van de aanvraag was het bedrijf nog niet overgedragen en zat appellant nog in de maatschap. Verweerder heeft dat dus als uitgangspunt bij de beoordeling kunnen aanhouden. Dat geldt temeer nu er in 2013 sprake was van een subsidieplafond en verweerder voorrang heeft mogen geven aan aanvragers die bij de aanvraag wel een bewijs van vestiging hebben overgelegd en hebben aangetoond dat zij ten tijde van de aanvraag voldeden aan de voorwaarden.

4.2

Ter zitting heeft verweerder vanwege de uitspraak van het College van 30 september 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:338), waarin het College heeft geoordeeld dat artikel 2:1, onder b, van de Regeling niet verenigbaar is met het toepasselijke Unierecht en om die reden buiten toepassing moet worden gelaten, de afwijzingsgrond dat appellant samen met een ander natuurlijk persoon een landbouwonderneming heeft die al eerder een landbouwonderneming volledig in eigendom heeft gehad laten vallen.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europese Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (Verordening 1698/2005), luidde voor zover en ten tijde van belang:

“Artikel 22 - Vestiging van jonge landbouwers

1. De in artikel 20, onder ii), bedoelde steun wordt toegekend aan landbouwers die:

a) jonger zijn dan 40 jaar en zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen (…)”

De Regeling luidde voor zover en ten tijde van belang:

“Artikel 2:1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(…)

– jonge landbouwer: natuurlijke persoon die ten hoogste 39 jaar oud is en sinds ten hoogste drie jaar voor het eerst voor eigen rekening en risico een landbouwonderneming beheert die hij:

a. alleen in eigendom, pacht of erfpacht heeft, of

b. volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft met een andere natuurlijke persoon die niet eerder een landbouwonderneming volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft gehad;

(…)

Artikel 2:42. Subsidiabele activiteiten
1 In aanvulling op artikel 2:37, eerste lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0021281/2013-10-01/1), kan de Minister voor andere investeringen dan de investeringen, bedoeld in bijlage 2 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0021281/2013-10-01/1) bij deze regeling subsidie als bedoeld in dat artikel verstrekken aan een persoon die op het tijdstip van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening een jonge landbouwer is en aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:

a. hij beschikt over een getuigschrift van afronding van een erkende landbouwkundige opleiding of een opleiding van gelijkwaardig niveau, of

(…)”

In de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 december 2012, nr. WJZ/12367047, houdende de openstelling van subsidieaanvragen en de vaststelling van subsidieplafonds (Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 24

1 Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 13 december 2013.

(…)


Artikel 27

Het subsidieplafond bedraagt € 5.300.000.

(…)”

5.2

Het College stelt vast dat in de toelichting bij het aanvraagformulier staat vermeld wat meegestuurd moet worden als bewijsstuk van vestiging. Daarbij staat onder meer een notariële akte van levering vermeld. Appellant heeft bij zijn aanvraag de notariële akte betreffende de maatschap met zijn moeder overgelegd. In de aanvraag staat niet vermeld dat de maatschap beëindigd zou zijn of dat er anderszins relevante wijzigingen zijn ten opzichte van de situatie zoals weergegeven in die notariële akte. Verder blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 1 april 2014 dat de maatschap van appellant en zijn moeder op dat moment nog stond ingeschreven. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling kan uitsluitend de inhoudelijke informatie die door aanvragers voor het einde van de aanvraagperiode is verstrekt bij de beoordeling worden betrokken (vergelijk de uitspraak van het College van 6 november 2013, ECLI:NL:CBB:2013:224). Om die reden laat het College de door appellant in beroep overgelegde akte buiten beschouwing. Weliswaar heeft appellant aangevoerd dat verweerder in andere zaken stukken betrekt die na de aanvraag zijn ingediend en dat verweerder soms ook zelf stukken opvraagt, maar verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit slechts gebeurt indien de aanvraag daartoe aanknopingspunten biedt of indien blijkt dat sprake is van een duidelijke fout in de aanvraag. In dit geval is de aanvraag van appellant duidelijk.

5.3

Appellant heeft niet bestreden het standpunt van verweerder dat hij op grond van de bij de aanvraag gevoegde stukken niet als jonge landbouwer in de zin van artikel 2:1 van de Regeling kan worden aangemerkt. Immers, indien geoordeeld zou worden dat hij op grond van de maatschapsakte geen zeggenschap zou hebben, dan voldeed hij ten tijde van de aanvraag niet aan het vereiste dat hij voor eigen rekening en risico een landbouwonderneming beheert. Indien zou moeten worden geoordeeld dat hij op grond van de maatschapsakte wel zeggenschap heeft, dan voldoet hij niet aan het vereiste dat hij ten hoogste drie jaar voor eigen rekening en risico het landbouwbedrijf mag beheren. Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen.

6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, mr. A. Venekamp en mr. T.P.J.N. van Rijn in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2016.

w.g. H.B. van Gijn w.g. C.M. Leliveld