Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:120

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
15/583
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag, uitbetaling toeslagrechten, te laat ingediend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/583

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2016 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de bedrijfstoeslag voor het jaar 2014 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 7 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2016.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (Verordening 1122/2009) luidt, voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 11

Uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag

(…)

2. De verzamelaanvraag wordt ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum, die niet later is dan 15 mei. Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden mogen echter een latere datum vaststellen, die niet later is dan 15 juni.

(…)

Artikel 23

Te late indiening

1. (…)

Wordt de aanvraag meer dan 25 kalenderdagen te laat ingediend, dan wordt deze afgewezen.

(…)”

2.1

Appellante stelt dat zij de aanvraag bedrijfstoeslag voor het jaar 2014 tijdig heeft ingediend, zelfs wanneer deze niet met een TAN-code is verzonden. Appellante voert aan zich niet te kunnen vinden in het standpunt van verweerder dat de aanvraag bedrijfstoeslag 2014 op te laat is ontvangen. Het formulier was al op 2 mei 2014 bekend en toegankelijk voor RVO. Appellante voert hiertoe aan dat zij met een gebruikerscode en toegang tot het systeem van RVO het formulier reeds volledig had ingevuld en dat dit ingevulde formulier bekend is bij RVO in het systeem. Het is namelijk mogelijk de volgende dag een half ingevuld formulier verder in te vullen. Het is dus tijdig bij verweerder bekend geweest dat appellante het formulier had ingevuld. Het ontbreken van de TAN-codes doet daar niets aan af. Appellante heeft in dit verband gewezen op een door haar geprinte conceptaanvraag gedateerd op 2 mei 2014. Op 25 november 2014 heeft een medewerker van RVO contact gezocht met appellante met de mededeling dat er geen toeslagrechten waren aangevraagd. Appellante heeft hierna alsnog een kopie van haar conceptaanvraag ingestuurd, welke door verweerder op
10 december 2014 is ontvangen. Appellante stelt dat verweerder het digitaal ingevulde formulier had moeten behandelen zoals verweerder zou hebben gedaan in geval van een papieren aanvraag. Verweerder had appellante de mogelijkheid moeten bieden het verzuim te herstellen, zoals dit ook geldt bij een aanvraag die per post is verzonden en waarvan de handtekening ontbreekt. Wanneer de Gecombineerde opgave per post wordt verstuurd, mag deze ook worden ingediend zonder TAN-code. Appellante stelt dat in haar geval hetzelfde dient te gelden.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van appellante pas op
10 december 2014 door hem is ontvangen en dat die aanvraag te laat, want na 9 juni 2014 is ingediend. Als een opgave wordt ontvangen na 9 juni dan is verweerder op grond van artikel 11, tweede lid, en de artikelen 22 en 23 van Verordening 1122/2009 gehouden de aanvraag bedrijfstoeslag af te wijzen en kunnen er geen toeslagrechten uitbetaald worden. Om die reden heeft verweerder de aanvraag van appellante bij het primaire besluit afgewezen, welk besluit verweerder bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

2.3

Het College overweegt als volgt. Het is de verantwoordelijkheid van appellante, als aanvrager van de bedrijfstoeslag, om haar aanvraag tijdig in te dienen (zie de uitspraken van het College van 8 juli 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ2568 en 16 december 2015, ECLI:NL:CBB:2015:421). Een aanvraag als de onderhavige is slechts tijdig ingediend indien zij vóór de afloop van de termijn door de bevoegde instantie is ontvangen (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 november 2004, Maatschap Toeters en M.C. Verberk, C-171/03, ECLI:EU:C:2004:714, punt 45). Verweerder heeft uiteengezet dat hij de aanvraag van appellante pas op 10 december 2014 heeft ontvangen en dat de door appellante digitaal ingevulde aanvraag slechts als conceptaanvraag in het systeem van verweerder staat geregistreerd. Volgens verweerder betekent dit dat die digitale aanvraag niet met de benodigde TAN-code is ondertekend en dat er dus ook geen digitale verzending van die aanvraag naar verweerder heeft plaatsgevonden en die aanvraag bijgevolg ook niet door verweerder is ontvangen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen grond hierover anders te oordelen. Dat de door appellante digitaal ingevulde aanvraag als conceptaanvraag in het systeem staat geregistreerd, betekent op zich zelf genomen niet dat de digitale aanvraag is verstuurd naar en ontvangen door verweerder, omdat voor het ondertekenen en versturen van een digitale aanvraag als hier aan de orde een TAN-code nodig is. Hoewel appellante ter zitting heeft verklaard de digitale aanvraag te hebben verstuurd en niet meer zeker weet of zij daarbij gebruik heeft gemaakt van de TAN-code, moet worden vastgesteld dat de door appellante overgelegde Gecombineerde opgave 2014, gedateerd
2 mei 2014, op de laatste pagina ervan melding maakt dat de opgave nog niet is ondertekend en verstuurd, terwijl voorts vaststaat dat appellante geen ontvangstbevestiging heeft ontvangen van de betreffende opgave, daar waar deze normaal gesproken op de dag van de indiening automatisch wordt verstuurd. Bij deze stand van zaken ziet het College geen aanleiding onderzoek te laten verrichten naar een mogelijke storing van het systeem van verweerder, zoals door appellante ter zitting is verzocht. Appellante heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat zij de aanvraag op 2 mei 2014 heeft ondertekend en verstuurd aan verweerder en dat verweerder die aanvraag op die datum heeft ontvangen. Anders dan appellante heeft aangevoerd, kan de omstandigheid dat de door appellante digitaal ingevulde aanvraag als conceptaanvraag in het systeem staat geregistreerd niet op één lijn worden gesteld met een papieren aanvraag die per post is verzonden en door verweerder is ontvangen, maar die niet is ondertekend, reeds omdat in dat geval wel sprake is van een verzonden en ontvangen aanvraag. Verweerder was dan ook niet gehouden appellante in de gelegenheid te stellen haar digitale aanvraag alsnog met een TAN-code te laten ondertekenen.

2.4

Deze beroepsgrond van appellante slaagt niet.

3. De subsidiaire beroepsgrond van appellante dat het niet – tijdig – indienen van de Gecombineerde opgave 2014 moet worden aangemerkt als een kennelijke fout die nog kan worden hersteld, slaagt evenmin. Ingevolge artikel 21 van Verordening 1122/2009 mag een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend. Volgens vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 april 2013, ECLI: NL:CBB:2013:BZ8132) kan van een kennelijke fout als hiervoor bedoeld, over het algemeen alleen worden gesproken als verweerder met een summier onderzoek bij de ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 2 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:119) kan voormelde jurisprudentie niet worden toegepast als geen aanvraag is ingediend, in die zin dat het uitblijven van een aanvraag moet worden aangemerkt als een kennelijke fout. Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder 2a, van de Regeling volgt immers duidelijk dat de bedrijfstoeslag op aanvraag wordt verstrekt. De enkele omstandigheid dat een landbouwer geen aanvraag om bedrijfstoeslag indient hoeft naar het oordeel van het College door verweerder dan ook niet als een kennelijke vergissing te worden beschouwd.

4. Het beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret