Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:452

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
20-01-2016
Zaaknummer
14/520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/520

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om bedrijfstoeslag voor het jaar 2013 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) alsnog afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 23 december 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit herzien en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellant is landbouwer. Op 21 november 2013 hebben twee controleurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het bedrijf van appellant bezocht voor een onaangekondigde controle op de naleving van randvoorwaarden. Hiervan is een Bedrijfscontrolerapport (rapport) gedateerd 17 december 2013 opgesteld. In dit rapport staat het volgende:

“(…)

Wij hebben ons aan [appellant] gelegitimeerd als toezichthouder en het doel van de controle medegedeeld. De aanvrager/houder [appellant] weigerde de controle en de toegang tot de stallen van de gehouden runderen. De aanvrager/houder [appellant] wilde zelf bij de controle aanwezig zijn maar vond het maaien van gras meer prioriteit hebben dan een controle.

Wij hebben de aanvrager/houder [appellant] tweemaal op de hoogte gesteld welke consequenties het weigeren van een controle kan inhouden. Wij hebben de aanvrager/houder [appellant] medegedeeld dat een weigering gevolgen kan hebben voor de uitkering van de inkomenssteun en hem gevraagd of hij dat ook begrepen heeft. [Appellant] knikte bevestigend. De aanvrager/houder [appellant] weigerde ook daarna ons medewerking en de toegang tot de bedrijfsruimte te verlenen waar de runderen worden gehouden.

(…)”

2. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder bestreden besluit I ingetrokken en de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Verweerder is van mening dat appellant de controle op 21 november 2013 actief heeft verhinderd en heeft om die reden de aanvraag van appellant voor uitbetaling bedrijfstoeslag 2013 alsnog afgewezen.

3. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II. Ter zitting heeft appellant verklaard geen belang te hebben bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden
besluit I. In zoverre verklaart het College het beroep van appellant niet-ontvankelijk.

4.1

Appellant voert aan dat het rapport een zeer ingekorte en onvolledige versie betreft van wat zich heeft afgespeeld ten tijde van de onaangekondigde controle op
21 november 2013. Appellant verbindt hieraan de consequentie dat het rapport niet als basis kan dienen om de aanvraag voor uitbetaling bedrijfstoeslag 2013 af te wijzen.

4.2

Het College is van oordeel dat deze beroepsgrond faalt. Het rapport bevat overeenkomstig artikel 54 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van
30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (Verordening 1122/2009) de bevindingen van de controleurs. De hiervoor onder 1 weergegeven bevindingen in het rapport heeft appellant niet bestreden. Aangezien appellant voorts niet heeft geconcretiseerd op welke voor de beoordeling van deze zaak relevante onderdelen van het rapport dit rapport tekortschiet, moet worden geoordeeld dat verweerder bij zijn besluitvorming mocht uitgaan van die bevindingen in het rapport.

5.1

Voorts voert appellant aan dat hij de uitvoering van de controle ter plaatse niet heeft verhinderd. Hij heeft de controleurs immers uitgenodigd om op een later moment terug te komen. Appellant was op 21 november 2013 druk met de laatste grasoogst van het jaar en had geen goed gevoel bij de controle. Daarbij was appellant op dat moment niet bekend met het begrip “NVWA” en ging hij ervan uit dat bedrijfscontroles door de Algemene Inspectiedienst werden uitgevoerd. Appellant is van mening dat hij het recht en de plicht heeft om voor zichzelf na te gaan of de bedrijfscontrole door de juiste instantie uitgevoerd wordt.

5.2

Het College overweegt hierover als volgt. Uitgaande van de bevindingen in het rapport staat vast dat de onaangekondigde controle op 21 november 2013 geen doorgang heeft kunnen vinden door de weigering van appellant. Dat appellant, zoals hij aanvoert, twijfels koesterde over de wijze en/of omstandigheden van de controle of de controleurs kan hem niet baten. Van een landbouwer als appellant die bedrijfstoeslag heeft aangevraagd mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de voorwaarden van de betreffende regelingen en de daarbij behorende controles. Bij de indiening van de Gecombineerde Opgave 2013 heeft appellant verklaard bekend te zijn met de regels en verplichtingen van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Uit het rapport blijkt dat de controleurs zich hebben gelegitimeerd en het doel van de controle aan appellant hebben medegedeeld. Voor zover appellant desondanks twijfels had over de wijze en/of omstandigheden van de controle of de controleurs, lag het op zijn weg die twijfels ten tijde van de controle kenbaar te maken. Appellant heeft dit niet gedaan, maar heeft volhard in de weigering medewerking aan de controle te verlenen. Appellant heeft aldus de uitvoering van een controle ter plaatse verhinderd, zodat verweerder gehouden is op grond van artikel 26 van Verordening 1122/2009 om de aanvraag van appellant af te wijzen. Hoewel niet is uitgesloten dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden de landbouwer zich zou kunnen beroepen op een noodsituatie in het bedrijf die het voor hem onmogelijk maakte om op dat moment mee te werken aan de controle, moet worden geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het maaien van het gras in dit geval zo urgent was dat appellant niet kon meewerken aan de controle.

De beroepsgrond van appellant slaagt dus niet.

6.1

Appellant voert verder aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Toen appellant de beslissing vaststelling bedrijfstoeslag 2013 van 14 december 2013 had ontvangen, ging appellant ervan uit dat alles in orde bevonden was door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De bedrijfscontrole had immers al in november 2013 plaatsgevonden. Appellant kan zich niet vinden in het standpunt van verweerder dat het logisch zou zijn dat de resultaten van de controle in november 2013 nog niet verwerkt zijn in de beslissing van 14 december 2013. Daar komt bij dat appellant naar aanleiding van een controle op 28 en 29 november 2013 kosten heeft gemaakt voor DNA-onderzoek (ca. € 7.400,-) om de identiteit van 33 runderen te kunnen aantonen. Appellant heeft tijdens die controle nadrukkelijk aangegeven dat hij hiertoe bereid was onder de voorwaarde dat hij inkomenssteun zou ontvangen.

6.2

Deze beroepsgrond van appellant slaagt evenmin. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt heeft appellant niet aangetoond dat aan hem is toegezegd dat hij niet alsnog gekort zou worden op de bedrijfstoeslag 2013. Bovendien kan, zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 december 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:489), op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie het vertrouwensbeginsel niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling worden aangevoerd en kan een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige behandeling opwekken (zie het arrest van 20 juni 2013, zaak C‑568/11, Agroferm, ECLI:EU:C:2013:407, punt 52 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak).

7.1

Ten slotte voert appellant aan onevenredig getroffen te worden door de afwijzing van zijn aanvraag bedrijfstoeslag voor het jaar 2013.

7.2

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond artikel 26, tweede lid van Verordening 1122/2009 dient verweerder de betrokken steunaanvragen af te wijzen, indien de landbouwer of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert. Voor zover appellant zich beroept op het evenredigheidsbeginsel slaagt dit beroep niet. Ingevolge artikel 3:4 van de Awb weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift een beperking voortvloeit. In dit geval vloeit die beperking voort uit artikel 26, tweede lid, van Verordening 1122/2009.

8. Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het besluit II ongegrond is.

9. Aangezien het instellen van beroep heeft geleid tot een nieuw besluit, waarmee gedeeltelijk aan het beroep is tegemoetgekomen, acht het College termen aanwezig om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten die appellant in verband met de beroepsprocedure heeft moeten maken. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I
    niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2015.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret