Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:78

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
AWB 15/138
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening afgewezen, naar voorlopig oordeel overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren, korte begunstigingstermijn toegestaan.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/138

11351

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.L. Baar),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris), verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 (besluit) heeft de staatssecretaris verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van meerdere bepalingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren.

Tegen dit besluit is op 13 februari 2015 door verzoeker bezwaar gemaakt. Hij heeft

de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn partner [naam 2]. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor de staatssecretaris zijn daarnaast verschenen [naam 3], dierenarts bij de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit (NVWA), [naam 4], inspecteur bij de NVWA en [naam 5], werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. De staatssecretaris heeft op 20 januari 2015 een last onder bestuursdwang opgelegd omdat geconstateerd is dat het welzijn en de gezondheid van de schapen van verzoeker is aangetast. De staatssecretaris heeft zich daarbij gebaseerd op de bevindingen en conclusies van twee inspecteurs en de toezichthoudend dierenarts van de NVWA naar aanleiding van hun bezoek aan het bedrijf van verzoeker op 19 januari 2015. Uit de op 29 januari 2015 opgemaakte veterinaire verklaring van de dierenarts en het op 2 februari 2015 door de inspecteurs van de NVWA opgemaakte toezichtsrapport blijkt onder meer het volgende:

Op twee aan elkaar grenzende percelen verblijven op 19 januari 2015 twee groepen schapen, een groep van (ongeveer) 95 schapen (grotendeels van het ras Hebrideans) en een groep van (ongeveer) 260 schapen (het merendeel Kempisch heideschaap). De percelen zijn vrij nat en beschikken niet over schuilmogelijkheden. Op het perceel waar de 95 schapen verblijven staat een geringe hoeveelheid gras, op het perceel waar de 260 schapen verblijven staat zo goed als geen eetbaar gras meer. De voedingswaarde van het gras is in deze tijd van het jaar zeer gering. Op geen van de percelen zijn tekenen aanwezig dat de dieren bijgevoed worden. Met name bij de groep van 260 schapen bestaat op basis van visuele waarneming het vermoeden dat de dieren in een matige tot slechte conditie zijn. Een deel van de schapen is zeer mager. Verder wordt geconstateerd dat een groot deel van de schapen een huidaandoening heeft. Ten minste 60% vertoont wolverlies en jeuk en veel van deze schapen zijn aan het krabben en bijten. Daarnaast wordt bij tenminste 10% van de schapen wratachtige beschadigingen geconstateerd. Zowel bij de groep van 95 als bij de groep van 260 schapen worden tevens meerdere ernstig kreupele schapen aangetroffen. In een stal bij het huis van verzoeker worden circa 14 zieke/zwakke schapen aangetroffen. Verzoeker heeft voor de schapen op de percelen noch voor de schapen op de stal recentelijk een dierenarts geconsulteerd. Ook heeft verzoeker de schapen niet zelf behandeld tegen huidparasieten. Op basis van het aantal aangetroffen dieren in vergelijking met het aantal dieren dat in het I&R register staat geregistreerd wordt geconstateerd dat ten minste 60 schapen in 2014 en 2015 op het bedrijf van verzoeker zijn gestorven.

Volgens de staatssecretaris is er om die redenen sprake van overtreding van artikel 2.1, eerste en zesde lid, van de Wet dieren, artikel 1.7 onder a, c en e en artikel 2.4, vierde en vijfde lid, van het Besluit houders van dieren.

Bij de last onder bestuursdwang van 20 januari 2015 heeft de staatssecretaris verzoeker opgedragen vier maatregelen te treffen:

1. Consulteer een dierenarts over de conditie van uw zieke en kreupele schapen.

Begin met het uitvoeren van het (eventuele) behandelplan, opgesteld door de dierenarts.

2. Consulteer een dierenarts over de huid/wol-aandoening van uw schapen. Begin met het uitvoeren van het (eventuele) behandelplan, opgesteld door de dierenarts.

3. Zorg dat een ziek dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op een passende wijze wordt verzorgd en zo nodig wordt afgezonderd. Een aantal schapen van u lijkt ziek en kreupel en moet u uit de wei halen en in de stallen verzorgen.

