Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:148

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-05-2016
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
14/806
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht, persoonsgericht onderzoek, appellant heeft een aanname onvoldoende geverifieerd, de bevindingen en conclusies ontberen een deugdelijke grondslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 14/806

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2016 op het hoger beroep van:

[naam 1] RA, te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. J.W. van Rijswijk),

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 30 oktober 2014, gegeven op een klacht, op 23 april 2014 door [naam 2] ( [naam 2] ) ingediend tegen appellant.

(gemachtigde van [naam 2] : mr. R.E. Gerritsen)

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 30 oktober 2014, met nummer 14/974 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2014:106).

[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2015.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de zijde van appellant is tevens verschenen [naam 10] . [naam 2] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. H.A. Boshardt.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is sinds 5 november 1986 ingeschreven in het accountantsregister en is als openbaar accountant verbonden aan [naam 11] N.V. ( [naam 11] ) te Amsterdam.

1.3

[naam 2] was door middel van zijn vennootschap [naam 3] van 8 januari 2013 tot 29 april 2013 statutair directer van Linx Telecom B.V. (Linx).

1.4

Medio februari 2013 heeft de Raad van Commissarissen (RvC) van Linx aan [naam 11] verzocht onderzoek te doen naar een aantal beschuldigingen en mogelijke onregelmatigheden met betrekking tot onder andere de voormalige CEO van Linx, [naam 7] . Tijdens de uitvoering van het onderzoek is bij de RvC behoefte ontstaan aan een tweede onderzoek met betrekking tot een drietal onderwerpen, waarvan een op de persoon van [naam 2] zag. [naam 2] heeft ook zelf aangedrongen op dit onderzoek naar aanleiding van een aantal door [naam 4] (aandeelhouder en RvC-lid van Linx) ( [naam 4] ) geuite bedenkingen ten aanzien van zijn persoon. Deze bedenkingen zijn neergelegd in het memo van [naam 4] van 8 februari 2013. [naam 4] heeft in dit memo bedenkingen geuit over de juistheid van de door [naam 2] in zijn curriculum vitae opgenomen gegevens en het salaris dat [naam 2] zou zijn aangeboden door Schneider Electric SA (Schneider). [naam 4] verdacht [naam 2] er daarnaast van ‘kickbacks’ te hebben ontvangen van een zakenpartner van Linx.

1.5

De opdracht tot het doen van aanvullend onderzoek heeft geleid tot de opdrachtbevestiging van 28 maart 2013. In het kader van het onderzoek is er frequent contact geweest tussen het onderzoeksteam van [naam 11] en [naam 2] .

1.6

Tijdens de aandeelhoudersvergadering (AvA) van Linx op 29 april 2013 is volgens de notulen besloten dat [naam 8] (neef van [naam 4] ) tot CEO wordt benoemd. [naam 2] is per 29 april 2013 als statutair directeur van Linx uitgeschreven in het Handelsregister en [naam 8] is daarin per 1 mei 2013 als statutair directeur van Linx ingeschreven.

1.7

Op 27 mei 2013 zijn de conceptbevindingen voor zover die op de persoon van [naam 2] betrekking hebben, per e-mail aan [naam 2] in wederhoor voorgelegd. In de e-mail van 30 mei 2013 heeft [naam 2] op deze bevindingen gereageerd. Op 31 mei 2013 heeft appellant zijn definitieve rapport met als titel: “Investigation into credentials of CEO and various contracts in Russia” (het rapport) uitgebracht.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht heeft betrekking op het handelen van appellant bij de vervaardiging van het rapport van 31 mei 2013. De acht onderdelen van de klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden houden in:

1. Appellant heeft nagelaten in het rapport te vermelden – onder meer – welke regelgeving op hem van toepassing is.

2. [naam 2] is niet bekend met het feit dat appellant (ook) onderzoek verrichtte naar de totstandkoming, de inhoud en het gebruik van de door [naam 2] gesloten overeenkomst met Schneider Electric SA.

3. Appellant heeft vergaande en evident onjuiste conclusies getrokken over het contract met Schneider op basis van één contact dat niet nader is geduid en gespecificeerd.

4. Onduidelijk is waarom appellant een persoon opvoert, die geen rol heeft gespeeld bij de onderhandelingen over de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met Schneider Electric SA; appellant heeft in alinea 102 van het rapport nagelaten te vermelden wie hem heeft geïnformeerd.

5. De door appellant gedane constatering dat de overeenkomst tussen [naam 2] en Schneider “must therefore be assumed to be falsified” ontbeert een deugdelijke grondslag.

6. Appellant heeft de conclusies in het rapport verschillend geformuleerd.

7. Appellant heeft met betrekking tot twee in het rapport behandelde onderwerpen inzake de Consultancy Agreement geen wederhoor ten aanzien van [naam 2] toegepast, maar de bevindingen wel gedeeld met de opdrachtgever.

8. [naam 11] -medewerkers hebben onder verantwoordelijkheid van appellant persoonlijke zaken van [naam 2] meegenomen, zonder dat daarvoor toestemming was verleend.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen 3 en 6 gegrond verklaard zoals omschreven in de uitspraak en de klacht voor het overige, voor zover daaraan zelfstandige betekenis was toe te kennen, ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft de oplegging van de maatregel van berisping passend en geboden geacht, rekening houdend met de aard en de ernst van het verzuim en meewegende of de betrokken accountant al eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. De accountantskamer heeft daarbij overwogen dat appellant te lichtvaardig is overgegaan tot het trekken van conclusies, waarin [naam 2] ook wordt beticht van het gebruik maken van vervalste documenten, zulks met alle mogelijke (ernstige) gevolgen voor [naam 2] van dien. Daarbij heeft de accountantskamer tevens in aanmerking genomen de omstandigheid dat appellant ter zitting onvoldoende blijk heeft gegeven de ernst van het verzuim in te zien.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Het College stelt voorop dat het onderzoek waarover door appellant op 31 mei 2013 is gerapporteerd, voor het zover het ziet op [naam 2] en voor zover relevant, gaat over de kwalificaties van [naam 2] en de wijze waarop [naam 2] zich heeft gepresenteerd aan Linx. De werkzaamheden hebben een verifiërend karakter, zodat het onderzoek, voor zover het [naam 2] betreft, moet worden aangemerkt als een persoonsgericht onderzoek in de zin van de Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken van 6 oktober 2010 (de Praktijkhandreiking). Het College wijst erop dat het niet of niet correct toepassen van een bepaling uit de Praktijkhandreiking slechts een tuchtrechtelijk verwijt kan opleveren indien en voor zover daarmee schending van het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep bepaalde aan de orde is, waarbij in het bijzonder het bepaalde in de Verordening Gedragscode (RA’s) (VGC) van belang is.

3.2

Het College overweegt dat ten aanzien van een persoonsgericht onderzoek van de uitvoerend accountant mag worden verwacht dat hij de fundamentele beginselen, als bedoeld in artikel A-100.4 van de VGC, in acht neemt en dat hij zo nodig het conceptueel raamwerk, als bedoeld in A-100.5 van de VGC, toepast en daarbij tevens in aanmerking neemt in hoeverre de resultaten van het onderzoek gebruikt kunnen worden door de opdrachtgever. Het College constateert dat appellant zijn opdrachtgever Linx toestemming heeft gegeven om het rapport te gebruiken in eventuele civiele procedures of ten behoeve van het doen van aangifte. Gelet op deze toestemming en gelet op de omstandigheden waaronder appellant was gevraagd een persoonsgericht onderzoek uit te voeren – welke hieronder in 4.6 en 4.7 nader worden beschreven – mocht van appellant bijzondere zorgvuldigheid verwacht worden in de uitvoering van de werkzaamheden en bij de totstandkoming van de rapportage.

4.1

Appellant heeft grieven gericht tegen de gegrondverklaring door de accountantskamer van klachtonderdeel 3. De accountantskamer heeft aan die gegrondverklaring ten grondslag gelegd dat de vergaande conclusie in alinea 103 van het rapport, luidende:

“The information provided to the members of the Supervisory Board of Linxtelecom when negotiating Mr [naam 2] ’ contract with Linxtelecom was therefore not correct. The document provided by Mr [naam 2] to the Supervisory Board and later to [naam 11] must therefore be assumed to be falsified.”

niet slechts gebaseerd mocht worden op de gegevens die waren verkregen uit het contact met Schneider – tussen 17 en 23 mei 2013 – in de persoon van de heer [naam 9] ( [naam 9] ), een HR-medewerker bij Schneider. De accountantskamer heeft daaraan toegevoegd dat appellant alvorens tot een dergelijke conclusie te komen minst genomen ook de in de conclusie van appellant bedoelde leden van de RvC had moeten horen, al was het maar om van hen te vernemen of en, zo ja, welke versie van het contract met Schneider hun door [naam 2] was getoond dan wel overgelegd. Naar het oordeel van de accountantskamer maakt het nalaten om bedoelde leden van de RvC ter zake te horen dat de conclusie in het rapport van appellant een deugdelijke grondslag ontbeert en dat het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4 onder c van de VGC is geschonden.

4.2

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zijn conclusie dat [naam 2] onjuiste informatie en een document waarvan volgens hem moet worden aangenomen dat het is vervalst aan de RvC heeft verstrekt een deugdelijke grondslag heeft. Appellant heeft daartoe samengevat gesteld dat het contract met Schneider welke hij voor het onderzoek heeft gebruikt – waarin een salaris van € 302.000,- per jaar was opgenomen – hetzelfde contract is dat [naam 2] zelf, namens de RvC, aan zijn team ter beschikking heeft gesteld op 17 april 2013. Appellant vermag daarom niet in te zien wat hij nog had moeten afstemmen met de leden van de RvC. Dit zou wellicht anders zijn als er meerdere versies van het contract in omloop waren, maar daarvan is volgens appellant tijdens het onderzoek niet gebleken. De conceptbevindingen, met als een van de bijlagen het betreffende contract, zijn aan [naam 2] voorgelegd in wederhoor. [naam 2] heeft in zijn reactie slechts enkele opmerkingen gemaakt en niet gesteld dat het in kopie bijgesloten contract niet het juiste contract zou zijn. Volgens appellant kan er geen enkel misverstand over bestaan dat de informatie over het contract met Schneider die door [naam 2] aan de RvC is verstrekt en later (op 17 april 2013) aan het onderzoeksteam is verstrekt, dezelfde informatie is als waarover appellant heeft gerapporteerd, welke informatie aan [naam 2] in wederhoor is voorgelegd en als bijlage bij het uiteindelijke rapport is opgenomen. De juistheid van het voorgaande wordt volgens appellant ondersteund door het memo “ [naam 2] today” dat [naam 2] op 28 december 2012 aan de RvC heeft gepresenteerd en waarin een salaris was op genomen van € 309.000,- per jaar.

4.3

[naam 2] heeft in reactie op het beroepschrift toegelicht dat in het voortraject van zijn overeenkomst met Schneider meerdere conceptcontracten de revue zijn gepasseerd. Dit is ter zitting bij de accountantskamer ook uitgebreid besproken. [naam 2] heeft betwist dat hij in de onderhandelingen voorafgaand aan zijn aanstelling bij Linx een van de conceptcontracten of zelfs het definitieve contract aan de RvC ter beschikking heeft gesteld. [naam 2] heeft tijdens de onderhandelingen in december 2012 een ‘signature page’ getoond om te laten zien dat er al wel een aanstelling bestond bij Schneider en dat er dus een uitweg gevonden moest worden om daarvan af te kunnen zien. De hoogte van het salaris dat hij bij Schneider zou krijgen heeft volgens [naam 2] tijdens de onderhandelingen geen wezenlijke rol gespeeld. Over de hoogte van het door hem gevraagde salaris bij Linx is niet onderhandeld, omdat dit lager was dan het salaris van de voorgaande CEO, aldus [naam 2] . Dit heeft hij ook kenbaar gemaakt in zijn reactie van 30 mei 2013 op de conceptbevindingen. Deze gang van zaken wordt gestaafd door de verklaring van RvC-lid [naam 5] ter zitting van de rechtbank Amsterdam en op schrift in december 2013 en door de verklaring van RvC-lid [naam 6] opgenomen in alinea 99 van het rapport zelf. Ten aanzien van het memo “ [naam 2] today” heeft [naam 2] naar voren gebracht dat deze geen deel uitmaakte van de door hem gehouden presentatie op 28 december 2012, maar dat hij deze memo op een later moment aan de HRM-afdeling van Linx heeft gestuurd.

4.4

Het College overweegt dat appellant er in zijn onderzoek van is uitgegaan dat het contract met Schneider dat hij in zijn bezit had en dat hij aan de rapportage ten grondslag heeft gelegd, ook het contract is dat [naam 2] tijdens de onderhandelingen in december 2012 (gedeeltelijk, namelijk ‘de signature page’) aan de RvC heeft getoond dan wel verstrekt. Op dit uitgangspunt, in samenhang met de informatie verkregen via [naam 9] van Schneider, heeft appellant de conclusie gebaseerd dat [naam 2] onjuiste informatie en zelfs een – naar volgens hem moet worden aangenomen – vervalst document heeft verstrekt aan de RvC.

Met de accountantskamer is het College, alles in aanmerking genomen, van oordeel dat appellant zijn uitgangspunt aangaande het contract met Schneider en de voorlichting ten overstaan van de RvC-leden onvoldoende heeft geverifieerd. Zo heeft appellant de RvC-leden [naam 6] en [naam 5] niet geïnterviewd over de feitelijke gang van zaken tijdens de besprekingen in december 2012 en heeft hij deze RvC-leden evenmin gevraagd of de versie van het contract die hij in zijn bezit had ook de versie was die [naam 2] hun in december 2012 had getoond of verstrekt. Appellant had verificatie van vorenbedoeld uitgangspunt niet achterwege mogen laten aangezien zijn conclusie in belangrijke mate daarop steunt. Te minder nog nu er concrete aanwijzingen zijn dat meer (concept)versies van het contract in omloop waren. [naam 4] had – blijkens alinea 92 van het rapport – (een medewerker van) appellant verteld dat hij meer dan één versie van het contract had gezien. Uit het rapport kan echter niet worden opgemaakt dat appellant in zijn gesprek(ken) met [naam 4] ten aanzien daarvan heeft doorgevraagd. Daarnaast lijkt uit het rapport zelf te volgen dat ook het team van appellant mogelijk twee verschillende versies of delen daarvan heeft gezien. In alinea 95 van het rapport is opgenomen dat het onderzoeksteam een “unsigned copy” had ontvangen, terwijl in alinea 96 is vermeld dat het team ook heeft gezien “pages out of the contract with signatures at the bottom, however these pages did not relate tot the salary or the term of the contract”.

4.5

Daarnaast is het College van oordeel dat appellant onvoldoende is ingegaan op de reactie van [naam 2] op de conceptbevindingen. [naam 2] heeft in zijn reactie niet heel uitgebreid of heel expliciet aangegeven welke bevindingen volgens hem niet juist waren, maar de ook in het rapport geciteerde passage “The draft employment contract as provided was my view on the negotiable amount of my salary. Linx, however, did not negotiate further in this respect but simply accepted the respective amount, mainly because the mentioned amount was much lower than the salary of the former CEO of Linx” bevat voldoende elementen van kritiek ten aanzien van de betekenis van het bij het rapport bijgevoegde contract met Schneider, dat appellant daarin geen instemming met de voorlopige bevindingen heeft kunnen lezen. De reactie van [naam 2] , met name de opmerking dat het bijgevoegde contract een ‘draft’ was, had aanleiding moeten geven om bij [naam 2] en de betrokken RvC-leden door te vragen.

4.6

De context van de opdracht van appellant en de ontwikkelingen in de onderneming in de laatste fase voordat hij zijn rapport uitgebracht, zijn bij de beoordeling van zijn handelwijze van wezenlijk belang. Ten tijde van het uitbrengen van zijn rapport – eind mei 2013 – moet appellant ermee bekend zijn geweest dat een verschil van inzicht bestond tussen [naam 4] enerzijds en [naam 6] en [naam 5] anderzijds met betrekking tot de leiding van Linx, dat eind april 2013 een nieuwe statutair bestuurder was ingeschreven, dat [naam 2] was uitgeschreven en dat deze nieuwe bestuurder de neef van [naam 4] was. Deze omstandigheden kunnen appellant, ook gezien de aard en strekking van zijn onderzoek, niet zijn ontgaan. Appellant erkent dat hij, in strijd met de wensen van [naam 2] maar overeenkomstig de instructie van de nieuwe bestuurder, contact heeft opgenomen met Schneider met betrekking tot de inhoud van het contract. Appellant heeft aan de onderneming, vertegenwoordigd door de nieuwe bestuurder, bij het aanbieden van zijn rapport toestemming verleend voor het gebruik van dat rapport in een procedure met betrekking tot de onderzochte materie. De onderzochte materie had in belangrijke mate te maken met bepaalde beschuldigingen die ten laste van [naam 2] waren geuit door [naam 4] . Appellant heeft in zijn rapport de kwalificatie “falsified” gebruikt, waarin een ernstig verwijt besloten ligt. Appellant heeft deze conclusie gepresenteerd in weerwil van de verklaring van [naam 6] ten overstaan van appellant, dat het salaris bij Schneider niet ter zake deed, blijkens alinea 99 van het rapport. Dat de opdracht van appellant in de eindfase van het onderzoek –in mei 2013 – klaarblijkelijk mede werd aangewend als instrument om het conflict over de leiding van de onderneming te beslechten en als opstap om maatregelen te treffen tegen [naam 2] , kan appellant gelet op het voorgaande evenmin zijn ontgaan.

