Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:128

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
15/142
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wtra, PE-punten, hoogte boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/142

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2016 op het hoger beroep van:

[naam] , te [plaats] , appellant,


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 6 februari 2015, gegeven op een klacht, op 10 juli 2014 door het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (Nba) ingediend tegen appellant.

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van

6 februari 2015, met nummer 14/1662 Wtra PE.

Nba heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Nba heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Sukkel.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is met ingang van 20 augustus 2003 ingeschreven in het accountantsregister en werd aangemerkt als accountant in business. Appellant heeft over de jaren 2010 tot en met 2012 geen verklaring verrichte activiteiten als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Nadere voorschriften permanente educatie (NVPE) ingediend. Voor de jaren 2010, 2011 en 2012 heeft hij ook geen verzoek ingediend tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting om activiteiten op het gebied van permanente educatie (PE) te verrichten, als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de NVPE.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant minder dan 120 PE-punten heeft behaald in de driejaarscyclus 2010-2012 en voor zover mocht blijken dat hij in de driejaarscyclus PE-punten heeft behaald maar niet geregistreerd, niet heeft voldaan aan zijn registratieverplichting.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en overwogen dat appellant in de driejaarscyclus 2010-2012, 59 PE-punten te weinig heeft behaald. Appellant heeft daarmee gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als neergelegd in de artikelen A-130.1 en volgende van de Verordening gedragscode RA’s (VGC). De accountantskamer heeft appellant de maatregel van berisping opgelegd en een geldboete van € 2.950,-. De accountantskamer heeft bij het opleggen van de maatregel van berisping meegewogen dat aan appellant bij een eerdere uitspraak de maatregel van waarschuwing is opgelegd vanwege tekortkomingen in de PE-verplichtingen over de driejaarscyclus 2007-2009. Bij het opleggen van de geldboete en het bepalen van de hoogte ervan heeft de accountantskamer mede rekening gehouden met de omstandigheid dat accountants die zich wel aan hun PE-verplichtingen hebben gehouden, daarvoor (studie)kosten hebben moeten maken en dat dit bij appellant niet het geval is. De accountantskamer schat de economische waardering van het verschil in positie tussen appellant en deze accountants op € 50,- per niet behaald PE-punt en heeft dienovereenkomstig de geldboete vastgesteld op € 2.950,- (59 x € 50,-).

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Appellant keert zich in hoger beroep (uitsluitend) tegen de opgelegde boete. Hij erkent dat hij in gebreke is gebleven met het registreren van de benodigde PE-punten. Appellant voert aan dat hierdoor niemand is geschaad. Appellant is sinds september 2004 niet meer werkzaam als extern accountant en thans ook niet in een financiële functie. Appellant heeft jaarlijks lidmaatschapsgeld betaald en studiekosten gemaakt. Een geldboete van € 2.950,- acht appellant buitenproportioneel. Appellant is niet in staat om de boete in één keer te voldoen.

Nba heeft zich in de reactie op het hogerberoepschrift op het standpunt gesteld dat de hogerberoepsgronden van appellant niet kunnen slagen. Daarnaast heeft Nba aangegeven dat uit een zeer recente opgave van appellant is gebleken dat hij in de aan de orde zijde periode nog andere PE-activiteiten heeft verricht waarmee hij 32 PE-punten heeft behaald. Het tekort bedraagt dan nog 37 PE-punten.

4.1

Het College overweegt dat appellant in de periode 2010-2012 als registeraccountant stond ingeschreven in het accountantsregister en werd aangemerkt als accountant in business. Dit betekent dat hij op grond van artikel 3 van de NVPE ten minste 120 PE-punten per driejaarscyclus diende te behalen, waarvan ten minste 20 PE-punten per kalenderjaar. Het College stelt vast dat appellant in de driejaarscyclus 2010-2012 minder dan 120 PE-punten heeft behaald en derhalve niet, althans niet ten volle, aan zijn PE-verplichtingen heeft voldaan, en dat hij heeft nagelaten de behaalde PE-punten te laten registreren. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat appellant als gevolg daarvan heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in de artikelen A-130.1 en volgende van de VGC. Het College is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent zijn werkzaamheden niet kan afdoen aan de voor hem geldende PE-verplichtingen. Gesteld, noch gebleken is dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de NVPE. De klacht is derhalve terecht gegrond verklaard.

4.2

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) kan de maatregel van een geldboete gezamenlijk met een van de andere tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd. Het College is van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarbij niet is voldaan aan de voorschriften inzake permanente educatie, het opleggen van de maatregel van geldboete - naast een andere maatregel, die thans niet in geschil is - in beginsel passend is. Het door de accountantskamer gekozen uitgangspunt van € 50,- per niet behaald PE-punt als maatstaf voor het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete is in zijn algemeenheid niet onredelijk. Nu appellant zijn beroep op een verminderde draagkracht niet met feiten heeft onderbouwd wordt daaraan voorbij gegaan. Aangezien in hoger beroep is gebleken dat appellant geen 59 maar 27 PE-punten te weinig heeft behaald, zal het College de geldboete vaststellen op € 1.350,- (27 x € 50,-).

5. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de accountantskamer dient te worden vernietigd voor zover het betreft de hoogte van de opgelegde geldboete. Het College zal met toepassing van artikel 43i van de Wtra de zaak zelf afdoen zoals overwogen in 4.2. De maatregel van berisping is in hoger beroep niet bestreden en blijft in stand.

6. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak voor zover het betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

- legt appellant de maatregel op van een geldboete van € 1.350,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. R.W.L. Koopmans en mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. M.S. van den Berg