Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:197

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
16/657
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Wet Bibob. Schrapping van registratie van intermediaire onderneming op grond van artikel 38a van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wegens ernstig gevaar dat de registratie mede als worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet 38a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/242 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
BA 2016/203
AB 2016/390

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/657

16000

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 augustus 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de registratie van verzoekster als intermediaire onderneming op grond van artikel 38a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), met onmiddellijke ingang geschrapt wegens ernstig gevaar dat de registratie mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten dat het primaire besluit voorlopig is geschorst totdat na behandeling ter zitting (definitief) uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2016. Namens verzoekster zijn verschenen mr. W.P.N. Remie, [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 4] .

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft een registratie als intermediaire onderneming als bedoeld in artikel 38 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Naar aanleiding van een door ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerd onderzoek, heeft verweerder op 5 november 2014 aan verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt om aan verzoekster een aantal bestuurlijke boetes op te leggen wegens verschillende overtredingen van de Meststoffenwet in 2012 en 2013, waaronder het niet voldoen aan haar verantwoordingsplicht door manipulatie van mestmonsters.

Op 3 januari 2015 heeft verweerder verzoekster op de hoogte gebracht van het feit dat hij een nader onderzoek naar de integriteit van verzoekster bij het Landelijk Bureau Bibob (het Bureau) heeft gelast om hem van een advies te voorzien inzake de integriteit van verzoekster en de door haar gedreven onderneming.

Bij brief van 5 februari 2015 heeft verweerder de adviesaanvraag nader toegelicht en daarin de aanleiding voor de adviesaanvraag als volgt omschreven:

“De afgelopen jaren is gebleken dat (delen) van de intermediaire sector blijvend een risicogroep vormt. Aangezien de afzetkosten van dierlijke meststoffen hoog zijn, ontstaat er druk dierlijke meststoffen op illegale wijze af te zetten of de bemonstering van meststoffen oneigenlijk te beïnvloeden. Gebleken is dat sommige intermediaire ondernemingen de voorschriften inzake dierlijke meststoffen niet naleven. Intermediairs die de voorschriften inzake dierlijke meststoffen wel naleven, ondervinden daarvan zowel in de beeldvorming als in financiële zin nadelige gevolgen. Gezien de gedragingen in onderhavige NVWA rapporten is er gerede twijfel ontstaan aan de integriteit van deze intermediaire onderneming.”

Verweerder heeft het Bureau bij de toelichting op de adviesaanvraag de volgende vraag gesteld:

“In deze casus wordt de registratie inzake artikel 38 van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet, de ondernemer in staat gesteld dierlijke meststoffen te transporteren volgens voorschrift. De voorschriften zijn nader bepaald in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Nu monstermanipulatie, gedragingen uit het verleden, duiden op het in strijd handelen met voornoemd voorschrift, vragen we in deze casus de b grond te onderzoeken. Hoe wordt de mate van gevaar ingeschat dat de ondernemer misbruik maakt van zijn registratie als intermediaire onderneming in de zin van art. 38 Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet?”

Bij twee afzonderlijke besluiten van 20 mei 2015 heeft verweerder aan verzoekster de reeds bij het voornemen van 5 november 2014 kenbaar gemaakte boetes opgelegd ter hoogte van in totaal € 838.300,-. Tegen deze besluiten heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Het Bureau heeft op 13 november 2015 zijn advies uitgebracht. Daarin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij voor ‘ [naam 5] ’ verzoekster moet worden gelezen):

“Aantal strafbare feiten:

[naam 5]

In totaal is sprake van:

 twee veroordelingen voor in totaal twee strafbare feiten, gepleegd op 9 september 2010 en 9 november 2010;

 tien bestuurlijke boete beschikkingen voor in totaal dertien strafbare feiten gepleegd in de periode 2008 tot en met 1 juli 2014;

 twee strafbeschikkingen voor in totaal twee strafbare feiten gepleegd op 8 juli 2011 en 24 april 2013; en

 vermoedens van betrokkenheid van [naam 5] bij het veelvuldig overtreden van de meststoffenwetgeving in 2012 en 2013.

(…)

Mate van gevaar

Het Bureau is van oordeel dat sprake is van een ernstig gevaar dat de registratie mede wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het Bureau baseert dit oordeel met name op het feit dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat [naam 5] zich op verschillende tijdstippen gedurende een lange periode, te weten vanaf 2008 tot en met 1 juli 2014 schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van de meststoffenwetgeving. Daarnaast baseert het Bureau zijn oordeel op het feit dat [naam 5] tweemaal onherroepelijk is veroordeeld wegens handelen in strijd met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren op twee data in 2010. Bovendien zijn uit het onderzoek van het Bureau meerdere aanwijzingen naar voren gekomen waaruit blijkt dat sprake is van een ernstig vermoeden dat [naam 5] de WWG heeft overtreden op 8 juli 2011 en 24 april 2013.

(…)

6. Conclusie

Het Bureau is van oordeel dat er ernstig gevaar bestaat dat de registratie mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de Wet Bibob).

(…).”

Bij brief van 31 maart 2016 heeft verweerder aan verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt de registratie van verzoekster als intermediaire onderneming te schrappen op grond van artikel 38a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in samenhang met artikel 3 van de Wet Bibob.

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft verweerder de bezwaren van verzoekster gericht tegen de boetebesluiten van 20 mei 2015, ongegrond verklaard.


Bij het primaire besluit heeft verweerder de registratie van de intermediaire onderneming van verzoekster met onmiddellijke ingang geschrapt wegens ernstig gevaar dat de registratie mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

3. Verzoekster voert - verkort en zakelijk weergegeven - aan dat het primaire besluit steunt op een gebrekkige motivering. Het advies van het Bureau dat aan het primaire besluit ten grondslag ligt kent belangrijke gebreken, nu daarin wordt gerept over onherroepelijke beslissingen, terwijl tegen die beslissingen bezwaren zijn ingediend en zelfs bezwaren gegrond zijn verklaard. Verzoekster voert verder aan dat het primaire besluit onevenredig bezwarend is. Een aantal van de boetes staat nog niet in rechte vast en wordt betwist, terwijl het primaire besluit de facto tot gevolg heeft dat de onderneming wordt geliquideerd. Verweerder betoogt - eveneens verkort en zakelijk weergegeven - dat intermediaire ondernemingen zoals verzoekster een cruciale rol spelen binnen de meststoffenmarkt. Op grond van het onderzoek van de NVWA is voor verweerder voldoende aannemelijk dat verzoekster, door mestmonsters te manipuleren, niet aan haar verantwoordingsplicht heeft voldaan, hetgeen een ernstige overtreding van de meststoffenwetgeving inhoudt. De schrapping van de registratie van verzoekster is gelet daarop en in aanmerking genomen het advies van het Bureau proportioneel.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich ter motivering van het primaire besluit beroept op het advies van het Bureau. Het Bureau hecht in zijn advies, gelet op het grote aantal pagina’s dat daaraan is gewijd, met name veel waarde aan de (vermeende) overtredingen van de meststoffenwetgeving waarvoor verweerder aan verzoekster bij besluiten van 20 mei 2015 boetes van in totaal € 838.800,- heeft opgelegd. Het Bureau maakt daarnaast melding van nog een aantal vastgestelde overtredingen van onder meer de meststoffenwetgeving, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en Wet wegvervoer goederen, maar die overtredingen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter van betrekkelijk geringe ernst gelet op onder meer de wijze waarop die overtredingen zijn afgedaan, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de hoogte van de in dat kader aan verzoekster opgelegde boetes. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat de aanleiding van het primaire besluit in hoofdzaak betreft de vermeende overtredingen die zijn beboet bij besluiten van 20 mei 2015.

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat de genoemde boetebesluiten van 20 mei 2015 en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex thans nog niet door een rechter zijn beoordeeld. Zij staan evenmin als zodanig in deze procedure ter beoordeling. Gelet daarop en in aanmerking genomen het zeer ingrijpende karakter van de schrapping van de registratie met onmiddellijke ingang, die voor verzoekster in redelijke termen bezien tot onomkeerbare gevolgen zal leiden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in werking treden van het primaire besluit op dit moment onvoldoende gerechtvaardigd is. Daarbij neemt de voorzieningenrechter tevens in ogenschouw dat tijdens de voorprocedure, vanaf het moment dat het Bureau zijn advies heeft uitgebracht in november 2015 tot aan het primaire besluit van 19 juli 2016, verweerder het belang bij een zorgvuldige beoordeling blijkbaar heeft laten prevaleren boven een snelle effectuering van de schrapping, getuige ook het feit dat verweerder - zo heeft hij ter zitting nader verklaard - met het nemen van het primaire besluit heeft gewacht tot hij op 14 juli 2016 op de bezwaren tegen de boetebesluiten van 20 mei 2015 had beslist.

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit van 19 juli 2016 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het primaire besluit tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2016.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. J.J. de Jong

Afschrift verzonden aan partijen op: