Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:237

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
15/358
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Randvoorwaardenkorting. Overmacht. Evenredigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/358

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P.G. Grijpstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 3% op de aan appellante voor het jaar 2013 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 30 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft voor 2013 rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling aangevraagd. Op 17 december 2013 heeft een inspectie door een controleur van de NVWA op het bedrijf van appellante plaatsgevonden. Hiervan is een afdoeningsrapport gedateerd 20 februari 2014 opgesteld. Blijkens het rapport is geconstateerd dat van de tot het bedrijf van appellante behorende en op zandgrond gelegen percelen 5, 12 en 15 op 17 oktober 2013 mais is geoogst. Op deze percelen heeft de controleur op 17 december 2013 geen vanggewas of zaden van een vanggewas waargenomen. De controleur heeft vastgesteld dat er in perceel 12 diepe sporen aanwezig waren, zodat het niet mogelijk was een vanggewas te zaaien waarvan de teelt een redelijke kans tot slagen had. Volgens de controleur was het goed mogelijk om kort na de oogst de percelen 5 en 15, met een oppervlakte van 3.77 ha, in te zaaien. Op 5 februari 2014 heeft de controleur de percelen 5 en 15 nogmaals bekeken en heeft hij wederom geen vanggewas waargenomen.

1.2

Op grond van het rapport heeft verweerder bij het primaire besluit aan appellante een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd wegens het niet direct na de teelt van mais op zand- of lössgrond zaaien van een vanggewas. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante hiertegen ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft haar beroepsgrond dat het controleverslag te laat aan haar is toegestuurd ter zitting ingetrokken.

3. Op grond van artikel 8a, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen (het Besluit) wordt op zand- en lössgronden na de teelt van mais direct aansluitend een bij ministeriële regeling aangewezen gewas geteeld. Appellante betwist niet dat zij op de percelen 5 en 15 niet direct na de oogst een vanggewas heeft ingezaaid en dat zij daarmee de randvoorwaarde bedoeld in artikel 8a, eerste lid, van het Besluit heeft overtreden.

4.1

Appellante heeft aangevoerd dat vanwege de natte omstandigheden sprake was van een overmachtssituatie. Zij heeft in dat verband ook de juistheid van de waarnemingen van de controleur betwist. Zij betoogt dat het haar niet verweten kan worden dat zij dit niet binnen tien dagen heeft gemeld.

4.2

Het College overweegt dat op grond van artikel 75, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers (Verordening 1122/2009) gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden schriftelijk binnen tien werkdagen vanaf de dag waarop dit voor de landbouwer mogelijk is aan de bevoegde autoriteit worden gemeld. Gebleken is dat appellante dit niet heeft gedaan. Het beroep op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kan al hierom niet slagen (zie de uitspraak van het College van 3 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:245). Het feit dat appellante, naar zij stelt, niet op de hoogte was van de verplichting om te melden, maakt niet dat het niet melden verschoonbaar is. Het toepassen van deze bepaling is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het kenbaarheidsvereiste, nu de bepaling is opgenomen in een verordening en deze is gepubliceerd.

4.3

Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

5.1

Appellante heeft voorts aangevoerd dat verweerder de korting had moeten matigen omdat er sprake is van verlichtende omstandigheden. Zoals ook blijkt uit de overgelegde verklaringen is wel een vanggewas ingezaaid, maar later, namelijk eind november. De niet-naleving is dus hersteld. Er is volgens appellante ten onrechte voorbij gegaan aan artikel 24, tweede lid, tweede en derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009) en artikel 2, derde lid, van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB. Ter zitting heeft zij in dat verband nog aangevoerd dat er materieel geen nadeel is ontstaan, omdat vanwege het hoge vochtgehalte het vanggewas op de percelen 5 en 15 toch niet was opgekomen.

5.2

Het College stelt vast dat de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB ten tijde van belang niet meer golden. Op grond van artikel 24, tweede lid, van Verordening 73/2009 kunnen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen besluiten dat geen verlaging wordt toegepast wanneer een geval van niet-naleving, gelet op de ernst, de omvang en het permanente karakter ervan, als van gering belang moet worden beschouwd. Gevallen van niet-naleving die een rechtstreeks gevaar voor de volksgezondheid of de gezondheid van dieren vormen, worden evenwel niet als van gering belang beschouwd. Dit artikel is nader uitgewerkt in artikel 3 van de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Beleidsregels). Volgens artikel 3, eerste en tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, is de in geding zijnde overtreding niet een niet-naleving van gering belang. Verweerder heeft nader toegelicht dat de overtreding die appellante heeft begaan de kern raakt van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Nitraatrichtlijn), te weten het voorkomen van vervuiling van oppervlaktewater en grondwater. Mais neemt na de bloei (juli-augustus) nauwelijks stikstof op. De niet opgenomen stikstof en de stikstof die na mineralisatie vrijkomt blijft in de bodem achter en kan in de winter uitspoelen naar grond- en oppervlaktewater. In de winter valt er meestal meer regen dan er verdampt, waardoor deze periode meer gevoelig is voor uitspoeling. Het gevolg hiervan is een verhoging van het nitraatgehalte in het grondwater. Om dit te voorkomen moet bij de teelt van mais op zand na de oogst een vanggewas worden ingezaaid. Er is geen onderscheid gemaakt tussen het niet inzaaien van een vanggewas of het te laat inzaaien daarvan, omdat de uitspoeling van nitraat en de negatieve gevolgen ervan al optreden op het moment dat niet direct aansluitend een vanggewas wordt geteeld. Appellante heeft de door verweerder uiteengezette ratio van artikel 8a van het Besluit niet betwist. Gelet op het vorenstaande ziet het College, ook als appellante wordt gevolgd in haar betoog dat zij eind november een vanggewas heeft ingezaaid, daarin geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de overtreding als gering had moeten aanmerken. De enkele stelling ter zitting dat het gewas toch niet zou zijn opgekomen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

5.3

Op grond van artikel 71, eerste lid, van Verordening 1122/2009 dient verweerder in het geval van een niet-naleving van een randvoorwaarde een korting vast te stellen van in beginsel 3%. Het betaalorgaan kan op basis van het evaluatiegedeelte van het controleverslag, als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van Verordening 1122/2009, besluiten om - voor zover van belang - deze verlaging te matigen tot 1% of te verhogen tot 5%. Uit het evaluatiegedeelte blijkt dat de controleur de standaardnorm voor de korting van toepassing acht en dat er geen omstandigheden zijn die moeten leiden tot een andere uitkomst. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder in afwijking van de reguliere korting van 3% had moeten volstaan met een korting van 1%. Gezien het met artikel 8a, eerste lid, van het Besluit beoogde doel, zoals hiervoor weergegeven in 5.2 en in aanmerking genomen de totale oppervlakte van 3,77 ha van de niet tijdig met vanggewas ingezaaide percelen van appellante, kan naar het oordeel van het College niet worden volgehouden dat de niet-naleving wat ernst en omvang betreft oplegging van de reguliere korting van 3% niet rechtvaardigt (vergelijk de uitspraak van het College van 1 mei 2015, ECLI:NL:CBB:2015:224).

5.4

Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. H.N. van Gijn en mr. E.J.M. Heijs, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret