Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:126

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
16/212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, verzoek afgewezen, geen spoedeisend belang, Regeling houders van dieren, positieflijst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/212

11352

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 mei 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit, te Otterlo, verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tielemans).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren (Regeling) vastgesteld, waarbij de soorten Muntiacus en Mazama zijn geplaatst op bijlage 2, tabel 3, van de Regeling.

Bij besluit van 18 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voor verzoekster is voorts verschenen [naam] , importeur en verkoper van bijzondere diersoorten.

Bij brief van 28 april 2016 heeft verzoekster een nadere reactie ingediend.

Bij e-mailbericht van 28 april 2016 heeft verweerder gereageerd op de nadere reactie van verzoekster.

Op 2 mei 2016 heeft het College, met instemming van partijen, zonder nadere zitting het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

Het College gaat uit van de volgende feiten. Bij het primaire besluit heeft verweerder hoofdstuk 2 van de Regeling vastgesteld, waarbij voor zover van belang de soorten Muntiacus en Mazama zijn geplaatst op bijlage 2, tabel 3, van de Regeling, hetgeen betekent dat deze dieren vanaf 1 april 2015 niet meer gehouden mogen worden.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Volgens verweerder zijn de door het Hof van Justitie in zijn arrest van 19 juni 2008, Nationale Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers VZW en Andibel VZW, C-291/07, (ECLI:NL:XX:2008:BF8012) (Andibel-arrest), gestelde voorwaarden meegenomen in de systematiek van de positieflijst zoals deze is geregeld in hoofdstuk 2 van de Regeling en is verantwoord in de toelichting bij de Regeling.

3.1

Verzoekster verzoekt om schorsing van het besluit van verweerder voor zover het betreft de plaatsing van de soorten behorende tot het genus Muntiacus (muntjaks) op bijlage 2, tabel 3 van de Regeling totdat is beslist op het ingediende beroepschrift.

Volgens verzoekster is sprake van een spoedeisend belang. Door de plaatsing van de genoemde diersoorten op bijlage 2, tabel 3, van de Regeling is het niet langer mogelijk om die dieren op een verantwoorde wijze te houden binnen de nu geldende wettelijke kaders.

Het verbod op fok en het houden van nieuwe dieren brengt met zich dat muntjaks ofwel gescheiden moeten worden gehouden, hetgeen volgens verzoekster uitermate onwenselijk is gelet op de sociale stress die dat met zich brengt (extreme vocalisatie, pacing en pogingen om door ontsnapping weer bij de groep aan te sluiten), dan wel castratie, hetgeen gezondheidsrisico’s met zich brengt die normaliter voor deze soorten in het geheel niet spelen en onomkeerbaar is. De voorziening is volgens verzoekster juist nu relevant omdat de jonge dieren die nog rechtmatig zijn geboren op dit moment vruchtbaar worden.

3.2

Verzoekster voert in beroep aan dat aan de plaatsing op tabel 3 van de betrokken soorten behorende tot het genus Muntiacus en het genus Mazama geen onderzoek ten grondslag ligt dat voldoet aan de eisen die de Europese wetgeving en de jurisprudentie van het Hof van Justitie stellen. Plaatsing op deze tabel is volgens verzoekster daarom niet gerechtvaardigd. Uit het Andibel-arrest van het Hof blijkt volgens verzoekster dat elke beperking van het vrije verkeer van goederen uit hoofde van de bescherming van een belang als het welzijn van dieren moet worden gebaseerd op een wetenschappelijke evaluatie van het precieze risico in elk geval. Daarvan is volgens verzoekster geen sprake. Het in opdracht van verweerder uitgevoerde onderzoek behorende tot het genus Muntiacus bestaat volgens verzoekster geheel uit literatuuronderzoek. Er is dus geen sprake van onderzoek in het concrete geval en heeft geen betrekking op de Nederlandse houderijomstandigheden. Uit het door verzoekster uitgevoerde ethologische onderzoek en uit interviews met houders blijkt dat binnen de Nederlandse houderij de diersoort op een wijze wordt gehouden die in overeenstemming is met de criteria van 1.4 van het Besluit houders van dieren.

4. De Regeling luidt, voor zover relevant, als volgt:

Artikel 2.1. Positieflijst (huisdierenlijst)

Als diersoorten en diercategorieën als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de diersoorten en diercategorieën, genoemd in bijlage 1.

Artikel 2.3. Vrijstelling

Van het verbod van artikel 2.2, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld

de categorieën houders van dieren genoemd in bijlage 2, voor de daarbij genoemde diersoorten en met inachtneming van de daarbij genoemde voorschriften.

Artikel 2.4. Ontheffing

De aanvraag van een ontheffing van het verbod van artikel 2.2, eerste lid, van de wet wordt met gebruikmaking van het daarvoor bestemde aanvraagformulier ingediend en bevat ten minste het volgende:

a. naam, adres, woonplaats, burgerservicenummer van de aanvrager dan wel het inschrijvingsnummer in het handelsregister als de aanvrager een onderneming is, en het adres van de plaats waar de dieren gehouden worden als dat niet het woonadres van de aanvrager is;

b. de soort en het aantal dieren waarvoor ontheffing wordt gevraagd;

c. een omschrijving van de beschikbare huisvesting en houderijomstandigheden, waarbij wordt aangeduid op welke wijze, gelet op de bekende eigenschappen van de soort, schade aan gezondheid en welzijn van het dier wordt voorkomen;

d. de voorgenomen wijze van verzorging;

e. de redenen waarom de ontheffing wordt gevraagd;

f. de omschrijving van het belang dat de aanvrager heeft bij de ontheffing.

(…)

Bijlage 2

Categorie vrijgestelde houder

Soorten waarvoor vrijstelling geldt

a. houders van zoogdieren

a. de zoogdieren die behoren tot de zoogdiersoorten of zoogdiercategorieën, die zijn opgenomen in bijlage 2 (tabel 3), voor zover die dieren aantoonbaar in Nederland werden gehouden op het tijdstip waarop het besluit dat de soort of categorie niet wordt

aangewezen in werking getreden is, tot aan het overlijden van de dieren;

b. de nakomelingen van de dieren bedoeld onder a, indien aannemelijk is dat die dieren van de nakomelingen drachtig waren op het onder a bedoelde tijdstip. Aan de vrijstelling is het voorschrift verbonden dat de houder zich registreert bij RVO.nl

(…)

Tabel 3

Diersoorten die niet worden aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren

Nederlandse naam

Datum waarop het verbod in werking treedt

Mazama americana

Rood spieshert

1 april 2015

Mazama bororo

Klein rood spieshert

1 april 2015

Mazama bricenii

Merioa spieshert

1 april 2015

Mazama chunyi

Dwergspieshert

1 april 2015

Mazama gouazoubira

Grijs spieshert

1 april 2015

Mazama nana

Pygmeespieshert

1 april 2015

Mazama pandora

Yucatan bruin spieshert

1 april 2015

Mazama rufina

Bruin spieshert

1 april 2015

Mazama temama

Centraal Amerikaans rood spieshert

1 april 2015

Muntiacus atherodes

Gele borneomuntjak

1 april 2015

Muntiacus crinifrons

Zwarte muntjak

1 april 2015

Muntiacus feae

Tibetaanse muntjak

1 april 2015

Muntiacus gongshanensis

Gongshanmuntjak

1 april 2015

Muntiacus muntjak

Indische muntjak

1 april 2015

Muntiacus puhoatensis

Pu Hoat muntjak

1 april 2015

Muntiacus putaoensis

Bladmuntjak

1 april 2015

Muntiacus rooseveltorum

Yunnanmuntjak

1 april 2015

Muntiacus truongsonensis

Truongsonmuntjak

1 april 2015

Muntiacus vuquangensis

Reuzemuntjak

1 april 2015

(…)”

5.1

Hetgeen verzoekster in haar beroepschrift naar voren brengt omtrent het onderzoek dat aan de plaatsing op tabel 3 van de soorten van het genus Mazama en het genus Muntiacus ten grondslag ligt brengt de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat verweerders besluit evident onrechtmatig is.

5.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in onderhavig geval geen sprake van onverwijlde spoed, die gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het verbod om muntjaks te houden reeds op 1 april 2015 inwerking is getreden. Bestaande (en nieuwe) houders kunnen, vanaf 1 april 2015, op grond van artikel 2.4 van de Regeling een ontheffing aanvragen van het verbod, waarmee het houden, fokken en importeren van deze dieren al dan niet onder voorwaarden mogelijk wordt. Dergelijke ontheffingen zijn blijkbaar niet aangevraagd. Niettemin had het op de weg van de houders van deze dieren, die verzoekster zegt te vertegenwoordigen, gelegen om tijdig een dergelijke ontheffing aan te vragen. Wat betreft de stelling van verzoekster dat uit uitlatingen van de kant van verweerder valt af te leiden dat aanvragen om ontheffing op voorhand geweigerd zullen worden, heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat hem een dergelijk beleid niet bekend is en dat de aanvragen door verweerder serieus in behandeling genomen zullen worden. Nu dergelijke ontheffingen (nog) kunnen worden aangevraagd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een spoedeisend belang.

Voor bestaande houders die zich hebben gemeld bij RVO.nl geldt de vrijstellingsregeling van artikel 2.3 van de Regeling. Op grond van de vrijstellingsregeling mag niet met de muntjaks worden gefokt. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het niet de voorkeur heeft van verzoekster, kan voortplanting worden voorkomen door de dieren gescheiden te houden dan wel de mannelijke dieren te castreren, hetgeen volgens verzoekster risicovol maar niet onmogelijk is. Van onomkeerbare gevolgen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2016.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. M.S. van den Berg