Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2016:110

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
14/665
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag, verrekeningsbesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/665

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2016 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellante toegewezen bedrijfstoeslag voor het jaar 2013 verrekend met een nog openstaand bedrag van appellante voor het jaar 2012.

Bij besluit van 2 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld .

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft voor 2012 verzocht om uitbetaling van haar toeslagrechten en daartoe 23 percelen opgegeven met gewascode 3718 voor natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteit.

1.2

Verweerder heeft bij besluit van 18 januari 2013, zoals gehandhaafd in het besluit van 2 mei 2013, de opgegeven percelen geheel afgekeurd en de bedrijfstoeslag 2012 vastgesteld op nihil onder toepassing van een uitsluiting van bedrijfstoeslag voor een bedrag van

€ 40.821,68.

1.3

Appellante heeft tegen het besluit van 2 mei 2013 beroep ingesteld bij het College. Het College heeft bij uitspraak van 17 november 2015 het beroep van appellante ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2015:392).

1.4

Bij besluit van 30 april 2014 heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2013 vastgesteld op € 35.893,48.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2013 verrekend met de nog openstaande uitsluiting voor de bedrijfstoeslag van appellante van € 40.821,68. Dit heeft ertoe geleid dat appellante voor het jaar 2013 geen bedrijfstoeslag heeft ontvangen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. In de considerans van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van
30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (Verordening 1122/2009) staat, voor zover en ten tijde van belang, het volgende:

“ (…)

(75) Bij de vaststelling van verlagingen en uitsluitingen moet rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en met de bijzondere problemen die door overmacht of door buitengewone en natuurlijke omstandigheden kunnen worden veroorzaakt. Wat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden betreft, mogen verlagingen en uitsluitingen alleen worden toegepast wanneer de landbouwer nalatig is geweest of met opzet heeft gehandeld. De verlagingen en uitsluitingen moeten worden gedifferentieerd naar gelang van de ernst van de onregelmatigheid en moeten gaan tot de volledige uitsluiting van een of meer steunregelingen gedurende een bepaalde periode. Wat de subsidiabiliteitscriteria betreft, moet bij de vaststelling van de verlagingen en uitsluitingen rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende steunregelingen.

(…)”

Artikel 58 “Verlagingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte” van Verordening 1122/2009 luidde, voor zover en ten tijde van belang, als volgt:

“Indien voor een gewasgroep de oppervlakte die is aangegeven met het oog op welke oppervlaktegebonden steunregeling dan ook, groter is dan de overeenkomstig artikel 57 geconstateerde oppervlakte, wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of meer dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, dan wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend.

Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 57 van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie. Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.”

Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het ELFPO luidde, voor zover en ten tijde van belang, als volgt:

“Artikel 5ter

Inningsmethode

Onverminderd de andere handhavingsmaatregelen waarin het nationale recht voorziet, verrekenen de lidstaten elke nog openstaande vordering op een begunstigde die overeenkomstig het nationale recht vast is komen te staan, met welke betaling dan ook die het voor de inning van de vordering verantwoordelijke betaalorgaan in de toekomst aan dezelfde begunstigde moet doen.”

3. Appellante voert aan dat de uitsluiting van bedrijfstoeslag 2013 onrechtmatig is en dat er geen rekening is gehouden met haar belangen. Appellante wordt nu voor het tweede achtereenvolgende jaar geconfronteerd met afwijzing van toeslagrechten die voorheen telkenjare volledig werden erkend en uitbetaald, op basis van exact dezelfde omstandigheden. Appellante wijst hierbij op paragraaf 75 van de considerans van Verordening 1122/2009 waaruit volgt dat bij de vaststelling van verlagingen en uitsluitingen rekening moet worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en met de bijzondere problemen die door overmacht of door buitengewone en natuurlijke omstandigheden kunnen worden veroorzaakt. Appellante stelt dat de gang van zaken voor haar onevenredig zware consequenties heeft en dat er in haar geval sprake is geweest van een buitengewone omstandigheid waardoor er rekening gehouden moet worden met het evenredigheidsbeginsel. Appellante heeft voor 100% voldaan aan alle beheerstechnische eisen. Enkel op het punt van de (digitale) vastlegging is er halverwege eenzijdig vanuit verweerder een administratieve wijziging doorgevoerd, waarover de betrokken ondernemers niet tevoren zijn geïnformeerd. De 100% korting op de toeslagrechten 2012 is in de gegeven situatie onrechtmatig en onrechtvaardig. De toepassing van artikel 58, derde volzin van Verordening 1122/2009 voor de toeslagrechten 2013 is evenzeer onrechtmatig.

4. Het College overweegt als volgt. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat de vaststelling van de uitsluiting van bedrijfstoeslag voor het jaar 2013 voor een bedrag van
€ 40.821,68 reeds heeft plaatsgevonden bij het besluit van 18 januari 2013. De uitsluiting van bedrijfstoeslag voor het jaar 2013 staat met de uitspraak van het College van
17 november 2015 dus reeds in rechte vast, zodat in dit beroep slechts aan de orde kan komen of de verrekening van de bedrijfstoeslag op juiste wijze is toegepast. Het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel en haar verwijzing daarbij naar punt 75 van de considerans van Verordening 1122/2009 kan haar niet baten, nu dat punt blijkens de tekst ervan ziet op de vaststelling van verlagingen en uitsluitingen en niet op de verrekening als zodanig. Nu appellante tegen de verrekening als zodanig geen argumenten heeft aangevoerd, is het beroep ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret