Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:143

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
15/653
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek gegevens op te vragen is een feitelijke, niet appellabele handeling.

Art. 6b van de Instellingswet ACM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
mr. I. Brinkman en mr. L. Baljon annotatie in NTE 2016/41, UDH:NTE/13392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/653

40100

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2016 in de zaak tussen

Gasunie Transport Services B.V., te Groningen, appellante (GTS)

(gemachtigde: mr. I.F. Kieft),

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster

(gemachtigden: mr. L.H.J. Dabekaussen, mr. R. Rodenrijs en ir. M. Odijk).

Procesverloop

Bij brief van 13 februari 2015 heeft ACM bericht niet te voldoen aan het verzoek van GTS om de Bundesnetzagentur (BNetzA) te vragen gegevens van Duitse Transmission System Operators Gas (TSO's) te verstrekken aan een (tegen-)deskundige van GTS. Het daartegen gerichte bezwaar van GTS heeft ACM bij besluit van 14 juli 2015 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

GTS heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Deze zaak speelt tegen de achtergrond van het door ACM voor de vijfde reguleringsperiode ingevolge artikel 82, eerste en tweede lid, van de Gaswet te nemen methodebesluit. ACM wil voor GTS de statische efficiëntie (thèta) in de x-factor verwerken en laat daarvoor door Frontier Economics en Consentec (Frontier) een benchmark ontwikkelen waarin de prestaties van GTS worden afgezet tegen die van Duitse TSO's. De Duitse gegevens heeft de BNetzA op verzoek van ACM aan Frontier verstrekt, onder voorwaarde dat die, bedrijfsvertrouwelijke, gegevens geheim blijven.

1.2

Bij brief van 12 december 2014 verzocht GTS aan ACM om de BNetzA te vragen de door haar aan Frontier ter beschikking gestelde Duitse gegevens aan ACM ter beschikking te stellen ten behoeve van een tegenonderzoek door een door GTS aan te wijzen deskundige. GTS stelt in dat verband dat BNetzA de bevoegdheid heeft de informatie te verstrekken op grond van artikel 57, vierde lid, van de Energiewirtschaftsgesetz.

2.1

Het College stelt voorop dat een verzoek van een belanghebbende kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), indien is verzocht om een schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling te nemen (ECLI:NL:RVS:2012:BX6498). ACM is op grond van artikel 6b van de Instellingswet ACM in algemene zin bevoegd om de BNetzA om informatie te verzoeken. Uit de wetsgeschiedenis, zoals door ACM ook aangehaald, blijkt dat het gebruik van deze bevoegdheid door het daadwerkelijk verzoeken van informatie een niet appellabele feitelijke handeling is. Het verzoek om deze bevoegdheid te gebruiken kan dan niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb omdat uit het verzoek een (weigering tot) een feitelijke handeling en geen rechtshandeling volgt. De stelling van GTS dat uit de verplichting om besluitvorming zorgvuldig voor te bereiden (artikel 3:2 van de Awb) voortvloeit dat ACM in het voorliggende geval verplicht is om haar algemene bevoegdheid aan te wenden, is, wat daarvan ook zij, niet van betekenis voor de kwalificatie van het karakter van het verzoek. Hetzelfde geldt voor hetgeen gesteld is omtrent de bevoegdheid van BNetzA om de informatie te verstrekken.

2.2

Het verzoek in de brief van 12 december 2014 kwalificeert als een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling en de als reactie op het verzoek gevolgde brief is dan ook niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. ACM heeft zodoende het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.

3. Het beroep slaagt niet.

4. Het College ziet geen aanleiding tot een kostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. E.R. Eggeraat en mr. M. van Duuren, en, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2016.

De voorzitter is buiten staat te ondertekenen w.g. P.M. Beishuizen