Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:174

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
15/166 en 15/426
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

verzet - herzieningsverzoek - schadevergoedingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 15/166 en 15/426

27307

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2016 op het verzet van

Stichting Garantie- en Waarborgfonds Nederland, te Lochem, appellante in verzet

(gemachtigde: ing. R.C.J. Gubler).

Procesverloop

Appellante in verzet heeft het College verzocht om van zijn uitspraak van 1 september 2005, met kenmerk AWB 05/96 en 05/97 (niet gepubliceerd), terug te komen (het herzieningsverzoek) en een verzoek ingediend tot veroordeling van De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) tot vergoeding van schade die appellante in verzet stelt geleden te hebben als gevolg van – onder meer – een door de rechtsvoorgangster van DNB genomen onrechtmatig besluit van 2 april 2004 (het schadevergoedingsverzoek).

Bij uitspraak van 11 december 2015 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en zich onbevoegd verklaard om van het schadevergoedingsverzoek kennis te nemen.

Appellante in verzet heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan en zij heeft verzocht om te worden gehoord. Het horen ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016. Appellante in verzet heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. A.J. Boorsma.

Overwegingen

Ten aanzien van het herzieningsverzoek

1. Het College heeft aan de niet-ontvankelijkverklaring van het herzieningsverzoek, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Appellante in verzet heeft het herzieningsverzoek niet ingediend binnen een jaar nadat zij bekend is geworden met de feiten en omstandigheden die zij aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd. Daaraan doet niet af het feit dat de directeur/bestuurder van appellante in verzet gedurende geruime tijd niet over de bevoegdheid beschikte om te beslissen over indiening van een verzoek om herziening. Appellante in verzet heeft aldus het verzoek onredelijk laat ingediend.

2. Appellante in verzet voert aan dat, hoewel het tijdsverloop aanzienlijk is, het College eraan voorbij is gegaan dat al haar pogingen in het verleden om de onrechtmatigheid in de besluitvorming aan te tonen zijn geobstrueerd en dat zij eerst begin 2015, zonder beïnvloeding van een bewindvoerder dan wel DNB en/of tegenwerking van de rechter-commissaris en de rechtbank Zutphen, bevoegdelijk een herzieningsverzoek kon indienen.

3. Het College stelt vast dat appellante in verzet zich kennelijk vereenzelvigt met haar directeur/bestuurder ing. R.C.J. Gubler (Gubler) en zich beroept op de tegenwerking die laatstgenoemde zou hebben ondervonden in zijn pogingen de uitspraak van 1 september 2005 te laten herzien. Het College kan appellante in verzet hierin niet volgen, omdat nu eenmaal vaststaat dat Gubler ten tijde van belang niet bevoegd was om namens appellante beslissingen te nemen omtrent het indienen van een herzieningsverzoek. Daarbij wijst het College op zijn uitspraken van 4 december 2006, AWB 06/582 (niet gepubliceerd), en 12 februari 2007, AWB 07/3 (niet gepubliceerd; het verzet tegen die uitspraak heeft het College bij uitspraak van 1 mei 2007 niet-ontvankelijk verklaard), waarbij de eerdere herzieningsverzoeken met betrekking tot de uitspraak van het College van 1 september 2005 niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat deze verzoeken onbevoegdelijk waren gedaan.

Dat Gubler sinds begin 2015 als directeur/bestuurder weer bevoegd is tot het indienen van een herzieningsverzoek is naar het oordeel van het College ten aanzien van appellante in verzet geen zeer bijzondere omstandigheid die kan leiden tot het oordeel dat zij het herzieningsverzoek niet onredelijk laat heeft ingediend.

Ten aanzien van het schadevergoedingsverzoek

4. Het College heeft zich onbevoegd verklaard om van het schadevergoedingsverzoek kennis te nemen op de grond dat appellante in verzet in dit geval niet in het kader van een (hoger) beroep verzoekt om schadevergoeding. Alsdan is slechts de burgerlijke rechter bevoegd kennis te nemen van het schadevergoedingsverzoek, aldus het College.

5. Appellante in verzet voert aan bij de rechtbank Rotterdam een verzoek tot schadevergoeding te hebben ingediend en dat de rechtbank in haar uitspraak van 28 december 2004 (ECLI: NL:RBROT:2004:AR8855) daarover heeft geoordeeld. Het betreft haar – door het College bij genoemde uitspraak van 1 september 2005 bevestigde – oordeel dat de publicatie van de overtreding van artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 onrechtmatig is. Appellante in verzet stelt in het onderhavige schadevergoedingsverzoek dat oordeel van de rechtbank te hebben verduidelijkt en wel zodanig dat thans duidelijk is dat DNB kan overgaan tot vergoeding van de gevorderde schade. Voorts stelt appellante in verzet dat het schadevergoedingsverzoek ook behelst de schade als gevolg van de procedure waarop het herzieningsverzoek betrekking heeft.

6. Het College stelt voorop dat genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2004 en het herzieningsverzoek beide de besluiten van (de rechtsvoorgangster van) DNB van 2 april 2004 en 20 september 2004 tot voorwerp hebben. Het College heeft in zijn uitspraak van 11 december 2015 terecht vastgesteld dat het onderhavige schadevergoedingsverzoek strekt tot schade die appellante in verzet stelt te hebben geleden als gevolg van die besluiten. Het College heeft voorts geoordeeld dat op grond van overgangsrecht artikel 8:73 van de Awb hier van toepassing is en op de voet daarvan bepalend geacht of het onderhavige schadevergoedingsverzoek al dan niet in het kader van een (hoger) beroep is ingediend. Deze oordelen zijn in verzet niet bestreden. Naar het oordeel van het College gaat het er aldus om of het onderhavige schadevergoedingsverzoek in het kader van een nog lopende (hoger)beroepsprocedure is ingediend, hetgeen niet het geval is. Het in het verzoek door appellante in verzet gestelde verduidelijking ziet op een reeds afgesloten (hoger)beroepsprocedure.

7. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

8. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 11 december 2015 in stand blijft.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. S.D.M. Michael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2016.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. S.D.M. Michael