4. Zorg dat uw schapen over een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt ruwvoer kunnen beschikken, zodat uw dieren in goede gezondheid blijven en aan hun voedingswaarde wordt voldaan. Dit voer moet toegankelijk zijn voor uw dieren.

De maatregelen moeten uiterlijk 21 januari 2015 om 14:00 uur genomen zijn.

In de bijlage van het besluit is een overzicht gegeven van relevante wet- en regelgeving.

Op 21 januari 2015 hebben de inspecteurs van de NVWA opnieuw een bezoek afgelegd aan de percelen met de door verzoeker gehouden schapen. Blijkens het toezichtsrapport hebben zij geconstateerd dat de kreupele en erg magere schapen nog in de groep lopen. Van de groep van 260 schapen wordt de conditie van 30 schapen door de dierenarts manueel beoordeeld. Op grond daarvan wordt geconstateerd dat geen van de dieren een goede conditie heeft en bijna de helft een slechte (score 2 of minder). Bij de schapen op de percelen is geen dierenarts geweest en de schapen zijn niet behandeld. De groep van 260 schapen is verweid naar een perceel met iets meer gras. Ze zijn bijgevoerd met hooi, maar van slechte kwaliteit, waarmee niet in de voedingsbehoefte is voorzien. De rest van schapen, op het andere perceel en in de stal is wel voldoende bijgevoerd. Bij de schapen in de stal is een dierenarts geweest. Deze heeft twee schapen geëuthanaseerd.

Op basis van deze bevindingen wordt geconstateerd dat de maatregelen 1, 2 en 3 voor de schapen op de percelen niet is uitgevoerd. Maatregel 4 is voor de groep van 260 schapen slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Op grond van het niet (geheel) uitvoeren van de maatregelen, de slechte conditie van de circa 260 schapen, in combinatie met de omstandigheid dat in november 2012 ook circa 350 van verzoekers schapen zijn afgevoerd vanwege onvoldoende verzorging, wordt door de staatssecretaris besloten tot de toepassing van bestuursdwang over te gaan en de groep van 260 schapen mee te voeren naar een opvangstal om ze op de juiste wijze te huisvesten en verzorgen. Eén schaap blijkt tijdens het transport te zijn overleden. Van het meevoeren van de schapen is een proces-verbaal van meevoeren en opslaan opgemaakt dat aan verzoeker is uitgereikt.

Op 24 januari 2015 zijn alle schapen in de opvangstal in aanwezigheid van de praktiserend dierenarts [naam 6] beoordeeld en alle merken uitgelezen. Vastgesteld wordt dat alle dieren een slechte conditie hebben. Ze blijken lusteloos, erg onzeker en staan zwak op hun poten.

Op 27 januari 2015 worden de nummers opgenomen van de achtergebleven dieren. Nu alle nummers bekend zijn, wordt geconstateerd dat 89 schapen op het bedrijf van verzoeker dood zijn gegaan op het bedrijf van verzoeker in 2014 en 2015.

Ter zitting wordt door verweerder naar voren gebracht dat inmiddels de conditie van de in bewaring genomen schapen is verbeterd, maar nog steeds slecht is. Het overgrote merendeel van de schapen heeft nog steeds een conditiescore van 0,5 - 1, terwijl verweerder als maatstaf hanteert dat zij een conditiescore van 2 moeten hebben voordat zij weer naar het bedrijf van verzoeker kunnen terugkeren. Het zal eerder een kwestie van weken dan van dagen zijn, alvorens dit is bereikt.

3. Het verzoek strekt er toe het besluit van 20 januari 2015 te schorsen en de in beslag genomen dieren aan verzoeker terug te geven.

Met inwilliging van dit verzoek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf een spoedeisend belang gemoeid, waarbij mede in aanmerking is genomen dat de kosten van opvang van de dieren per dag stijgen. Dit wordt niet anders door het betoog van verweerder ter zitting dat tegenover deze kosten voor verzoeker een besparing op de verzorgingskosten zou staan. Verzoeker heeft op dit betoog gereageerd door er op te wijzen dat hij slechts geringe verzorgingskosten heeft, onder meer omdat bij de schapen afhankelijk van het seizoen niet of nauwelijks bijvoert.

