Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:224

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-07-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
15/249
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Periodieke preventieve toetsing. NVAK-ass. Schending van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag, omdat accountantspraktijk van appellant niet beschikt over een intern stelsel van kwaliteitsbeheersing dat voldoet aan de daaraan te stellen normen en appellant niet aan zijn PE-verplichting heeft voldaan. Maatregel van doorhaling met een periode van een jaar waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/249

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juli 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] AA, te [plaats 1] , appellant


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 13 maart 2015, gegeven op een klacht, op 9 september 2014 door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) ingediend tegen appellant (gemachtigden van de NBA: mr. M.L. Batting en mr. J.A. Nijland).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 13 maart 2015, met nummer 14/2320 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:38).

De NBA heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2016. Appellant is verschenen. De NBA heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Nijland, vergezeld van [naam 2] AA.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is sinds 13 mei 1995 ingeschreven in het accountantsregister van de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten, thans het register van de NBA, en als openbaar accountant-administratieconsulent in dienst van [naam 3] B.V. te [plaats 2] .

1.3

Op 9 november 2010 is de praktijk van appellant in het kader van de Verordening op de periodieke preventieve toetsing (VPPT) voor het eerst getoetst. Naar aanleiding van de bevindingen van de toetsers heeft de Raad van Toezicht Beroepsuitoefening AA’s, thans de Raad voor Toezicht (de Raad), bij brief van 4 mei 2011 aan appellant zijn eindoordeel gegeven, inhoudende dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de praktijk van appellant niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

1.4

Bij brief van 31 mei 2013 heeft appellant een (aangepast) verbeterplan ingediend dat de Raad onder voorwaarden heeft goedgekeurd.

1.5

Op 18 oktober 2013 heeft een hertoetsing van de praktijk van appellant plaatsgevonden op basis van de Verordening op de Kwaliteitstoetsing NOvAA, die per 1 juli 2012 de VPPT heeft vervangen. Het bij brief van 19 februari 2014 aan appellant toegezonden eindoordeel van de Raad houdt in dat het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat bij de hertoetsing op 18 oktober 2013 is geconstateerd dat appellant heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid en met het fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4 en nader uitgewerkt in de hoofdstukken A-130 en A-150 van de destijds vigerende Verordening gedragscode AA’s (VGC), omdat:

a. de accountantspraktijk van appellant niet beschikte over een intern stelsel van kwaliteitsbeheersing dat voldoet aan de daarvoor gestelde normen, en

b. hij niet aan zijn PE-verplichting heeft voldaan.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard, ter zake aan appellant de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register als bedoeld in artikel 2, onder e., van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) opgelegd en de termijn waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven op een jaar bepaald.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Appellant komt in hoger beroep op tegen de gegrondverklaring van beide, hiervoor onder 2.1, onder a. en b., weergegeven klachtonderdelen. Daartoe heeft hij een reactie gegeven op de bestreden uitspraak en op de door de NBA tijdens de zitting van de accountantskamer voorgedragen pleitnota. De NBA heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De stellingen van partijen zullen – voor zover relevant – hierna, bij de beoordeling van de respectieve klachtonderdelen nader aan de orde komen.

4.1

Ten aanzien van de gegrondverklaring van klachtonderdeel a. overweegt het College het volgende. Voorop staat dat de accountantskamer heeft geoordeeld dat de NBA ten onrechte de door de toetsers beoordeelde opdracht BC-02 heeft aangemerkt als controleopdracht. Dit oordeel, dat in hoger beroep niet ter discussie staat, laat evenwel onverlet dat de accountantskamer heeft vastgesteld dat appellant niet heeft gezorgd voor een voldoende stelsel van kwaliteitsbeheersing en dat hem in dat verband een tuchtrechtelijk verwijt treft. Aan dat oordeel heeft de accountantskamer het volgende ten grondslag gelegd:

  1. appellant heeft in zijn praktijk geen beleid of uitgangspunten vastgelegd met betrekking tot de naleving van de fundamentele beginselen in de VGC;

  2. de toetsers hebben tekortkomingen geconstateerd in de aanvaarding en continuering van opdrachten;

  3. de toetsers hebben tekortkomingen geconstateerd in de planning van de werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht in het toetsingsdossier BC-01;

  4. de toetsers hebben tekortkomingen geconstateerd in de uitvoering, documentatie en evaluatie van de werkzaamheden;

  5. de toetsers hebben geconstateerd dat de geheimhouding van de externe automatiseerder niet adequaat is geregeld;

  6. de toetsers hebben vastgesteld dat appellant niet beschikt over een adequate waarnemingsprocedure.

