Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:422

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
31-12-2015
Zaaknummer
14/384
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht: geen wanverhouding tussen in rekening gebrachte kosten en de geleverde prestatie; de vertraging in de uitvoering is in overwegende mate terug te voeren op het niet (tijdig) aanleveren van de gevraagde stukken of het leveren van gevraagd commentaar op de conceptenrapplrten door appellante.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/384

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2015 op het hoger beroep van:

Stichting [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 5] ),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 12 mei 2014, gegeven op een klacht, op 29 oktober 2013 door appellante ingediend tegen [naam 2] AA RA ( [naam 2] ) en [naam 3] RA FM MBV ( [naam 3] ) (gezamenlijk: betrokkenen)

(gemachtigde: mr. R.M. Kersten).


Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 12 mei 2014, met nummer 13/2486 en 13/2487 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2014:40).

Betrokkenen hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Appellante is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen [naam 4] . Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Naar aanleiding van een procedure gevoerd tussen appellante en de Staat der Nederlanden heeft het gerechtshof in Den Haag in 2004 – kort weergegeven – geoordeeld dat de Staat jegens appellante onrechtmatig heeft gehandeld door een toegekende subsidie in te trekken en dat de Staat gehouden is de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.

1.3

Betrokkenen waren beiden tot en met 2013 werkzaam als openbare accountants bij Accon AVM. Op 20 oktober 2010 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden tussen betrokkenen en de voorzitter van appellante, de heer [naam 5] ( [naam 5] ), met betrekking tot een opdracht tot het opstellen van een schadestaat ten behoeve van de onderhandelingen met de Staat over de vergoeding van de schade. Appellante heeft de opdracht daarop aan Accon AVM verleend. In het kader van die opdracht zijn van de zijde van Accon AVM vier (concept)rapportages aan appellante verstrekt, te weten het zogenoemde “2de concept” van 10 juni 2011 van medewerker [naam 6] RV ( [naam 6] ), het rapport genaamd “Schadeberekening The European Club [naam 1] ” van [naam 6] van 15 juli 2011, het rapport genaamd “Schadeberekening The European Club [naam 1] ” van [naam 3] van 28 september 2012 en het conceptrapport van 5 april 2013 van [naam 3] en [naam 7] RA RV ( [naam 7] ). [naam 7] is omstreeks november 2012 op initiatief van de advocaat van appellante, mr. [naam 8] ( [naam 8] ), als deskundige bij het opstellen van de schadestaat betrokken.

1.4

Appellante heeft in de loop van de tijd meermaals haar onvrede geuit over de wijze waarop door Accon AVM – en met name betrokkenen – uitvoering werd gegeven aan de opdracht. Appellante heeft kort na het ontvangen van het conceptrapport van 5 april 2013 de samenwerking met Accon AVM, [naam 7] en [naam 8] beëindigd.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat betrokkenen in algemene zin de in 2010 verleende opdracht en de in mei 2012 hernieuwde opdracht niet zijn nagekomen. Ten grondslag aan deze klacht liggen de volgende verwijten:

a. het door appellante betaalde bedrag staat in geen verhouding tot het resultaat;

b. de doorlooptijd van de rapportage is te lang.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Het College stelt voorop dat appellante ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat het hoger beroep niet ziet op de hoogte van de door het kantoor van betrokkenen in rekening gebrachte kosten, noch op het door appellante reeds betaalde bedrag.

3.2

In het hogerberoepschrift heeft appellante onder het kopje “Basis voor de vordering” een aantal concrete gedragingen van betrokkenen opgenomen die zij betrokkenen verwijt en die de gronden van het hoger beroep vormen. Volgens vaste jurisprudentie van het College is een aanvulling of uitbreiding van de klacht niet mogelijk in het kader van een hoger beroep tegen de beslissing van de accountantskamer (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:40). Dat betekent dat het College de verwijten opgenomen onder voornoemd kopje buiten beschouwing zal laten voor zover deze verwijten niet zijn te herleiden tot de oorspronkelijke klacht zoals weergegeven in 2.1.

Klachtonderdeel a

4.1

Het hoger beroep van appellante komt er ten aanzien van klachtonderdeel a in de kern op neer dat de hoogte van de in rekening gebrachte kosten niet in verhouding staan tot de kwaliteit van de geleverde werkzaamheden, omdat geen van de opgeleverde rapportages bruikbaar is voor de afhandeling van de schadeclaim.

4.2

De accountantskamer heeft – kort weergegeven – ten aanzien van klachtonderdeel a overwogen dat de omstandigheid dat met het uiteindelijk in rekening gebrachte bedrag van € 35.721,66 (inclusief btw) de omstreeks maart/april 2011 gegeven kostenindicatie van € 29.440,- (exclusief btw) is overschreden, niet maakt dat betrokkenen bij het opstellen en indienen van declaraties tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld. Naar het oordeel van de accountantskamer wettigt het verschil tussen de berekeningen in de rapporten van 28 september 2012 en 5 april 2013 geenszins de conclusie dat [naam 3] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld bij het opstellen van die rapporten. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de accountantskamer in voldoende mate dat het bedoelde verschil is terug te voeren op de door [naam 8] ervaren noodzaak tot ‘concretere en betere onderbouwing’ van de schade.

4.3

Naar het oordeel van het College is ook in hoger beroep niet gebleken dat sprake is van een wanverhouding tussen de kosten die door (het kantoor van) betrokkenen in rekening zijn gebracht en de door hen geleverde prestatie. Tussen appellanten en betrokkenen was afgesproken dat gedeclareerd zou worden op basis van de bestede tijd. Het aantal uren dat door betrokkenen en andere medewerkers van Accon AVM aan de opdracht is besteed is op verzoek van appellante ook verantwoord. Dat door het kantoor van betrokkenen een buitensporig aantal uren in rekening is gebracht is het College niet gebleken. Appellante heeft het vermoeden geuit dat dubbel, en daarmee onnodig, werk is verricht doordat meerdere medewerkers van Accon AVM aan de opdracht hebben gewerkt, maar zij heeft dit vermoeden niet nader onderbouwd. In de beschikbare informatie in het dossier ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat onevenredig veel uren in rekening zijn gebracht doordat meerdere mensen aan het dossier hebben gewerkt.

4.4

Ten aanzien van de kwaliteit van de door [naam 3] vervaardigde rapporten overweegt het College dat appellante ter zitting heeft verklaard dat zij zeer tevreden was over het rapport van 28 september 2012 en dat zij vooral geschrokken was van de inhoud van het rapport van 5 april 2013, omdat in dat laatste rapport de schade op een veel lager bedrag is becijferd. Zoals ook de accountantskamer heeft overwogen wettigt het verschil tussen beide berekeningen op zichzelf niet de conclusie dat [naam 3] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld bij het opstellen van de rapporten. Zoals door [naam 3] is toegelicht betrof het rapport van 28 september 2012 een theoretische en meer cijfermatige benadering van de schade, die grotendeels gebaseerd was op de namens appellante aangereikte uitgangspunten. De benadering van de schade is bijgesteld naar aanleiding van de opmerkingen van [naam 8] dat de schadeberekening met stukken onderbouwd moest zijn. Volgens [naam 8] zou de cijfermatige benadering van de schade onvoldoende stand houden in een civiele procedure. Deze weergave van de gang van zaken wordt door appellante niet betwist. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat het verschil tussen de berekeningen dan ook is terug te voeren op de door [naam 8] ervaren noodzaak tot een ‘concretere en betere onderbouwing’ van de schade. Gelet op het doel van de verstrekte opdracht valt niet in te zien dat [naam 3] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door een rapport uit te brengen met een betere onderbouwing van de berekende schade. In het licht van het voorgaande ziet het College evenmin aanleiding appellant in haar niet nader onderbouwde stelling te volgen dat de rapporten onbruikbaar zijn. De accountantskamer heeft het klachtonderdeel derhalve terecht ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b