4.7

Appellant zag in de eindfase van zijn onderzoek enige aanleiding voor een vermoeden van onjuiste voorlichting door [naam 2] aan de RvC ten tijde van zijn aanstelling. Dit vermoeden was gebaseerd op de omstandigheid dat [naam 2] – naar appellant kennelijk meende–op 28 december 2012 tijdens zijn presentatie aan de commissarissen melding had gemaakt van een salaris van € 309.000 door middel van het memo “ [naam 2] today”, op de versie van het contract waarover appellant beschikte en op de van Schneider verkregen informatie, waaruit een salaris van €172.000 per jaar naar voren was gekomen. Echter, [naam 2] heeft in wederhoor opgemerkt dat het bedrag van € 309.000 slechts een wens van zijn kant was, opgenomen in een concept van het contract. [naam 6] had al, zoals hiervoor is overwogen, verklaard dat het salaris bij Schneider niet ter zake deed. [naam 4] had verklaard dat hij meerdere conceptversies van het contract had gezien. Van appellant kon, gelet op de hem bekende conflict in de onderneming, gelet op de opmerking van [naam 2] in wederhoor en gelet op de verleende toestemming voor gebruik in procedures, worden verlangd dat hij zijn vermoeden over onjuiste voorlichting (en vervalsing) zou onderzoeken, in elk geval door een gesprek met [naam 6] en [naam 5] ten aanzien van dit punt. Dit was cruciaal voor een gedegen onderzoek en had zeer wel tot andere conclusies en bevindingen kunnen leiden. Van appellant mocht worden verlangd dat hij zich aldus rekenschap zou geven van de gerechtvaardigde belangen van [naam 2] .

Uit de stukken, overgelegd in het geding, blijkt dat volgens [naam 5] en wellicht ook [naam 6] in het geheel geen sprake was van enige misleiding of vervalsing ten tijde van de gesprekken over de aanstelling van [naam 2] . [naam 5] heeft in zijn verklaring in het kader van de civiele procedure tussen Linx en [naam 2] – de inhoud waarvan door appellant niet is weersproken – neergelegd dat [naam 2] desgevraagd een bedrag heeft genoemd (dat hij als salaris zou willen hebben) en dat dat bedrag zonder verdere beraadslagingen is aanvaard. [naam 5] heeft verder verklaard dat hij met [naam 6] en [naam 2] heeft gesproken, waarbij de functie van bestuurder aan [naam 2] is aangeboden en door hem is aanvaard, en dat een contract met Schneider aan hem is getoond maar niet is doorgenomen, omdat het niet relevant was. [naam 6] heeft ten overstaan van appellant bevestigd dat het salaris bij Schneider niet ter zake deed, hetgeen door appellant ook in alinea 99 van het rapport is opgenomen. In de door [naam 6] te ondertekenen conceptbrief voor de vergadering van de commissarissen van 12 februari 2013 zou [naam 6] zijn vertrouwen in [naam 2] uitspreken.

4.8

Het voorgaande betekent dat het onderzoek van appellant niet de vereiste basis bood voor een conclusie over de aard en strekking van de inlichtingen die [naam 2] ten tijde van de gesprekken over zijn aanstelling in december 2012 aan de leden van de RvC heeft verstrekt. Dat maakt dat de conclusie dat [naam 2] onjuiste informatie en een document waarvan moet worden aangenomen dat het is vervalst heeft verstrekt aan de RvC een deugdelijke grondslag ontbeert en dat appellant het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid, als bedoeld in artikel A-100.4, onder c van de VGC heeft geschonden. Appellant heeft in onvoldoende mate rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [naam 2] en hij is zonder adequate verificatie meegegaan in de wens van zijn opdrachtgever om op gezag van bevindingen van een onafhankelijke accountant tegen [naam 2] ten strijde te trekken. De accountantskamer heeft klachtonderdeel 3 terecht gegrond verklaard. De daartegen gerichte grieven van appellant falen.

4.9

Ten aanzien van de klachtonderdelen 4 en 5 volgt het College niet het standpunt van [naam 2] dat de accountantskamer deze klachtonderdelen eveneens gegrond heeft verklaard. Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer ten aanzien van deze klachtonderdelen terecht overwogen dat zij zelfstandige betekenis missen in het licht van klachtonderdeel 3 en onbesproken kunnen blijven.

5.1

Appellant heeft eveneens een grief gericht tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel 6. De accountantskamer heeft in dit verband overwogen dat de formuleringen in alinea 103 en alinea 137 van het rapport een andere inhoud en strekking hebben. De conclusie in alinea 103 heeft betrekking op de informatie verstrekt door [naam 2] aan de RvC en de conclusie in alinea 137 ziet op de informatie verstrekt door [naam 2] aan appellant en zijn team. Nu appellant niet wist welke informatie was verstrekt aan de RvC kon hij onmogelijk de conclusie trekken dat dit dezelfde informatie was als die aan hem en zijn team was verstrekt. De accountantskamer heeft geoordeeld dat ook de conclusie in alinea 137 een deugdelijke grondslag mist.

5.2

Appellant heeft in zijn grief naar voren gebracht dat de accountantskamer er in haar beoordeling ten onrechte van is uitgegaan dat er een verschil bestaat tussen het contract met Schneider waarover de RvC beschikte en het contract dat aan hem was verstrekt en dat ten grondslag heeft gelegen aan de alinea’s 103 en 137 van het rapport. Volgens appellant bestaat dit verschil niet en kan de gegrondverklaring van het klachtonderdeel hierom niet in stand blijven.

5.3

Het College overweegt dat het verwijt dat appellant ten aanzien van klachtonderdeel 3 terecht is gemaakt – namelijk dat hij een conclusie heeft getrokken die deugdelijke grondslag mist – er tevens toe leidt dat de conclusie in alinea 137 van het rapport een deugdelijke grondslag mist. De conclusie in dit afsluitende deel van het rapport is eveneens gestoeld op het uitgangspunt van appellant dat de versie van het contract dat hij in zijn bezit had hetzelfde contract is dat door [naam 2] in december 2012 tijdens de besprekingen is getoond dan wel overgelegd. Zoals reeds in 4.4. overwogen heeft appellant deze aanname onvoldoende geverifieerd zodat hij mede op basis van die aanname niet de conclusie heeft kunnen trekken dat [naam 2] onjuiste informatie heeft verstrekt of een document heeft vervalst. De grief van appellant, gericht tegen het oordeel van de accountantskamer over klachtonderdeel 6, faalt.

6.1

Ten aanzien van de opgelegde maatregel van berisping heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat de accountantskamer in overweging 4.8.4 van de bestreden uitspraak ten onrechte een overweging ten overvloede heeft opgenomen die erop neer komt dat appellant bij de totstandkoming van het rapport onzorgvuldig heeft gehandeld door [naam 2] een wel heel korte termijn voor wederhoor te geven en door geen verslagen van de gesprekken met [naam 2] te maken. Appellant stelt niet te kunnen vaststellen of deze overweging een rol heeft gespeeld bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel. Volgens appellant dient echter de zwaarte van een maatregel niet mede bepaald te worden aan de hand van een overweging ten overvloede, die bovendien feitelijke onjuistheden bevat.

6.2

Het College overweegt dat uit overweging 4.10 van de bestreden uitspraak niet blijkt dat de accountantskamer de inhoud van haar overweging ten overvloede, wat daar verder ook van zij, heeft meegewogen bij het bepalen van de op te leggen maatregel. De grief van appellant faalt.

6.3

Ten aanzien van de maatregel is het College gelet op hetgeen overwogen in 4.4 tot en met 4.9 en 5.3 met de accountantskamer van oordeel dat in deze zaak de maatregel van berisping passend en geboden is. Daarbij heeft het College tevens in aanmerking genomen dat appellant bij uitspraak van het College van 10 februari 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BP8461) eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

8. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. J.A.M. van den Berk en mr. L.S. Frakes, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2016.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.T. Plouvier