4.2

Appellant stelt dat hij weliswaar niet over een handboek beschikt waarin beleid of uitgangspunten zijn vastgelegd met betrekking tot de naleving van de fundamentele beginselen in de VGC, maar benadrukt dat de fundamentele beginselen wel worden nageleefd en per opdracht worden vastgelegd. Deze stelling kan appellant niet baten. Uit de Nadere voorschriften accountantskantoren ter zake van assurance-opdrachten (AA’s) (NVAK-ass) volgt dat het accountantskantoor van appellant moet beschikken over kwaliteitsbeleid en een stelsel van kwaliteitsbeheersing (artikel 4). Daarin moet onder andere aandacht worden besteed aan gedragsregels, de verantwoordelijkheid voor het kwaliteitsbeleid, de aanvaarding en continuering van opdrachten, de uitvoering en documentatie van werkzaamheden en de naleving van specifieke regels voor assurance-opdrachten. Daarmee vormt het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing de basis voor een deugdelijke uitvoering van (assurance-)opdrachten. Appellant erkent dat zijn praktijk niet beschikt over (vastgelegd) beleid of uitgangspunten met betrekking tot de naleving van de fundamentele beginselen en de toetsers hebben het bestaan van dergelijk beleid ook niet kunnen afleiden uit de wijze waarop appellant zijn werkzaamheden heeft verricht, zoals blijkt uit de bekeken dossiers. Het enkel vastleggen van gedragsregels en fundamentele beginselen in individuele dossiers is daartoe in ieder geval onvoldoende. Appellant dient op kantoorniveau een kwaliteitsbeleid te hanteren ten behoeve van de naleving van de gedragsregels en de fundamentele beginselen, en meer in het algemeen het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing. Hiervoor is appellant, als enig openbaar accountant verbonden aan [naam 3] B.V., ingevolge artikel B1-291.2, tweede lid, van de VGC verantwoordelijk.

4.3

Appellant merkt op dat de getoetste opdrachten eenmalige opdrachten betreffen die niet worden gecontinueerd. Zoals het College reeds eerder heeft overwogen (zie rechtsoverweging 5 van de uitspraak van 15 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:475), ontslaat het uitvoeren van eenmalige opdrachten appellant niet van zijn verplichting aan de algemeen aanvaarde normen voor de beroepsuitoefening te voldoen. De stelling van appellant dat een opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling doorgaans niet nodig is, kan evenmin slagen nu de klacht juist erin is gelegen dat appellant geen beleid heeft waarin toetsingscriteria zijn neergelegd om te bepalen of een kwaliteitsbeoordeling al dan niet nodig is. Op grond van artikel 18 NVAK-ass is dergelijk beleid wel vereist.

4.4

Appellant stelt verder dat hij, anders dan de accountantskamer heeft overwogen, wel gebruik maakt van werkprogramma’s en dat hij wel vastleggingen verricht, maar dat de stukken en dossiers waaruit dat blijkt niet door de NBA bij hem zijn opgevraagd. Het College overweegt dienaangaande dat de toetsers hebben vastgesteld dat appellant voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden geen enkel werkprogramma of standaard gebruikt en dat hij op bijna alle onderdelen onvoldoende vastleggingen verricht. Het had op de weg van appellant gelegen om, indien hij het met de vaststelling van de toetsers oneens was, de toetsers erop te wijzen waar de vastleggingen in de dossiers zich bevonden. Dit heeft appellant niet gedaan. Evenmin heeft hij – in het vervolg van de procedure – concreet toegelicht dat en hoe hij de gestelde vastleggingen heeft verricht. Het College ziet daarom geen aanleiding het oordeel van de accountantskamer onjuist te achten.

4.5

In reactie op het verwijt dat appellant de geheimhouding van de externe automatiseerder niet adequaat heeft geregeld en aldus in strijd heeft gehandeld met zijn verplichting om te waarborgen dat de voor hem geldende geheimhoudingsplicht tevens in acht wordt genomen door personen waaraan hij advies of ondersteuning vraagt, merkt appellant op dat hij als werknemer, niet zijnde beleidsbepaler, niet over de bevoegdheid beschikt overeenkomsten met derden aan te gaan over vermogensbestanddelen die geen eigendom van hem zijn. Doorgaans schakelt appellant geen deskundigen in gezien de aard van de opdrachten. Het College oordeelt daarover als volgt. Appellant is als AA verantwoordelijk voor de naleving van de regelgeving ten aanzien van de inschakeling van deskundigen, waaronder de vereisten omtrent de geheimhouding op grond van artikel A-140.5 van de VGC. Aan die verantwoordelijkheid van appellant kan niet afdoen de omstandigheid dat appellant (formeel) niet over de bevoegdheid beschikt een (geheimhoudings)overeenkomst met de externe automatiseerder aan te gaan. Het College wijst in dit verband tevens op het bepaalde in artikel B1-291.2, tweede lid, van de VGC, waaruit een verplichting voor appellant voortvloeit ervoor zorg te dragen dat [naam 3] B.V. een beleid voert dat niet strijdig is met de VGC en voldoet aan de nadere voorschriften.

