Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:130

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
14/473
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Spoedbestuursdwang. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Proportionaliteit. Geringe waarde dieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/473

11200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2016 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. A.H. Lanting),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. den Haan).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 7 en 8 januari 2013, wegens overtreding van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) door appellant, op schrift gesteld. Op laatstgenoemde data heeft verweerder besloten tot het meevoeren en opslaan van 122 dieren van appellant.

Bij besluit van 27 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving bij appellant in rekening gebracht.

Bij besluit van 5 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016.

Appellant en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant is op 7 januari 2013 door de politie aangehouden in zijn woning voor een zogenoemde niet-diergerelateerde zaak. Agenten van de (dieren)politie hebben daarna op die dag in samenwerking met een toezichthouder van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming een onderzoek ingesteld naar de in en bij de woning van appellant aangetroffen dieren.

1.2

Op 7 en 8 januari 2013 heeft verweerder spoedbestuursdwang toegepast en de dieren van appellant (o.a. een hond, katten, cavia’s, hamsters, konijnen, ratten, muizen, schildpadden een kikker en verschillende soorten vogels) meegevoerd en opgeslagen. Bij besluit van 10 januari 2013 heeft verweerder deze beslissing op schrift gesteld.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van € 25.938,97 aan appellant in rekening gebracht. Dit bedrag is het totaal van de facturen die verweerder heeft ontvangen voor het transport van de dieren naar de opslaghouder, de dierenartskosten en de opvangkosten over de periode 7 januari 2013 tot en met 30 april 2013.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 januari 2013 en dit besluit in rechte vaststaat. Verweerder is daarom niet nader ingegaan op de stellingen van appellant dat geen sprake was van verwaarlozing van de dieren en dat ten onrechte spoedbestuursdwang is toegepast. Verweerder heeft de kosten voor de opvang van de knaagdieren, katten, schildpadden en de kikker gematigd, in de zin dat deze kosten tot 15 maart 2013 in rekening worden gebracht. Verweerder heeft het bezwaar in zoverre gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het bedrag dat aan appellant in rekening wordt gebracht in het bestreden besluit vastgesteld op € 24.038,51.

3.1

Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte ervan uitgaat dat de toepassing van spoedbestuursdwang rechtmatig is omdat hij daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Hij stelt dat hij gedurende de bezwaarperiode gedetineerd was op de afdeling psychiatrie van de Penitentiaire Inrichting Zwolle, en toen buiten staat was om zijn belangen te behartigen. Appellant betoogt dat het bezwaar tegen het primaire besluit ook een bezwaar is tegen het besluit omtrent de toepassing van (spoed)bestuursdwang, en dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3.2

Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder het bezwaarschrift van appellant tegen het primaire besluit mede had moeten opvatten als een verschoonbaar niet tijdig ingediend bezwaarschrift tegen het besluit van 10 januari 2013. Uit de stukken blijkt dat verweerder het besluit van 10 januari 2013 heeft verzonden naar het woonadres van appellant. Daarmee heeft verweerder voldaan aan de bekendmakingsplicht bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet in geschil is dat appellant niet binnen de bezwaartermijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. Voor zover appellant aanvoert dat het besluit van 10 januari 2013 hem vanwege zijn detentie niet heeft bereikt, geldt dat appellant verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van zijn adreswijziging. Door de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie voor persoonsgegevens (GBA) gedurende zijn detentie ongewijzigd te laten heeft appellant het risico genomen dat correspondentie die aan hem is gericht hem niet zou bereiken. Niet aannemelijk is gemaakt dat appellant destijds als gevolg van zijn psychische problemen niet in staat was zijn inschrijving in de GBA te (doen) wijzigen, dan wel er voor zorg te dragen dat correspondentie die was gericht aan zijn woonadres hem alsnog zou bereiken.

4. Aangezien appellant aldus geen, althans niet tijdig, bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 januari 2013, is dit besluit in rechte komen vast te staan. De toepassing van spoedbestuursdwang door verweerder op 7 en 8 januari 2013 staat hier dus niet meer ter beoordeling. Wat appellant heeft aangevoerd omtrent het ontbreken van de noodzaak voor het toepassen van de spoedbestuursdwang dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten.

5.1

Ter beoordeling staat uitsluitend nog of het bestreden besluit, waarbij de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving die ten laste van appellant worden gebracht zijn vastgesteld op € 24.038,51, in rechte stand kan houden. Het College overweegt daarover het volgende.

5.2

Nu het meevoeren en opslaan van de dieren, gelet op hetgeen in 4 is overwogen, rechtmatig was, behoren de kosten die daarmee gemoeid zijn op grond van art. 5:25, eerste lid, Awb in beginsel voor rekening van appellant te komen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van omstandigheden waarin moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel ten laste van de overtreder moeten komen.

5.3

Appellant heeft niet betwist dat verweerder genoemde kosten in het kader van het toepassen van bestuursdwang heeft gemaakt, maar stelt dat de kosten niet redelijk en niet proportioneel zijn. Volgens appellant zijn de kosten van ruim € 25.000,- ten opzichte van de waarde van de – in hoofdzaak – zwerfdieren buiten proportie en zouden de kosten van de opvang niet meer dan € 9.731,- hoeven bedragen. Appellant heeft (via internet) tarieven voor de opvang van dieren opgezocht en vergeleken, en heeft op basis daarvan een nieuwe berekening gemaakt van de kosten van de opvang van zijn dieren.

5.4

Verweerder heeft de aan appellant in rekening gebrachte kosten voor transport, opvang en medische verzorging van de dieren van appellant in het bestreden besluit in een bijgevoegd overzicht nader toegelicht. De door verweerder gemaakte kosten voor transport, opvang en medische verzorging van de dieren van appellant moeten worden gezien tegen de achtergrond van de verplichte aanbesteding in het kader van de Gwd. De niet nader onderbouwde berekening van appellant biedt geen grond voor het oordeel dat de door verweerder betaalde en in rekening gebrachte tarieven onjuist of onredelijk zouden zijn. Uit de processen-verbaal van meevoeren en opslaan van 7 en 8 januari 2013 blijkt dat in totaal vier katten zijn meegevoerd en opgeslagen. Mede in aanmerking nemend dat appellant zijn stelling dat hij slechts drie katten had niet heeft onderbouwd, volgt het College appellant hierin niet. Dit betekent dat verweerder terecht de betreffende kosten voor in totaal vier katten bij appellant in rekening heeft gebracht.
Hetgeen appellant aanvoert inzake de verhouding tussen de gemaakte kosten en de waarde van de dieren slaagt evenmin. De opvang, medische verzorging en het transport van rechtmatig meegevoerde dieren brengen immers kosten met zich mee, die in beginsel voor rekening van appellant als overtreder behoren te komen. Dat de dieren van appellant een beperkte waarde vertegenwoordigen vormt in dit geval onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de hier gemaakte kosten redelijkerwijs niet voor rekening van appellant als overtreder behoren te komen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.A. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2016.


w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.A. Voskamp