Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:446

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-12-2015
Datum publicatie
19-01-2016
Zaaknummer
14/793
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vakbekwaamheid, procuratiehouder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/793

14914

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2015 in de zaak tussen

1. V.O.F. [naam 1], te [plaats 1] (hierna: de VOF),

2. [naam 2], te [plaats 2] ,

3. [naam 3], te [plaats 1] , en

4. [naam 4], te [plaats 3] ,

appellanten

(gemachtigde: mr. B.A.S. van Leeuwen),

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. M.B. Gschwind).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, de aanvraag van de VOF van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000 afgewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de VOF en appellanten onder 2 en 3 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Over de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover ingediend door appellant onder 4, overweegt het College het volgende. Appellant onder 4 is de procuratiehouder van de VOF. Bij de afwijzing van de vergunning heeft hij geen rechtstreeks belang, maar een belang dat is afgeleid van het belang van de VOF. Om die reden kan hij niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep voorzover ingediend door appellant onder 4 moet daarom niet‑ontvankelijk worden verklaard.

2. Voor zover het beroep is ingediend door de overige appellanten, te weten de VOF en haar twee vennoten, overweegt het College het volgende. Verweerder heeft de taxivergunning geweigerd, omdat de VOF niet voldoet aan de eis van vakbekwaamheid. De vakbekwaamheid wordt volgens de aanvraag ingebracht door de procuratiehouder. Verweerder meent echter dat de procuratiehouder niet permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer. Tussen partijen is niet in geschil dat de twee vennoten niet voldoen aan de eis van vakbekwaamheid.

3. Een taxivergunning wordt alleen verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, zo volgt uit artikel 76, vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000. De eisen van vakbekwaamheid zijn nader uitgewerkt in onder meer artikel 26 van het Besluit personenvervoer 2000. Daarin is bepaald dat degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, voldoet aan de eis van vakbekwaamheid of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen (zie artikel 26, tweede lid, van het Besluit personenvervoer 2000).

4. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de in bezwaar overgelegde documenten, de Verklaring inbreng vakbekwaamheid (Verklaring) en een procuratieovereenkomst, niet aannemelijk maken dat de procuratiehouder permanent en daadwerkelijk leiding zal geven aan appellante onder 1. Verweerder constateert dat sprake is van discrepantie tussen de omschreven taken van de procuratiehouder in deze twee documenten en ook dat het aantal uren waarin de vakbekwame persoon werkzaam zal zijn voor appellante onder 1 – volgens de procuratieovereenkomst 5 uur, en volgens de Verklaring tussen 5 en 20 uur – ontoereikend is om van daadwerkelijke en permanente leiding te kunnen spreken.

5. Kern van het geschil is de vraag of de procuratiehouder permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de VOF. Het College gaat bij de beoordeling of verweerder deze vraag juist heeft beantwoord – in navolging van verweerder – uit van de stukken waarover verweerder beschikte op het moment waarop hij het bestreden besluit nam. Ter beoordeling staat immers of het bestreden besluit rechtmatig is genomen. Voor zover in het beroepschrift wordt uitgegaan van een andere, nieuwere, versie van de procuratieovereenkomst, kan dit niet bij de beoordeling worden betrokken.

6. Het College stelt met verweerder vast dat er een discrepantie is tussen Verklaring en de procuratieovereenkomst, welke stukken in de bezwaarfase zijn overgelegd. In de Verklaring is namelijk vermeld dat de hoogte van de taxitarieven, behandeling van klachten, vervoersplanning, administratie en boekhouding, belastingzaken, verzekeringszaken, personeelszaken en onderhouden van contacten met overheidsinstanties en andere instanties, inclusief een taxicentrale, alle behoren tot de bevoegdheden van de procuratiehouder. Alleen ten aanzien van de beslissing over de aanschaf van voertuigen is in de Verklaring niet aangegeven wie de bevoegdheid daartoe heeft. Daartegenover staat dat in de procuratieovereenkomst is vermeld dat de taak van de procuratiehouder onder meer is dat hij toezicht zal houden op het voeren van een correcte boekhouding door de vennoten, toezicht zal houden op het invullen van de rittenstaten en het bijhouden van de werkmap door de vennoten, de vennoten advies zal geven bij de aankoop van een auto, de vennoten zal bijstaan bij belasting-, btw- en bpm-zaken, en eenmaal per week met de vennoten overleg zal voeren. Het College is van oordeel dat de taken en bevoegdheden die de procuratiehouder in de procuratieovereenkomst zijn toegekend, gelet op de formulering hiervan, zich in wezen beperken tot begeleiding en advies. Van leidinggevende taken ten aanzien van de VOF en de vennoten ervan blijkt uit de procuratieovereenkomst dus onvoldoende. Dat hiervan sprake is blijkt evenmin uit artikel 2.1 van de procuratieovereenkomst, nu daarin zonder enige nadere concretisering slechts is vermeld dat de procuratiehouder “inhoudelijk betrokken” is “bij (definitieve) beslissingen betreffende de uitbreiding van [naam 1] , het aangaan van financiële verplichtingen, het aan- en verkoopbeleid, de aansturing van personeel, het dagelijks ondernemersbeleid, de relaties met de overheid maar ook de strategie van [naam 1] op de vervoersmarkt”. Reeds hierom heeft verweerder terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat de procuratiehouder daadwerkelijk en permanent leiding geeft aan de VOF. Het betoog in het beroepschrift dat verweerder zich niet mocht baseren op de procuratieovereenkomst, omdat de VOF niet verplicht was deze te overleggen, miskent dat het op de weg ligt van appellante onder 1 als aanvrager van de vergunning om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid. Dat de weigering onevenredige gevolgen heeft voor de VOF, zoals in beroep is aangevoerd, kan – wat daar ook van zij – niet afdoen aan de wettelijke eisen.

7. Gelet op het vorenstaande komt het College niet toe aan de beoordeling van het aantal uren waarvoor de procuratiehouder als leidinggevende beschikbaar is voor de VOF.

8. Het beroep is, voor zover ingediend door appellanten onder 1 tot en met 3, ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover ingediend door appellant onder 4, niet‑ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover ingediend door de overige appellanten, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. S.C. Stuldreher en mr. B. Hessel, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. M.B.L. van der Weele