4.6

Tot slot stelt appellant in het kader van dit klachtonderdeel het punt van de waarneming aan de orde. Ter zitting van het College heeft appellant in dat verband verklaard dat hij in maart 2015 een mondelinge waarnemingsovereenkomst heeft gesloten met een andere accountant. Naar het oordeel van het College heeft appellant met die enkele stelling niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de waarneming van zijn praktijk thans wel adequaat heeft geregeld.

4.7

Gelet op het voorgaande bieden de stellingen van appellant geen aanknopingspunten om de gegrondverklaring van klachtonderdeel a. door de accountantskamer onjuist te achten.

5.1

Klachtonderdeel b. heeft de accountantskamer volgens appellant ten onrechte gegrond verklaard, omdat de NBA de documentatie van de gevolgde cursussen niet heeft opgevraagd en (daardoor) 33 PE-uren niet heeft meegeteld die appellant in de periode 2010-2012 heeft gevolgd. Die uren staan wel vermeld op het overzicht dat appellant bij zijn reactie op het klaagschrift van 30 september 2014 heeft gevoegd. De deskundigheid van appellant is op peil, zo blijkt uit de PE-registratie van appellant over de periode 2013-2015.

5.2

Het College volgt de NBA in haar stelling dat op basis van het door appellant overgelegde overzicht niet kan worden vastgesteld of de 33 door appellant genoemde PE-punten reeds onderdeel uitmaken van de door de toetsers vastgestelde 102 PE-punten. Daardoor heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, in tegenstelling tot de vaststelling door de toetsers, in de periode 2010-2012 wel aan zijn PE-verplichting heeft voldaan. Appellant heeft wel opgave gedaan van concrete dagen en uren waarop hij stelt relevante opleidingen te hebben gevolgd, maar hij heeft onvoldoende concreet uitgelegd om wat voor opleidingen het hierbij gaat en dat en waarom hij ingevolge deze opleidingen in aanmerking komt voor de toekenning van PE-punten.

6. Ten aanzien van de zwaarte van de opgelegde maatregel overweegt het College tot slot het volgende. De vastgestelde verzuimen zijn ernstig, zij betreffen onderwerpen die cruciaal zijn om te waarborgen dat de uitvoering van opdrachten in overeenstemming met de daartoe geldende regels geschiedt. Appellant heeft ter zitting benadrukt dat hij wel degelijk het belang ziet van een afdoende stelsel van kwaliteitsbeheersing en dat hij – na de eerste toetsing – heeft getracht de situatie te verbeteren, maar dat hem door de feitelijk beleidsbepaler van [naam 3] B.V. daartoe geen ruimte is geboden. Thans, zo is eveneens ter zitting gebleken, verricht appellant als gevolg van een arbeidsconflict met deze feitelijk beleidsbepaler, geen werkzaamheden en heeft hij zijn status in het register van de NBA gewijzigd in ‘lid zonder arbeidsinkomen’. Ook [naam 3] B.V. is inmiddels niet meer als accountantskantoor ingeschreven bij de NBA. Het College overweegt dat het voorgaande niet ertoe leidt dat appellant in het geheel geen verwijt treft, nu appellant als AA een eigen verantwoordelijkheid en zorgplicht heeft met betrekking tot een juiste uitvoering van zijn werkzaamheden. Het College neemt die omstandigheid echter wel in aanmerking bij de bepaling van de hoogte van de maatregel en oordeelt dienaangaande dat de door de accountantskamer opgelegde maatregel van doorhaling van de inschrijving van appellant in het register met bepaling van een termijn van een jaar waarbinnen appellant niet opnieuw in het register kan worden ingeschreven, in dit geval – gelet op alle omstandigheden – passend en geboden is.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

8. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. L.S. Frakes en mr. P.M. van der Zanden, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2016.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

w.g. J.J. de Jong