5.1

Appellante heeft ten aanzien van klachtonderdeel b aangevoerd – zo begrijpt het College – dat betrokkenen op 20 oktober 2010 hebben toegezegd dat een conceptschaderapport binnen een maand en het definitieve rapport binnen drie maanden kon worden opgeleverd en dat betrokkenen deze afgesproken doorlooptijd(en) vele malen hebben overschreden, waardoor zij onprofessioneel hebben gehandeld.

5.2

De accountantskamer heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkenen zich op enig moment hebben verbonden aan een specifieke termijn of een specifieke datum voor oplevering van een definitief rapport. De accountantskamer heeft daarnaast geoordeeld dat tegen de achtergrond van de overgelegde correspondentie en andere stukken niet gezegd kan worden dat de opdracht met onvoldoende toewijding of voortvarendheid is uitgevoerd.

5.3

Het College overweegt dat appellante, tegenover de betwisting door betrokkenen, niet heeft aangetoond dat tijdens het gesprek van 20 oktober 2010 concrete en ongeclausuleerde afspraken zijn gemaakt over de einddatum van de opdracht. De tijdplanning in de opdrachtbevestigingen van 15 maart 2011 en 26 april 2011 van respectievelijk acht en zes weken na aanvang van de werkzaamheden is afhankelijk gesteld van de tijdige en volledige beschikbaarheid van alle door betrokkenen relevant geachte gegevens en stukken. De vertraging in het uitvoeren van de werkzaamheden is in overwegende mate terug te voeren op het niet (tijdig) aanleveren van de door betrokkenen gevraagde stukken of het leveren van het gevraagde commentaar op de conceptrapporten door appellante. Het duurde tot en met april 2011 voor de opdrachtbevestiging en de eerste voorschotbetaling gestalte kregen. [naam 6] heeft na aanvang van de inhoudelijke werkzaamheden op 10 juni 2011 een conceptrapport aan appellante gezonden met het verzoek dit concept van commentaar te voorzien. Een inhoudelijke reactie van de zijde van appellante op dit concept is uitgebleven. [naam 6] heeft desondanks en op nadrukkelijk verzoek van appellante op 15 juli 2011 de schadeberekening van die datum overgelegd. De verdere inhoudelijke uitwerking lag vervolgens stil tot 17 september 2012, onder andere door het uitblijven van inhoudelijk commentaar door appellante en de door haar geuite onvrede met het verloop tot dan toe. Na een bespreking in mei 2012 over de afronding van het project, het aanleveren van commentaar en de betaling van een factuur op 17 september 2012, heeft [naam 3] op 28 september 2012 een aangepaste schadeberekening naar appellante gezonden. Op deze berekening is door appellante eerst inhoudelijk gereageerd tijdens de bespreking van 19 december 2012 op het kantoor van [naam 8] . Rond deze tijd werd ook de deelname door externe expert [naam 7] aan betrokkenen bekend gemaakt. In de periode vanaf januari 2013 hebben meerdere besprekingen plaatsgevonden op het kantoor van [naam 8] en is op haar aandringen door [naam 7] en [naam 3] gewerkt aan schadeposten waarvoor een ‘betere en concretere’ onderbouwing kon worden gevonden. Daarbij is meermaals gesproken over en gevraagd naar (aanvullende) stukken. Tegen deze achtergrond bezien is het College van oordeel dat betrokkenen geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de tijd die is besteed aan de opdracht. In de uitgebreide weergave van de gebeurtenissen door appellante in het hogerberoepschrift ziet het College geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat daaruit geen ander beeld naar voren komt dan hierboven weergegeven. De accountantskamer heeft het klachtonderdeel derhalve terecht ongegrond verklaard.

6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

7. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. R.C Stam en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2015.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.M.T. Plouvier