4.1

Verzoeker heeft aangevoerd dat het toezichtsrapport een aantal evidente onjuistheden bevat. Zo is het volgens verzoeker onjuist dat de toezichthoudend dierenarts zich bij de controle op 19 januari 2015 zou hebben gelegitimeerd. Er wordt gesteld dat er in 2011 en 2012 overtredingen zijn geconstateerd en gerapporteerd. Verzoeker kan zich echter niet herinneren dat dit rapport hem ooit ter beschikking is gesteld en een procedure waarin hij zich heeft kunnen verweren is er niet geweest. Verzoeker ontkent de stelling in het rapport dat hij in een gesprek met toezichthouder [naam 4] op 29 mei 2013 zou hebben aangegeven dat hij de verzorging van een groep schapen groter dan 100 niet aan zou kunnen. Het rapport maakt melding van UBN-nummer [… 1] terwijl het UBN-nummer van verzoeker [… 2] is. In het rapport wordt opgemerkt dat er op een perceel een groep van 90 tot 95 schapen liep, waarvan een gedeelte de kenmerken had van het Kempische heideschaap. Op dat perceel liepen echter in het geheel geen Kempische heideschapen, maar Drentse heideschapen, Hebrideans en Heidschnucke. De stelling in het rapport dat een deel van de percelen waarop de schapen stonden was kaal gegeten en het gras qua voedingswaarde van matige kwaliteit was, is niet met stukken of foto’s onderbouwd. Verzoeker heeft zelf foto’s ingebracht, waaruit blijkt dat de foto’s niet grotendeels kaal zijn en evenmin grotendeels erg nat en bedekt met een laag modder zijn. Dat er volgens het rapport geen biks in de stal aanwezig was en er geen voerbakjes zouden zijn, rechtvaardigt niet de twijfel van de controleurs dat verzoeker niet ook de schapen in die stal met biks heeft bijgevoerd. Dat de schapen schurft hadden en/of zouden zijn besmet met het papillomavirus is niet onderbouwd. Het verrichte onderzoek was ook onvoldoende om dit te kunnen vaststellen.

Tevens is volgens verzoeker de dierenartsverklaring waaruit de conditie van de schapen zou moeten blijken, volstrekt onvoldoende. Er is geen naam dierenarts op vermeld, geen plaats en ook geen datum van onderzoek. Uit het document blijkt niet hoeveel schapen zijn onderzocht en er zijn geen maten of gewichten ingevuld. De constatering dat er huidontsteking is vastgesteld, wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Van belang is voorts dat niet blijkt dat rekening is gehouden met specifieke raskenmerken. Zo is van Hebridean schapen bekend dat hun conditie lager ligt dan bij gewone schapen.

4.2

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de schapen mager waren, schurft hadden en dat een aantal van hen kreupel was of wratten had. Uit de overgelegde foto’s die zijn gemaakt toen de schapen al in de opvang verbleven, blijkt dat zij toen nog steeds leden aan wolverlies, mager waren en dat bij een aantal van hen een wratachtige aandoening zichtbaar is. In de afgelopen tijd is er een abnormaal grote sterfte geweest op het bedrijf van verzoeker. Verzoeker kan de verzorging van zoveel schapen niet aan en verkeert wat dat betreft nog steeds in een ontkenningsfase. Er ontbreekt door een kennelijke verschrijving inderdaad een keer een cijfer in een door verweerder genoemd UBN-nummer maar het is uitgesloten dat niet op het juiste bedrijf is gekeken. Bij de in bewaring genomen schapen zijn geen restanten biks gevonden en biks was slechts in zeer beperkte mate op het bedrijf aanwezig. Het is waar dat schapen van de op het bedrijf van verzoeker gehouden rassen veel kunnen hebben, Hebrideans meer dan de Kempische heideschapen, maar daar zit een grens aan en met deze schapen was echt iets aan de hand. De groep van 95 schapen waaronder zich de Hebrideans bevonden, is niet in bewaring genomen. De bestuursdwang zag op de groep van 260 die voor het overgrote deel uit Kempische heideschapen bestond.

4.3

De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd – wat daar verder van zij – niet af kan doen aan de constatering dat de schapen, althans de overgrote meerderheid van hen, mager was en dat zij in een slechte conditie verkeerden. Dat er schapen kreupel waren, is door verzoeker niet bestreden. De voorzieningenrechter acht de diagnose door dierenarts [naam 3] dat de schapen schurft hadden en een aantal van hen aan een wratachtige aandoening leed – mede gelet op de overgelegde foto’s – een voldoende onderbouwing voor de stelling van verweerder dat er zieke schapen aanwezig waren. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat de feiten verweerder voldoende grondslag boden voor het opleggen van de last onder bestuursdwang.

5.1

Verzoeker voert voorts aan dat uit het besluit onvoldoende blijkt welke maatregelen hij diende te nemen. Volgens verzoeker is weliswaar in de bijlage bij het besluit te zien welke wet- en regelgeving geldt, maar blijkt uit het besluit niet welke specifieke voorschriften uit de wet zijn overtreden. Het besluit meldt slechts dat de gezondheid en het welzijn van de schapen zijn aangetast, terwijl uit het toezichtsrapport van de NVWA zou moeten blijken welke overtredingen zijn vastgesteld. Door geen omschrijving van de overtreding in het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang op te nemen, is niet aan de vereisten van artikel 5:9 Awb voldaan. Daarmee is sprake van een vormverzuim dat niet met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden gepasseerd. Verzoeker is door dit vormverzuim wel degelijk benadeeld en in zijn belangen geschaad. Het toezichtsrapport waaruit zou moeten blijken welke overtredingen tijdens de controle zijn vastgesteld, is pas op 7 februari 2015 – bijna drie weken na het opleggen van de last – aan verzoeker verzonden. De in het besluit opgenomen omschrijving van de te nemen maatregelen is door het ontbreken van een omschrijving van de overtreding te beknopt om te weten tot uitvoering van welke last verzoeker gehouden was. In eerdere jurisprudentie (13 mei 2014; ECL:NL:CBB:2014:175; uitspraak van 13 mei 2014) overwoog de voorzieningenrechter van het College dat het onzorgvuldig was dat het toezichtsrapport waaruit blijkt welke overtredingen zijn geconstateerd pas na afloop van de begunstigingstermijn werd toegezonden. In die zaak zou verzoeker door die handelwijze niet zijn geschaad omdat feitelijk pas enkele weken na toezending hercontrole plaatsvond, terwijl in het onderhavige geval de begunstigingstermijn al op 21 januari 2015 afliep.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voor verzoeker voldoende duidelijk was aan welke last hij diende te voldoen.

5.3

De voorzieningenrechter constateert dat het toezichtsrapport wat betreft de omschrijving van de overtredingen en van de overtreden voorschriften specifieker is dan het besluit. Weliswaar worden de overtreden bepalingen ook genoemd in de bijlage bij het besluit, maar het toezichtsrapport onderscheidt zich in het opzicht dat de geconstateerde overtredingen zijn omschreven en alle aan een specifieke bepaling uit de Wet dieren dan wel het Besluit houders van dieren zijn gekoppeld. De voorzieningenrechter kan verzoeker echter niet volgen in zijn betoog dat nu deze specifieke omschrijving van de overtredingen in het besluit ontbreekt, verzoeker niet wist tot welke last hij gehouden was. De voorzieningenrechter acht de opsomming in het besluit van concreet te nemen maatregelen voldoende duidelijk en ziet niet in wat het toezichtsrapport – dat verzoeker klaarblijkelijk wél toereikend acht – op dit punt toevoegt. De voorzieningenrechter komt derhalve tot het voorlopige oordeel dat de betwiste handelwijze van verweerder in ieder geval niet tot toewijzing van het verzoek tot voorlopige voorziening kan leiden omdat verzoeker hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.

6.1

Verzoeker acht de hen gegeven begunstigingstermijn te kort. De termijn verstreek een krappe 24 uur na uitreiking van het besluit, terwijl gelast werd om een groot aantal maatregelen te treffen. Daar komt nog bij dat niet duidelijk was welke maatregelen exact gevergd werden van verzoeker en dat onder meer werd gelast om enkele schapen die ziek of gewond leken uit de weide te halen en op stal te verzorgen, een dierenarts te consulteren en om te beginnen met het uitvoeren van een eventueel behandelplan. Van een dierenarts kan niet worden gevergd dat hij binnen 24 uur alle 370 schapen heeft onderzocht en dat hij zou zijn begonnen met de behandeling van alle zieke, gewonde of zwakke schapen. Hier doet niet aan af dat de controleurs al op 19 januari 2015 op het bedrijf van verzoeker zijn geweest. Dit is slechts een mondelinge aankondiging geweest dat er een last zou worden opgelegd en zelfs als er van kan worden uitgegaan dat verzoeker een dag extra heeft gehad, brengt dit nog niet met zich dat de termijn redelijk was. Verzoeker verwijst naar jurisprudentie van het College waaruit blijkt dat indien er geen acute noodsituatie is, een redelijke termijn dient te worden geboden om zelf maatregelen te treffen (12 april 2012; ECLI:NL:CBB:2012:BW3451) en dat een onredelijk korte begunstigingstermijn kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit (30 januari 2015; ECLI:NL:CBB:2015:21).

6.2

Verweerder erkent dat de begunstigingstermijn kort was, maar dit laat zich volgens hem verklaren doordat de last simpel was. De dierenarts had nog dezelfde dag een behandelingsplan kunnen maken.

6.3

De voorzieningenrechter constateert met partijen dat dat de begunstigingstermijn kort was, maar volgt in zijn voorlopig oordeel het verweer dat de formulering van de last zodanig was, dat hieraan ook in korte tijd kon worden voldaan. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de in het besluit onder 1 en 2 genoemde maatregelen. Verzoeker leidt hier klaarblijkelijk uit af dat van hem werd gevergd dat hij binnen 24 uur alle schapen liet onderzoeken en zo nodig behandelen. Met verweerder leest de voorzieningenrechter dat kon worden volstaan met de consultatie van een dierenarts en het begin van uitvoering van een behandelplan. In dit licht kan de termijn van 24 uur naar voorlopig oordeel niet als onredelijk kort worden aangemerkt. De voorzieningenrechter merkt hierbij ook op dat onder omstandigheden met een (zeer) korte begunstigingstermijn kan worden volstaan en dat de toestand waarin de schapen verkeerden een factor vormde die pleitte tegen de toekenning van een langere termijn.

7.1

Verzoeker stelt zich vervolgens op het standpunt dat hij bij het verstrijken van de begunstigingstermijn op 21 januari om 14.00 uur al was begonnen met uitvoering van de gelaste maatregelen. Enkele schapen waren verweid naar een aangrenzend perceel waar nog eetbaar gras stond. De schapen waren bijgevoerd en verzoeker heeft aan de controleurs kenbaar gemaakt dat hij beide groepen schapen later die middag zou bijvoeren met een betere kwaliteit hooi. De dierenarts had op het tijdstip van de controle op 21 januari 2015 de schapen in de stal al onderzocht. Nu de opgelegde maatregelen inhielden dat er een dierenarts zou worden geconsulteerd, is wat dit betreft in ieder geval aan de maatregelen voldaan.

Verzoeker vraagt zich af wat in een dergelijk kort tijdsbestek in redelijkheid meer van hem had kunnen worden verwacht. Uit de nacontrole op 26 januari 2015 blijkt dat de lichaamsconditie van de schapen gemiddeld beter was en dat er een behandelplan was opgemaakt. Hieruit blijkt dat verzoeker voor de niet inbeslaggenomen schapen de maatregelen is blijven uitvoeren en ook dat uitvoering van de maatregelen op het bedrijf van verzoeker zelf kon plaatsvinden.

Verzoeker wijst er ook op dat de toepassing van bestuursdwang niet kan worden gedragen door de beoordeling van de conditie van de schapen door de dierenarts zoals weergegeven in de dierenartsverklaring. Deze beoordeling heeft pas in de opvang plaatsgevonden. De eerste beoordeling op conditie had betrekking op een beperkt aantal schapen, waarbij niet blijkt dat het om een aselecte steekproef ging. De vermeend slechte conditie is niet aan het besluit ten grondslag gelegd. Als verweerder meent dat op basis van de conditie van de schapen maatregelen moesten worden genomen, had hij een nieuw besluit moeten nemen. Verzoeker verwijst in dit verband wederom naar de uitspraak van 13 mei 2014.

7.2

Verweerder erkent dat met het bijvoeren een begin was gemaakt, maar aan de groep van 260 schapen was voer van onvoldoende kwaliteit gegeven. Er was een dierenarts geconsulteerd, maar die dierenarts was niet bij de meegenomen dieren geweest. Als was gebleken dat ook bij die groep een begin was gemaakt met een begin van de behandeling van de dieren, dan zou verweerder de termijn hebben verlengd. De toezichthoudend dierenarts heeft 30 schapen manueel onderzocht. De onderzochte schapen waren de schapen die voorop liepen en daardoor als eerste konden worden gevangen. De dieren die voorop lopen zijn juist de schapen die in een minder slechte conditie verkeerden.

7.3

De voorzieningenrechter constateert dat wat betreft de mate waarin verzoeker tijdig aan de opgelegde last heeft voldaan, er een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt tussen de groep van 95 schapen en de groep van 260. Weliswaar heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ook wat betreft de groep van 95 niet volledig aan de last was voldaan, maar nu verweerder hierin geen aanleiding heeft gezien om ten aanzien van deze groep tot bestuursdwang over te gaan, kan dit verder buiten beschouwing blijven. Uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht omtrent de groep van 260 schapen blijkt dat voor deze schapen slechts in beperkte mate aan de last is voldaan. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar zijn overwegingen onder 6 over de inhoud van de last voor zover deze ziet op de consultatie van een dierenarts. Hieraan was voor de groep van 260 schapen niet voldaan.

De voorzieningenrechter kan verweerder volgen in zijn standpunt dat voor zover het onderzoek door de dierenarts betrekking had op een aselecte steekproef van de schapen, het juist de dieren betrof die er relatief het minst slecht aan toe waren, zodat er geen aanleiding is om aan te nemen dat dit onderzoek een te negatief beeld geeft van de gezondheidstoestand van de groep als geheel. Dat de slechte conditie van de schapen niet wordt genoemd in de last onder bestuursdwang, kan verder buiten beschouwing blijven gelet op het hierboven gegeven oordeel dat dat ten aanzien van de groep van 260 schapen slechts in beperkte mate aan de opgelegde last was voldaan.

De voorzieningenrechter komt derhalve tot het voorlopige oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat verzoeker voor de groep van 260 schapen niet tot bestuursdwang mocht overgaan.

8.1

Verzoeker voert tot slot onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van 24 juli 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:294; uitspraak van 24 juli 2014) aan dat het rauwelijks meevoeren van de schapen op 21 januari 2015 niet proportioneel is. De in de last onder bestuursdwang opgesomde maatregelen waren alle goed te realiseren op het bedrijf van verzoeker.

8.2

Verweerder heeft hier tegen ingebracht dat is onderzocht of behandeling ter plekke kon plaatsvinden, maar is geconcludeerd dat daartoe de stalcapaciteit ontbrak.

8.3

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor een oordeel dat het meevoeren van de 260 schapen op 21 januari 2015 niet proportioneel zou zijn. De verwijzing van de uitspraak van 24 juli 2014 treft geen doel, aangezien het daar een zaak betrof waarin verweerder spoedbestuursdwang had toegepast, terwijl het naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verweerder had gelegen om een desnoods (zeer) korte begunstigingstermijn te geven. Voorts geldt dat verweerder wel degelijk akkoord is gegaan met opvang en behandeling van zieke dieren op het bedrijf van verzoeker en hieraan ten aanzien van de groep van 95 schapen ook uitvoering is gegeven. Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, geeft de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de stalcapaciteit van verzoeker onvoldoende was om ook de zieke dieren uit de groep van 260 schapen op het bedrijf van verzoeker de nodige verzorging te bieden.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2015.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. A.G.J. van Ouwerkerk