Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:139

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
15/188
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2.1 en 2.2 Wet dieren, artikel 36 en 37 Gwd, geen bijzondere omstandigheden, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/188

11351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2016 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C.M. Harteveld-van den Bosch).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) en aan appellant maatregelen opgelegd.

Bij besluit van 26 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Appellant is verschenen. Voor appellant is tevens verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn tevens verschenen [naam 3] , agente van de dierenpolitie, en [naam 4] , toezichthouder Landelijke Inspectiedienst (LID).

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is eigenaar van paard [naam 5] . Het paard wordt gehouden op een perceel aan het [adres] te [plaats 2] .

1.2

Op 12 juni 2014 heeft een toezichthouder van de LID een controle uitgevoerd op het perceel aan het [adres] . Deze controle is vastgelegd in het toezicht rapport van 13 juni 2014 met kenmerk […] . De toezichthouder heeft, voor zover hier van belang, het volgende geconstateerd:

“Onderzoek:

Ik zag vanaf de openbare weg op het [adres] op een weilandperceel één paard, te weten een schimmelkleurige Arabier of kruising daarvan. (…)

Ik zag dat het Arabische paard, of kruising daarvan symptomen had van zonnebrand. Ik zag namelijk dat de niet gepigmenteerde, witte, huid warm aanvoelde en rood was. De huid was tevens verdikt.

Ik zag in het gehele land giftige planten groeien.

Ambtshalve is mij, (…), bekend dat de aanwezigheid van giftige planten mede oorzaak kunnen zijn van zonnebrand bij paarden.

(…)”

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellant wegens overtreding van artikel 36, eerste en derde lid, en artikel 37 Gwd een last onder bestuursdwang opgelegd. Volgens verweerder is vastgesteld dat de gezondheid en het welzijn van het paard is aangetast. Appellant dient vóór 19 juni 2014 de volgende maatregelen te nemen:

“(…)

2. Consulteer een dierenarts over de huidaandoening van het paard. Voer het (eventuele) behandelplan, opgesteld door de dierenarts uit.

3. Zorg ervoor dat de weilanden waar het paard (…) gehuisvest vrij zijn van giftige planten.”

1.4

Op 26 juni 2014 heeft de LID een hercontrole uitgevoerd, welke controle is vastgelegd in het rapport met nummer […] . Door de toezichthouder is geconstateerd dat de opgelegde maatregelen zijn uitgevoerd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Dit besluit steunt op de volgende motivering. Per 1 juli 2014 zijn de artikelen 36 en 37 van de Gwd komen te vervallen en vervangen door de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet dieren. Op grond van de overgangsbepaling van artikel 11.1, vijfde lid, van de Wet dieren vindt de heroverweging in bezwaar van het primaire besluit plaats op grond van de Wet dieren, nu het bezwaarschrift van appellant is ingediend na 1 juli 2014.

Appellant betwist volgens verweerder niet dat paard [naam 5] zonnebrand heeft opgelopen. Deze huidaandoening is pijnlijk en vereist een behandeling door een deskundige. Volgens verweerder is de maatregel daarom terecht opgelegd.

De giftige plant, waarop de toezichthouder doelt in zijn rapport, is Berenklauw. Nu paarden door Berenklauw zonnebrand kunnen oplopen, is het zaak dergelijke planten van het perceel te verwijderen, aldus verweerder.

3. Appellant erkent dat het paard een zonnebrandplek op zijn snuit heeft. De dierenarts heeft vier jaar geleden zonnebrandcrème met factor 50 als enige remedie voorgeschreven. Appellant heeft conform het advies van de inspecteur nogmaals de dierenarts naar de zonnebrandplek laten kijken. Volgens de dierenarts van appellant kan appellant alleen zonnebrandcrème smeren; er is geen andere behandeling voorhanden.

Appellant betwist dat er giftige planten op het perceel staan. Om er zeker van te zijn dat de inspecteur zich tenminste heeft vergist, heeft appellant verklaringen van medewerkers van de Botanische tuinen van de TU Delft, van de eigenaren van het tegenover het perceel gelegen tuincentrum [naam 6] en van de hovenier [naam 7] overgelegd die allen kort gezegd verklaren dat er geen giftige planten op het perceel zijn aangetroffen.

4. De Gwd luidde tot 1 juli 2014, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(…)

3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.”

De Wet dieren luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 2.1. Dierenmishandeling

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

(…)

Artikel 2.2. Houden van dieren

(…)

8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 11.1. Overgangsrecht

1. Besluiten, niet inhoudende een algemeen verbindend voorschrift, genomen bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Kaderwet diervoeders, de Diergeneesmiddelenwet, de Wet op de dierenbescherming, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 of, voor zover zij betrekking hebben op onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, krachtens de Landbouwkwaliteitswet of de Landbouwwet, die gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht te zijn genomen op grond van deze wet, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot voorschriften, beperkingen en voorwaarden voor zover de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen dit vereist.

(…)

3. Ten aanzien van besluiten als bedoeld in het eerste lid doet Onze Minister per soort, onderverdeeld naar de bepaling of bepalingen waarop de besluiten berustten, mededeling in de Staatscourant van de bepaling of bepalingen waarop zij vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet worden geacht te berusten.

(…)

5. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige bezwaarschriften die betrekking hebben op het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat, waarin zij zich op dat moment bevinden en worden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de wetten, bedoeld in het eerste lid, behandeld en beslist.

(…)”

5. Verweerder heeft appellant bij het primaire besluit een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwd. Verweerder heeft in bezwaar het primaire besluit op grond van artikel 11.1, vijfde lid, van de Wet dieren heroverwogen aan de hand van artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Verweerder heeft hiervoor bepalend geacht dat het op 15 juli 2014 door verweerder ontvangen bezwaarschrift van appellant is ingediend na de inwerkingtreding van de Wet dieren per 1 juli 2014. Hierbij heeft verweerder aangenomen dat dit bezwaarschrift betrekking heeft op een besluit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, van de Wet dieren. Naar het oordeel van het College kan in het midden blijven of verweerder bij het bestreden besluit op grond van genoemd overgangsbepaling terecht toepassing heeft gegeven aan vermelde bepalingen uit de Wet dieren nu appellant niet heeft betwist dat sprake is van een overtreding van voormelde bepalingen.

5.2

Ten aanzien van de giftige planten overweegt het College als volgt. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat op grond van de beschikbare informatie niet eenduidig kan worden vastgesteld dat giftige beplanting op de betrokken percelen weiland ten tijde van de controle aanwezig was, zodat ten onrechte een last onder bestuursdwang is opgelegd tot het verwijderen van die beplanting. Verweerder heeft ter zitting het primaire besluit voor zover dat ziet op de giftige planten ingetrokken. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond.

5.3.1

Het College stelt vast dat appellant niet betwist dat het paard een zonnebrandplek heeft, noch dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Verweerder was naar het oordeel van het College bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen.

5.3.2

Het College begrijpt het betoog van appellant aldus dat verweerder van het opleggen van een last onder bestuursdwang had moeten afzien omdat hij beschikte over een behandelplan van een dierenarts ter voorkoming van zonnebrand, namelijk het behandelen van het paard met een zonnebrandcrème met factor 50. Dit betoog slaagt naar het oordeel van het College niet. Volgens vaste jurisprudentie van het College is verweerder slechts gehouden af te zien van handhavend optreden ter beëindiging van een overtreding indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is niet gebleken. Voor zover appellant in dit verband heeft gewezen op een vier jaar oud behandelplan, geldt dat appellant de door de toezichthouder geconstateerde, recent ontstane zonnebrandplek kennelijk niet heeft weten te voorkomen door consequent uitvoering te geven aan voornoemd behandelplan. Appellant betwist niet dat een zonnebrandplek een pijnlijke aandoening is die behandeling behoeft. Eerst na het opleggen van de last onder bestuursdwang, en ter uitvoering van deze last, heeft appellant zijn paard door een dierenarts laten onderzoeken. Verweerder is terecht handhavend opgetreden. Het beroep faalt op dit onderdeel.

6. Het beroep is gegrond voor zover een last onder bestuursdwang is opgelegd strekkende tot verwijdering van giftige beplanting. Voor het overige is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover een last onder bestuursdwang is opgelegd strekkende tot verwijdering van giftige beplanting en voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. M.S. van den Berg